Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/2.3.2.1:2.3.2.1 Empirische activiteit
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/2.3.2.1
2.3.2.1 Empirische activiteit
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel door juristen veelal het bijzondere karakter wordt benadrukt van het proces van bewijzen in het recht, gaat het in de kern om het doen van ‘gewone conventionele, empirische vaststellingen van de waarheid van beweringen’.1 Op basis van eigen waarnemingen en ervaring2 wordt getracht een gerechtvaardigde uitspraak te doen over de werkelijkheid. De activiteit van feitenonderzoek en bewijs in het recht verschilt daarbij niet wezenlijk van feitenonderzoek en bewijs op andere terreinen zoals in de wetenschap. Het draait immers om het genereren en toetsen van hypothesen over de werkelijkheid.3 In het strafrecht wordt het centrale onderzoeksthema gevormd door de opheldering van de ware of feitelijke toedracht van een gebeurtenis die mogelijk een strafbaar feit inhoudt.4 Het genereren van hypothesen omtrent de toedracht is primair de taak van de politie en het Openbaar Ministerie. Het is vervolgens aan de rechter (of de jury) om op basis van eigen waarnemingen, het overige beschikbare bewijsmateriaal en tegen de achtergrond van bestaande kennis, een conclusie te trekken omtrent de juistheid van de voorgelegde hypothese(n).
De constatering dat het gaat om een vorm van empirisch onderzoek en bewijzen is van groot belang omdat de rechter daarbij ook gebonden is aan maatstaven voor geldige kennisverwerving en geldig redeneren.5 Wat betekent dat in concreto? Ten eerste dat de rechter bij de waardering van het bewijsmateriaal dat hij aan zijn beslissing ten grondslag wil leggen, moet kijken of de daarin neergelegde onderzoeksresultaten tot stand zijn gekomen met inachtneming van de methodologische regels die gelden op het desbetreffende onderzoeksterrein. Ten tweede dat de rechter bij het nemen van de beslissing zelf ook is gebonden aan algemeen logische en methodologische principes (zoals het principe dat alleen relevant bewijsmateriaal kan bijdragen aan de bewijsbeslissing). In het recht zelf zijn ook regels van methodologische aard terug te vinden. Deze zien hoofdzakelijk op de fase van de bewijsvergaring en de deugdelijkheid van de te verkrijgen onderzoeksresultaten. Er zijn tevens regels die de kwaliteit van de (rechtelijke) beslissing trachten te bevorderen. In dit verband moet gedacht worden aan de Nederlandse bewijsminimumregels en de toelaatbaarheidsregels in op Anglo-Amerikaanse leest geschoeide stelsels. Het feit dat de bewijsbeslissing tot op zekere hoogte juridisch is genormeerd, betekent niet dat aan algemeen methodologische principes en regels van logica en statistiek voorbij kan worden gegaan indien men zich tot doel stelt om ware uitspraken te doen over de (voorbije) werkelijkheid.6