Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/103
103 Kritiek op de stewardshiptheorie
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS371393:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Albanese, Dacin & Harris 1997, p. 610.
Opgemerkt zij dat men ervan uitgaat, dat de principaal-agenttheorie in beginsel altijd conflicterende belangen tussen principaal en agent veronderstelt. Als dit het uitgangspunt is, dan wordt de mogelijkheid dat een agent het belang van zijn principaal als utiliteit heeft en er dus geen conflicterende belangen zijn, niet mogelijk geacht. In dat geval kan de stewardshiptheorie niet geheel worden opgenomen binnen de principaal-agenttheorie en zal de principaal-agenttheorie bijna het hele spectrum beslaan, terwijl de stewardshiptheorie slechts de overgebleven beperkte ruimte krijgt toebedeeld.
In de literatuur wordt tevens de vraag gesteld of stewards wel altruïstisch zijn of niet? Zie onder andere Daily, Dalton & Cannella Jr. 2003, p. 372. De bestuurder kan immers de mening zijn toegedaan dat het dienen van de belangen van de aandeelhouders ook in zijn eigen belang is, omdat de bestuurder ziet dat de prestatie van de onderneming een directe impact heeft op de beeldvorming rond zijn eigen prestatie. Daarnaast kan meer op abstract niveau gesteld worden dat indien de steward het belang van zijn principaal als hoogste stelt, hij daarmee dat belang dus tot het zijne maakt. Deze discussie is mijns inziens slechts een definitiekwestie van het begrip eigen belang, waarbij wij uitkomen bij de eeuwenoude vraag of er wel een handeling is die niet in het eigen belang is. Mandeville en zijn bijen wil ik hier echter laten rusten.
Ook het mensbeeld dat ten tonele wordt gevoerd binnen de stewardshiptheorie rust niet op empirische bevindingen, maar op aannames. Critici van de stewardshiptheorie benadrukken vaak de beperking die de theorie zichzelf oplegt door een vaste rangschikking van de voorkeuren van de bestuurder aan te nemen. De bestuurder waardeert pro-organisatorisch handelen immers altijd hoger dan het handelen in zijn eigen belang. De principaal-agenttheorie, zo stellen zij, is een robuustere theorie omdat deze theorie geen aanname doet met betrekking tot de inhoud of de rangschikking van de voorkeuren van mensen.1
Als men uitgaat van de bredere opvatting van de Homo economicus – de Homo utilis – dan hebben deze critici gelijk. In dat geval zou de stewardshiptheorie bij wijze van spreken opgenomen kunnen worden binnen de principaal-agenttheorie en is de stewardshiptheorie slechts een uitwerking van een bepaalde set voorkeuren waarbij de utiliteit van de agent vaststaat.2
Gaat men uit van de enge vorm van de Homo economicus – zoals men doet bij de toepassing van de principaal-agenttheorie – dan gaat men uit van de aanname dat de agent te allen tijde het handelen in zijn eigen belang (gedefinieerd naar zijn materieel te behalen voordeel) boven het handelen ten behoeve van andere belangen (waaronder immateriële voordelen) stelt. In dat geval bezondigen beide theorieën zich aan het opleggen van een min of meer vaste rangschikking van voorkeuren en aan het invullen van de utiliteit van de agent c.q. steward.3