De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen
Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/48:48 Sterke toename in aandelenoptieplannen
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/48
48 Sterke toename in aandelenoptieplannen
Documentgegevens:
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS367819:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel de populariteit van opties enigszins afnam tijdens de ‘bear market’ in 1957, is over het algemeen een sterke toename te zien in het gebruiken van opties als vorm van bezoldiging in de jaren ’50 en ’60. Murphy 2012, p. 51.
Zie Murphy 2012, p. 49-51; Zie ook Frydman & Saks 2008.
Zie Murphy 2012, p. 49-51; Zie ook Frydman & Saks 2008.
Frydman & Saks 2008, p. 10.
De uitoefenperiode van opties wordt beperkt tot tien jaar.
Murphy 2012, p. 51.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de eerste vijf jaren nadat deze nieuwe belastingwetgeving het licht heeft gezien, introduceert een groot deel van de beursgenoteerde ondernemingen een aandelenoptieplan voor haar bestuurders. In 1950 heeft slechts 4% van de ondernemingen met een beursnotering aan de New York Stock Exchange een optieplan voor zijn bestuurders. In juni 1951 is dit aantal verdriedubbeld. In de jaren erna zou de stijgende lijn worden doorgezet. Van de vijftig grootste ondernemingen heeft in 1950 slechts 10% een dergelijk optieplan. Rond 1960-1961 is dit percentage toegenomen tot 60-68%.1 Ook neemt de omvang van de optieplannen toe. In 1950 maken optieplannen ongeveer 10% uit van de totale bezoldiging, terwijl dat in 1960 gegroeid is tot boven de 20%.2
De strijd was met de invoering van de Internal Revenu Act van 1950 nog niet geheel gestreden. In augustus 1951 begon de Salary Stabilization Board een onderzoek om te bepalen of opties toch aangemerkt dienden te worden als bezoldiging op grond van de Defense Production Act en derhalve onder toezicht zouden staan van de Salary Stabilization Board. In november 1951 besloot de Salary Stabilization Board dat de ‘restricted stock options’ toegekend konden worden zonder goedkeuring van de Board mits deze voldeden aan enkele criteria. De opties moesten bijvoorbeeld toegekend worden met een uitoefenprijs van ten minste 95% van de aandelenkoers. Na de beslissing van de Salary Stabilization Board zag men wederom een toename in aandelenoptiepakketten voor bestuurders bij ondernemingen. In 1952 werd de Salary Stabilization Board ontmanteld.3
Opgemerkt dient te worden dat ondanks de toename in aandelenoptieplannen gedurende deze periode, de toekenning van opties op basis van deze optieplannen niet altijd gebeurt. Gedurende de jaren ’50 ontvangt slechts een klein deel van de bestuurders daadwerkelijk opties.4 Ook blijven de inkomsten die voortvloeien uit de aandelenoptieplannen in de eerste jaren beperkt. Reden hiervoor is de kortstondige recessie die volgt op de Koreaanse oorlog, waardoor veel opties onder water komen te staan. Er wordt daarom gepleit voor het verlichten van bepaalde restricties voor opties in de Revenue Act van 1954. Aan deze wens wordt tegemoet gekomen. Onder meer wordt het mogelijk gemaakt de uitoefenprijs van reeds toegekende opties te verlagen als de marktprijs aanzienlijk is gedaald.5 Deze aanpassing zorgt voor een nieuwe stimulans bij Amerikaanse ondernemingen voor het introduceren van aandelenoptieplannen als bezoldigingsvorm voor hun bestuurders.6