FED 2026/19
Prejudiciële vragen over art. 37d Wet OB bij levering nieuw woonappartementencomplex in verhuurde staat door projectontwikkelaar met prealabele opmerkingen over onvolledigheid art. 11 lid 1 onderdeel r Wet OB 1968.
HR 21-11-2025, ECLI:NL:HR:2025:1732, m.nt. M.D.C. Gomes Vale Viga MSc
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21 november 2025
- Magistraten
Mrs. Van Hilten, Punt, Fierstra, Faase, Peters
- Zaaknummer
22/02347
22/02351
- Noot
M.D.C. Gomes Vale Viga MSc
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD46049:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Europees belastingrecht / Algemeen
- Brondocumenten
Beroepschrift, Hoge Raad, 21‑11‑2025
ECLI:NL:HR:2025:1732, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑11‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:524, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑04‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:478, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑04‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:526, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑04‑2024
- Wetingang
Essentie
Prejudiciële vragen over art. 37d Wet OB bij levering nieuw woonappartementencomplex in verhuurde staat door projectontwikkelaar met prealabele opmerkingen over onvolledigheid art. 11 lid 1 onderdeel r Wet OB 1968.
Samenvatting
De Hoge Raad vraagt aan het Hof van Justitie EU of art. 19 eerste alinea Btw-richtlijn 2006 (het zogenoemde niet-leveringsbeginsel; zie art. 37d Wet OB 1968 voor de Nederlandse pendant) zich uitstrekt tot de levering van een woonappartementencomplex, dat uitsluitend is gebruikt voor een van omzetbelasting vrijgestelde economische activiteit (verhuur), wanneer de verkoper ter zake van de appartementen geen ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.