Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/4.8
4.8 Tot slot
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200792:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In navolgende hoofdstukken zal worden ingegaan op de vraag in hoeverre verschillen in opvatting, perspectief en redeneerwijze tussen politiemensen, officieren van justitie en rechters aanwijsbaar zijn.
Op de vraag waardoor het ‘perspectief’ van politiemensen, officieren van justitie en rechters wordt gevormd wordt uitgebreider ingegaan in hoofdstuk 8.
Wel staat deze beeldvorming ver af van de onschuldpresumptie (onderdeel van het due process model), die veronderstelt dat van onschuld wordt uitgegaan zolang, ondanks de aanwezigheid van mogelijk zeer sterk bewijsmateriaal, de rechter (of officier van justitie) niet heeft geoordeeld over de zaak.
Met dit hoofdstuk is deelvraag 1 van de onderzoeksvraag beantwoord: ‘Hoe beoordelen politiemensen in Nederland het functioneren van het strafrecht en in het bijzonder het strafrechtelijk vervolg op hun werk?’ Het laat zien dat in de ogen van veel politiemensen beslissingen in het strafrechtelijk vervolg afwijken van wat zij noodzakelijk of wenselijk vinden. Geregeld doet zich ontevredenheid voor bij uiteenlopende strafrechtelijke beslissingen, zoals die over bewijs, straf en voorlopige hechtenis. De uitgevoerde enquête bevestigt dat op basis van hun eigen verwachtingen en zienswijze op strafrechtelijke beslissingen, politiemensen vaak ontevreden zijn over de strafrechtspleging. Daarbij blijken politiemensen het strafrecht vaak als een ‘oplossing’ van problemen te beschouwen. Maar zijn ze daarmee in termen van Packers modellen (zie hoofdstuk 2) volledig in de ban van crime control?
Voorlopige hechtenis
Over voorlopige hechtenis wordt regelmatig anders besloten dan politiemensen wenselijk vinden. Hoewel zij beseffen dat er juridische grenzen zijn aan de toepassing van voorlopige hechtenis, willen zij over het algemeen dat verdachten vaker en langer worden gehecht. Vaak spelen geheel andere overwegingen dan die in het formele strafrecht hierbij een rol. De zienswijze van politiemensen op vragen rond voorlopige hechtenis gaat veelal uit van het perspectief van het slachtoffer of de buurt waarin strafbare feiten zijn gepleegd. Voorlopige hechtenis dient in hun ogen benut te worden voor acute normering (straf), ter beheersing van risico’s (voor bewoners en de politie zelf) en kan volgens hen een belangrijke signaalwerking hebben. Zowel verdachten, potentiële daders en bewoners behoren volgens politiemensen duidelijk te merken dat er iets aan criminaliteit en overlast wordt gedaan. In plaats van een juridisch vraagstuk, is de beslissing over voorlopige hechtenis voor veel politiemensen daarmee vooral een moreel en een praktisch vraagstuk.
Bewijs
Veel politiemensen zijn van oordeel dat de rechterlijke macht regelmatig te hoge eisen stelt aan het bewijs in strafzaken. Een verklaring voor de ervaren onvrede met de strafrechtspleging op dit punt wordt gevormd door de redeneerwijze die politiemensen veelal volgen. Deze lijkt vaak tamelijk ver af te staan van een juridische beoordelingswijze.
Politiemensen beoordelen strafrechtelijke beslissingen regelmatig vanuit hun eigen (niet-juridische) vakmanschap. De juridische eisen die door het strafrecht zijn gesteld aan een bewezenverklaring, maken soms van de door politiemensen gevolgde beoordelingswijze géén deel uit. In plaats daarvan gaan ze regelmatig uit van een in hun ogen waarschijnlijk of plausibel scenario en van in typificaties opgebouwde ‘straatkennis’ over het gedrag en andere als relevant beschouwde kenmerken van verdachten. Deze kennis gebruiken politiemensen dagelijks om gevaren en potentiële daders te herkennen en tevens snel te bepalen hoe met acute situaties om te gaan. Het is onder bepaalde omstandigheden onmisbare kennis, maar de empirische basis ervan is onzeker en met een sterke beeldvorming hoeft nog geen sprake te zijn van wettig en overtuigend bewijs.
Straffen
Opvattingen van politiemensen over de strafrechtspleging, met name over de sancties die worden opgelegd, zijn lang niet altijd gebaseerd op concrete ervaringen en zaken. Beeldvorming speelt een belangrijke rol, hetgeen verband houdt met het beperkte zicht dat veel politiemensen hebben op het strafrechtelijk vervolg. Uit zowel de gehouden interviews als de enquête blijkt dat onder politiemensen de opvatting heerst dat er strenger gestraft moet worden, vooral bij recidivisten. Veel politiemensen zien wel het belang van ondersteuning en hulpverlening aan verdachten die niet in staat zijn op eigen kracht hun leven weer in het gareel te krijgen, maar vinden die vaak tekortschieten. Bovendien is de heersende opvatting dat er in Nederland een zodanig mild strafklimaat heerst dat vooral veelplegers en ‘doorgewinterde’ criminelen zich maar weinig zouden aantrekken van het strafrecht: van de opgelegde straffen zelf, noch de dreiging daarvan.
De neiging bestaat het strafrecht tot een ‘verlengstuk’ van de politie te maken. In veel gevallen wordt strafrecht door politiemensen min of meer beschouwd als de enige oplossing, waarbij ze vaak pleiten voor meer en langere detentie van (groepen) delinquenten. Op basis van de bevindingen in dit hoofdstuk lijken politiemensen daarbij een andere oriëntatie op de strafdoelen te hebben dan officieren van justitie en rechters. Hierop wordt nader ingegaan in navolgende hoofdstukken.
Due process, crime control en strafdoelen in opvattingen van politiemensen
Politiemensen doen de zorgvuldige procedures van het strafrecht niet simpelweg af als een belemmering voor crime control. Zo laten zij niet na de hand in eigen boezem te steken bij de vraag waarom het strafrecht in hun ogen niet altijd naar wens functioneert. In de ogen van veel politiemensen laten capaciteit en kwaliteitsaspecten ook binnen de politieorganisatie zelf veel te wensen over. Een combinatie van praktische argumenten (deels intern organisatorisch), morele argumenten en overwegingen van effectief optreden tegen criminaliteit vormen samen een patroon in de opvattingen van politiemensen over de strafrechtspleging. De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten lijken daarmee het eerdere onderzoek van Skolnick (1966; zie ook hoofdstuk 2) op veel punten te bevestigen. Volgens hem leidt de sterke identificatie van politiemensen met hun ‘vakmanschap’ uiteindelijk tot een negatieve houding ten opzichte van de rechterlijke macht. Dit kan volgens Skolnick worden verklaard doordat dit ‘vakmanschap’ van politiemensen vaak door strafrechtelijke beslissingen lijkt te worden doorkruist. In zijn beschrijving hiervan bepaalt een probalistische logica vaak de houding van politiemensen tegenover burgers of verdachten. In hun werk maken ze combinaties van persoons- en contextgebonden kenmerken en worden quasi-statistische redeneringen gehanteerd ter onderbouwing van de schuldpresumptie die volgens Skolnick is ingebakken in het politiewerk (en aansluit bij het crime control model). Als een agent bijvoorbeeld een arrestatie verricht, ligt het voor hem het meest voor de hand (‘presumption of regularity’) uit te gaan van de schuld van de verdachte (1966: 197). Immers, meestal klopt dat. Niet juridische schuld, maar de overtuiging dat sprake is van feitelijke schuld staat centraal (Skolnick, 1966: 202-203).
Waar beslissingen afwijken van wat politiemensen wenselijk of nodig vinden, hetgeen regelmatig het geval blijkt te zijn, ontstaan gevoelens van onvrede en soms frustratie. De verklaringen die Skolnick hiervoor biedt, zijn beide in dit hoofdstuk naar voren gekomen. Ten eerste hebben politiemensen het gevoel dat hun vakmanschap wordt doorkruist door sommige volgens hen op te grote afstand staande magistraten, hetgeen vooral bij de beoordeling van bewijs een rol lijkt te spelen. Ook ervaren verschillen in vergelijkbare gevallen spelen een rol.
Skolnick wijst op de verantwoordelijkheid die politiemensen hebben om de orde te handhaven (p. 233), als bron voor hun verwachtingen van wat er in de strafrechtspraktijk moet gebeuren. In dit hoofdstuk kwamen hiervan diverse voorbeelden naar voren ten aanzien van voorlopige hechtenis en straf. Dit hoofdstuk geeft aan dat opvattingen van politiemensen hierover, zoals ook Skolnick al had laten zien, veelal aansluiten bij Packers crime control model. Dat is duidelijk het geval bij de discussie die zich soms voor blijkt te doen over de beoordeling van bewijs. De rechterlijke macht beoogt daarmee, volgens het ideaal van due process, soms terughoudender om te gaan en de individuele verdachte meer te beschermen dan politiemensen wensen.1
Door politiemensen wordt vaak uitgegaan van de betrouwbaarheid van feitenonderzoek en het willen beperken van tegenwicht: in latere processtappen zijn het OM en de rechtspraak immers te kritisch volgens de opvatting van veel politiemensen. Aan een efficiënte veroordeling bij ‘voldoende’ beschikbaar bewijs, staat dit in de weg. Vanuit hun praktische ‘perspectief’2 ervaren veel politiemensen de strafrechtelijke eisen aan het bewijs als te hoog en zien dat als een hindernis (vgl. Packer, 1964: 13) om rechtvaardigheid te kunnen realiseren. Een deel van de politiemensen gaat zo ver in de eigen wijze van beoordelen van schuld op basis van beeldvorming, dat van terughoudendheid in de interpretatie van bewijsmateriaal en van het hanteren van juridische eisen maar weinig sprake is. Een presumptie van schuld zoals in het crime control model is opgenomen, is te absoluut voorgesteld, maar de waarschijnlijkheidsredeneringen die politiemensen in hun uitspraken gebruiken, staan hier niet ver vanaf: ‘We weten toch dat hij dit soort feiten pleegt.’
Regelmatig beschouwen politiemensen het als een gebrek aan steun van officieren van justitie en rechters als hun verklaring of proces-verbaal niet wordt gevolgd. Ook dit element bevestigt dat in de opstelling van politiemensen met name het crime control model naar voren komt. Daarin wordt uitgegaan van de betrouwbaarheid van het feitenonderzoek door de politie en is er vertrouwen in hun werkwijze en oordeelsvorming. Als hierop controle wordt toegepast of kritiek komt, gaat dit in Packers model ten koste van de mate waarin het strafrechtsysteem in staat is om ‘probably guilty’ op efficiënte wijze veroordeeld te krijgen. Uit de interviews blijkt dat politiemensen ervaren dat in hun ogen te afstandelijk en formalistisch met de beoordeling van bewijs wordt omgegaan. Graag zouden ze zien dat hun ‘straatkennis’ (op basis van beeldvorming) sterker doorklinkt in beslissingen van officieren van justitie en rechters. In lijn hiermee is de verwachting die veel politiemensen tijdens de interviews uitspreken dat officieren van justitie en rechters meer van hun werk zouden moeten zien om deze vormen van kennis te vergroten en (vooral) beter te kunnen beoordelen.
Zoals hierboven duidelijk werd is Packers crime control model in belangrijke mate toepasbaar op de uitkomsten van dit onderzoek. Op enkele punten is ook aanvulling mogelijk op Packers theorie, of moet deze op basis van dit onderzoek worden genuanceerd. In zijn theorie staat repressie centraal, terwijl opvattingen van politiemensen over de inzet van strafrecht niet onder dit brede begrip gevat kunnen worden. Zij blijken soms nadruk te leggen op de gedachte van verbetering van de individuele persoon als doelstelling van de strafrechtspleging, waarbij in plaats van repressie soms niet-strafrechtelijke trajecten beter aansluiten. Echter, tussen politie en magistratuur lijkt sprake van een verschil van opvatting over het karakter dat strafrechtelijk optreden overwegend zou moeten hebben. De opvattingen van politiemensen over het strafrecht hebben vaak betrekking op het in hun ogen beperkte effect van de huidige strafrechtelijke interventies. De meeste politiemensen lijken op grond van hun (sterk ervaren) missie de samenleving te moeten beschermen en de in hun ogen beperkte mogelijkheden die reclassering, zorg en hulpverlening bieden, geen overtuigende alternatieven voor detentie te zien. Zij komen op basis daarvan in meerderheid uit op een opvatting van straffen die getypeerd kan worden als een ‘harde aanpak’ en als punitief pragmatisme: er zou een betere oplossing moeten zijn, maar die lijkt niet voorhanden.
Incapacitatie, afschrikking en vergelding zijn strafdoelen waarop politiemensen aangeven meer georiënteerd te zijn dan in hun ogen veel officieren van justitie en vooral rechters. In het verlengde hiervan wordt gepleit voor meer en langere ISD-trajecten, meer en langere gevangenisstraffen en een intensere en meer stringente aanpak van onder andere hulpverlening en reclassering. Tegelijkertijd is strafrechtelijk optreden voor politiemensen niet zoals Packer veronderstelde uitsluitend een kwestie van instrumenteel optreden in de strijd tegen criminaliteit en overlast. Ook morele overwegingen en de ervaren noodzaak van expressieve bevestiging van maatschappelijke normen (vgl. Garland, 2001), maken deel uit van hun verwachtingen van de strafrechtspleging. Bevestiging van het gezag van de politie wordt daarbij van belang geacht (vgl. Rubinstein, 1973). De gedachte dat rechtswaarborgen moeten gelden wanneer de overheid op criminaliteit reageert, kortom de rechtsbeschermende functie van het strafrecht (due process), is in de opvattingen van politiemensen dus niet alleen vaak ondergeschikt aan de behoefte om criminaliteit (acuut) tegen te gaan (crime control), maar ook aan een behoefte om de (morele) orde of street justice (Sykes, 1986) te herstellen. Zo kan de rust in de wijk worden hersteld, menen zij, doordat direct betrokken bewoners en potentiële lastposten zien dat door de autoriteiten wordt opgetreden tegen criminaliteit en overlast. Deze niet zozeer instrumentele, maar vooral symbolische functie van het strafrecht is voor politiemensen fundamenteel.
Ook op andere fronten toont dit hoofdstuk een complexer beeld dan Packer schetste met zijn theorie. Zo wordt (net als in het crime control model bij Packer) door politiemensen wel van de betrouwbaarheid van hun onderzoek uitgegaan, maar wordt in abstracto de gedachte van een onafhankelijke rechterlijke beoordeling ook volop gesteund. Niet letterlijk een schuldpresumptie (zoals in het crime control model en zoals Skolnick stelt) maar eerder beeldvorming rond de verzamelde feiten en de verdachte speelt een rol in het perspectief dat politiemensen op het strafrecht ontwikkelen.3