Inhoudsopgave
WFR 2025/107:Nemen fiscalisten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid voldoende serieus?
WFR 2025/107
Nemen fiscalisten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid voldoende serieus?
Documentgegevens:
Prof. dr. P.H.J. Essers, datum 07-04-2025
- Datum
07-04-2025
- Auteur
Prof. dr. P.H.J. Essers1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD2822:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Prof. dr. P.H.J. (Peter) Essers is emeritus-hoogleraar belastingrecht Tilburg University; oud-Eerste Kamerlid (CDA).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze bijdrage wordt de vraag beantwoord of en zo ja, hoe de redactie van het Weekblad fiscaal recht haar maatschappelijke verantwoordelijkheid invult en of dat adequaat is.
Hoewel het niet zo zal zijn bedoeld, komt dit over als een retorische vraag, waarop de vraagsteller geen antwoord verwacht, maar graag wil dat de ontvanger ervan zich aangesproken voelt. Alsof er voldoende reden is om te twijfelen aan de mate waarin fiscalisten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid serieus nemen. Tegelijkertijd veronderstelt deze vraag dat fiscalisten een maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben, ongeacht tot welke categorie fiscalisten ze behoren. Verschilt die maatschappelijke verantwoordelijkheid niet naarmate fiscalisten wetenschappers zijn, rechters, belastingadviseurs, departementsambtenaren of belastinginspecteurs? Mij dunkt van wel! Gelet op mijn achtergrond als wetenschapper en redactievoorzitter van het WFR zal ik niettemin een antwoord proberen te formuleren op de vraag of en zo ja, hoe de redactie van het Weekblad Fiscaal Recht haar maatschappelijke verantwoordelijkheid invult en of dat adequaat is. Mijn antwoord op die eerste vraag is dat ik meen dat de WFR-redactie haar maatschappelijke verantwoordelijkheid wel degelijk serieus neemt door het Weekblad een podium te laten zijn voor in belastingrecht en belastingwetenschap geïnteresseerde lezers, waarin er ruimte is voor kritische analyses, debat en voorlichting over alle mogelijke fiscale en aanverwante onderwerpen met als hoofddoelstelling om een bijdrage te leveren aan een eerlijk, efficiënt, effectief en eenvoudig (de beroemde vier e’s van Leo) belastingstelsel. Een blad dat al vanaf 1872 bestaat en nog steeds mag bogen op een lezerspubliek dat een representatieve afspiegeling van de Nederlandse fiscalisten is, mag, denk ik, ervan uitgaan dat er kennelijk al die ruim 152 jaren behoefte aan heeft bestaan en dat dit nog steeds zo is. Op de vraag of het Weekblad ook voldoende adequaat zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid invult, is mijn antwoord dat ik denk dat dit altijd beter kan. Zo zit er bijvoorbeeld soms een bias in het aanbod van de artikelonderwerpen in het Weekblad. Neem alleen al het aantal artikelen dat sedert het Kerstarrest van de Hoge Raad in december 2021 in het Weekblad is verschenen over de box 3-problematiek in vergelijking met het aantal artikelen over het kinderopvangtoeslagschandaal dat met het rapport ‘Ongekend onrecht’ van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag eind 2020 tot de val van het kabinet-Rutte III leidde.
Ofschoon het Kerstarrest aangaf dat box 3 tot strijd met de rechten van de mens als bedoeld in het EVRM leidde, om precies te zijn met het recht van ongestoorde eigendom van art. 1 EP EVRM en met het discriminatieverbod van art. 14 EVRM, zullen we het, neem ik aan, er snel over eens zijn dat het onrecht en het leed dat het kinderopvangtoeslagschandaal bij de slachtoffers heeft veroorzaakt in de regel veel groter is geweest, en dat voor vele slachtoffers nog steeds is, dan het box 3-onrecht waar vooral vermogende particulieren onder hebben geleden. Wat dat betreft is de titel ‘Ongekend onrecht’ van de parlementaire ondervragingscommissie erg goed gekozen. Daar komt nog eens bij dat het kinderopvangtoeslagschandaal tot een diepe vertrouwensbreuk heeft geleid tussen burgers aan de ene kant en de Belastingdienst en de rechterlijke macht aan de andere kant, die nog lang niet is geheeld. Ook de wetgever kan zich niet vrijpleiten omdat deze te lang heeft gewacht met het repareren van het stelsel toen in de praktijk bleek tot wat voor misstanden dit leidde. Waarom is er pas nadat het kwaad was geschied ook de nodige aandacht besteed aan het toeslagenschandaal in het Weekblad? Dat komt in de eerste plaats omdat de toeslagen niet tot de core business behoren van de gemiddelde WFR-lezer en -auteur; dit in tegenstelling tot de box 3-problemen en de vraagstukken in het nationale en internationale fiscale ondernemingsrecht. De slachtoffers van het kinderopvangtoeslagbeleid behoren in de regel ook niet tot de clientèle van de gemiddelde belastingadviseur die het Weekblad leest noch tot de belastingplichtigen waarmee de gemiddelde belastinginspecteur die abonnee van het Weekblad is, te maken heeft. Dat betekent dat de gemiddelde WFR-lezer of -auteur ook niet in zijn of haar dagelijkse werk te maken heeft met de problemen van toeslagenouders. Dat het ministerie van Financiën niet de eerst verantwoordelijke was voor het toeslagendossier maar het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, werkte ook niet mee. Dat betekent overigens niet dat de gemiddelde WFR-lezer of -auteur niet geïnteresseerd zou zijn in het ‘Ongekend onrecht’ van het toeslagschandaal. Juist de betrokkenheid van de leiding van de Belastingdienst bij dit schandaal en de stuitende onnozelheid die sommige bewindslieden van Financiën aan de dag legden bij de openbare parlementaire verhoren, hebben grote verontwaardiging gewekt, niet in de laatste plaats bij fiscalisten. De uit deze affaire getrokken lessen komen terug in diverse publicaties die na ‘Ongekend onrecht’ ook in de fiscale literatuur zijn verschenen. Door dit schandaal is bijvoorbeeld de aandacht voor constitutionele toetsing en het evenredigheidsbeginsel ook in het Weekblad toegenomen. Dat geldt zeker ook voor de steeds weer terugkerende pleidooien voor meer ruimte voor de ‘menselijke maat’ in de praktische toepassing van het belastingrecht, hoezeer deze ontwikkeling weer nieuwe vragen oproept in relatie tot onder meer eisen van gelijkheid en rechtsstatelijkheid.
Dat in de fiscale literatuur vóór het publiekelijk bekend worden van dit schandaal niet of nauwelijks is gewaarschuwd voor het grote onrecht dat in de praktijk gaande was, terwijl wel door onder anderen de Nationale Ombudsman daarop in zijn rapportages indringend is gewezen, had anders gekund en naar mijn mening gemoeten. Voormelde factoren kunnen wellicht wel als een verklaring, maar niet als een voldoende rechtvaardiging daarvoor gelden. Er is in de fiscale wereld ook te lang gedacht dat de beschuldigingen aan de leiding van de Belastingdienst en aan individuele belastingambtenaren over de onrechtmatigheid van het ‘alles-of-niets-beleid’ – dat natuurlijk op geen enkele wijze kan worden gerechtvaardigd door de afwezigheid van een wettelijke hardheidsclausule − de institutionele vooringenomenheid en de nietsontziende hardheid in de uitvoering overdreven waren en dat het zelfreinigende vermogen van de Belastingdienst het onheil wel zou keren. Thans is er een tendens om de ‘menselijke maat’ meer onder de aandacht te brengen, getuige onder andere de recente benoeming van Hayde Zarkeshan als ‘Belangenbehartiger voor belastingplichtigen en toeslagengerechtigden’. De moeizame wijze waarop deze benoeming tot stand is gekomen en de opvallende scepsis die spreekt uit de bureaucratische ambtelijke formuleringen over de formele rechten en verplichtingen van deze Belangenbehartiger ten opzichte van andere instanties, spreken echter boekdelen en beloven weinig goeds. Er zijn kennelijk veel instituties die zich ook belangenbehartiger noemen. Als redactie van het Weekblad zullen wij deze ontwikkelingen kritisch volgen, opdat ook op het terrein van de invulling van de ‘menselijke maat’ en fiscale rechtsbescherming de signaalfunctie van het Weekblad van maatschappelijk onrecht op alle terreinen van het belastingrecht tot uitdrukking blijft komen. Op onze maatschappelijke verantwoordelijkheid in dezen mag u ons blijven aanspreken.