Einde inhoudsopgave
Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang (VDHI nr. 144) 2017/4.4.1
4.4.1 Inleiding
mr. G.P. Oosterhoff, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. G.P. Oosterhoff
- JCDI
JCDI:ADS351714:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Niet alleen in Nederland maar, al dan niet vooruitlopend op Europeesrechtelijke transparantieverplichtingen bijvoorbeeld ook in Duitsland, zie M. Weidemann, “Hidden Ownership” und §§ 21 ff. WpHG – status quo?, Neue Zeitschrift für Gesellschaftsrecht 2016, 605, en Frankrijk, zie B. François, L’identification des actionnaires, Revue des sociétés 2013, p. 397.
Richtlijn 1988/627/EG, PbEG 1988, L 348, later vervangen door Richtlijn 2001/34/EG, PbEG. L 184, op haar beurt gewijzigd door de Transparantierichtlijn 2004/109/EG, PbEU 2004, L 390/38.
Wet van 1 december 2011, Stb. 2011, 611, in werking getreden op 1 januari 2012.
Verordening betreffende short selling en bepaalde aspecten van kredietverzuimswaps (236/2012/EU van 14 maart 2012) en de Gedelegeerde Verordening 918/2012/EU van 5 juli 2012.
Wet van 15 november 2012 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Wet giraal effectenverkeer en het Burgerlijk Wetboek naar aanleiding van het advies van de Monitoring Commissie Corporate Governance Code van 30 mei 2007, Stb. 2012, 588.
Wet van 23 december 2015, Stb 2016, 31 (Implementatiewet wijziging richtlijn transparantie), kamerstukken 34232, in werking getreden op 20 januari 2016.
Hierover uitvoerig M.C. Schouten, The Decoupling of Voting and Economic Ownership (diss. UvA Amsterdam), Deventer: Kluwer 2012, p. 19-29.
C.M. Grundmann-van de Krol, Koersen door de Wet op het financieel toezicht, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2012, p. 442, 443, J.B.S. Hijink, Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (diss. UvA), Deventer: Kluwer 2010, p. 449-452, G.T.M.J. Raaijmakers, Synthetische aandelenbelangen in beursvennootschappen, in: G.T.M.J. Raaijmakers en R. Abma, Achter de schermen van beursaandeelhouders, Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’, Deventer: Kluwer 2007, p. 44, 45, M.C. Schouten, The Decoupling of Voting and Economic Ownership (diss. UvA Amsterdam), Deventer: Kluwer 2012, p. 3-28 en 59-62, B.F. Assink | W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel 2), Deventer: Kluwer 2013, p. 1363, 1364, S.A. Wissing, Meldingsplichten voor beleggers na de Wet Corporate Governance, Tijdschrift voor vennootschaps- en rechtspersonenrecht 2013, p. 109 e.v.
De regels over melding van stemrecht en het merkwaardige artikel 5:45 lid 6 over stemmenkoop blijven daarom buiten beschouwing, zie daarover G.T.M.J. Raaijmakers, Synthetische aandelenbelangen in beursvennootschappen, in: G.T.M.J. Raaijmakers en R. Abma, Achter de schermen van beursaandeelhouders, Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’, Deventer: Kluwer 2007, p. 45, 46.
Artikel 5:33 Wft, artikel 1 van de Transparantierichtlijn 2004/109/EG en artikel 1 van de Verordening (EU) nr. 236/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012.
Zie A.A. Bootsma en J.B.S. Hijink, De beurs-NV in den vreemde, Ondernemingsrecht 2014/15 en A.A. Bootsma, J.B.S. Hijink en L. in ’t Veld, Multiple corporate citizenship, Ondernemingsrecht 2015/120.
Wet van 15 november 2012 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Wet giraal effectenverkeer en het Burgerlijk Wetboek naar aanleiding van het advies van de Monitoring Commissie Corporate Governance Code van 30 mei 2007, Stb. 2012, 588, zie hierover M. van Olffen en G.J.C. Rensen, Aandeelhoudersidentificatie en -communicatie in het effectenrecht, WPNR 2014/7008, p. 189 e.v.
Richtlijn (EU) 2017/828 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 2007/36/EG wat het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders betreft. Zie voorts W. Kuijpers, Voorstel Europese Commissie wijziging richtlijn aandeelhoudersrechten, Ondernemingsecht 2014/89, M. van Olffen, Kapitaalverschaffers en de Aandeelhoudersrichtlijn, in: G. van Solinge (red.), Nederland, het Delaware van Europa, Voordrachten en discussieverslag van het gelijknamige congres van het Van der Heijden Instituut op 20 en 21 november 2015, Deventer: Kluwer 2016, p. 175-187 en G.T.M.J. Raaijmakers en M.J.H. ten Kate, De Capital Markets Union vanuit een oogpunt van governance, Ondernemingsrecht 2017/14.
Het bereik van de regelgeving over het melden van kapitaalbelang in uitgevende instellingen is sinds de invoering ervan zo vergroot dat vele vormen van synthetische (economische) belangen daaronder vallen. Aan die regelgeving kunnen enkele kenmerken ontleend worden die structuur kunnen aanbrengen in de verscheidenheid van synthetische (economische) belangen.
De meldingsplichten van substantiële belangen in beursvennootschappen knoopten in het verleden met name aan bij aandelenbelangen en niet bij synthetische (economische) belangen, opties daargelaten. De opkomst van synthetische belangen leidde tot een gebrek aan transparantie en had daardoor negatieve invloed op de efficiëntie van de markten en op corporate governance (vergelijk paragraaf 3.3.2 en 3.5.1). De reikwijdte van die meldingsplichten is steeds uitgebreid om ook synthetische (economische) belangen daaronder te brengen.1
De meldingsplichten ter zake van belangen in beursvennootschappen vinden hun oorsprong in Europese richtlijnen2 en zijn in Nederland ingevoerd in de Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen van 1991.3 De regeling van deze wet werd vervangen door die van de Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen van 1996 en die op haar beurt weer door de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen van 2006. De regeling van 2006 is in 2007 grotendeels ongewijzigd overgenomen in Hoofdstuk 5.3 van de Wft.4 In 2012 is het bereik van de meldingsplichten uitgebreid tot bepaalde cash-settled instrumenten.5 Al deze regelingen hebben betrekking op long posities in aandelen. De Europese wetgever heeft in 2012 meldingsplichten voor netto short posities ingevoerd.6 In 2013 zijn door de Nederlandse wetgever ook financiële instrumenten die een bruto short positie met betrekking tot aandelen vertegenwoordigen onder het bereik van de meldingsplichten gebracht.7 In 2016 is de regeling op enkele punten aangepast ter implementatie van de herziene Transparantierichtlijn.8 Het doel van de meldingsplichten is van oudsher het bevorderen van de transparantie van de effectenmarkten en daarmee de efficiëntie van die markten en de bescherming van de beleggers, en recenter ook het bevorderen van een goede corporate governance.9 Feitelijk zijn de meldingsplichten ook relevant voor de bescherming van de belangen van de vennootschap en de bij haar betrokkenen.10
Deze paragraaf beoogt geen volledig beeld te geven van meldingsplichten van zeggenschap en kapitaalbelang, maar alleen te onderzoeken aan welke economische belangen in een vennootschap de wet meldingsplichten verbindt.11 Eerst komen de Wft-regels en Europese regels voor het melden van long posities aan de orde, vervolgens de Wft-regels voor bruto short posities en de direct werkende Europese regels voor netto short posities. De meldingsplichten in de Wft zien op Nederlandse naamloze vennootschappen waarvan aandelen zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt en, kort gezegd, buitenlandse vennootschappen waarvan aandelen zijn toegelaten tot de handel op een Nederlandse gereglementeerde markt. De Europese regels voor melding van long posities sluiten ook aan bij het begrip gereglementeerde markt. De Europese regels over short posities zien ook op vennootschappen waarvan aandelen zijn toegelaten tot de handel op een handelsplatsform in de Europese Unie.12 Daaruit volgt dat de meldingsplichten niet gelden voor bijvoorbeeld Nederlandse vennootschappen waarvan de aandelen zijn toegelaten tot de handel of een beurs buiten de Europese Economische Ruimte, en daardoor niet gelden voor een flink deel van de zogenoemde “beurs-NVs in den vreemde”.13
De regels omtrent identificatie van aandeelhouders die met de introductie van de meldingsplicht van bruto short posities in 2013 in de Wge zijn opgenomen, komen hier niet aan de orde, omdat die aanknopen bij de aandeelhouder (en wel degene aan het einde van de bewaarketen) en niet bij de houder van het economische belang.14 Dat geldt evenzeer voor nog te implementeren wijzigingen van de Richtlijn aandeelhoudersrechten. De wijzigingsrichtlijn voorziet in de identificatie van aandeelhouders door beursvennootschappen, maar wijzigt de Richtlijn aandeelhoudersrechten niet op het punt waar die voor het begrip aandeelhouder aanknoopt bij de persoon die krachtens het toepasselijke recht wordt erkend als aandeelhouder.15