Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/426
426 Geen sanctie, wel openbaarmaking
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS367871:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Overigens bestaat de verplichting ook op grond van art. 2:391 lid 2 BW, waarin de verplichting is opgenomen voor de vennootschap om in het bestuursverslag mededeling te doen van het beleid aangaande de bezoldiging van haar bestuurders en commissarissen en de wijze waarop dit beleid in het verslagjaar in de praktijk is gebracht. Hieronder valt eveneens de eventuele uitoefening van de bevoegdheden tot aanpassing en terugvordering van bonussen van bestuurders. De wet verplicht tot het doen van een mededeling. Dit betekent dat de vennootschap kan volstaan met het vermelden dat van de bevoegdheid is gebruikgemaakt en het bedrag dat is aangepast of teruggevorderd. Kamerstukken II, 2010/11, 32 512, nr. 6, p. 10.
In geval van een juridische fusie houdt de verdwijnende vennootschap op te bestaan. De evaluatiecommissie merkt op, dat daarmee ook de verplichting om over de afroming in de jaarrekening verslag te doen, tot een einde komt. Art. 2:383c lid 6 BW betreft geen vermogensrechtelijke verplichting die op de fuserende vennootschap overgaat, maar een op de verdwijnende vennootschap rustende wettelijke verplichting, die met de vennootschap ophoudt te bestaan. Huizink e.a. 2016, p. 51.
Eumedion pleitte hiervoor. Zie Huizink e.a. 2016, p. 43.
De wet bevatte geen specifieke sanctie om te bewerkstelligen dat art. 2:135 lid 7 (oud) BW ook daadwerkelijk werd toegepast. Wel was expliciet bepaald, dat over een eventuele toepassing verantwoording moest worden afgelegd. Conform art. 2:383c lid 6 BW is de vennootschap verplicht in de toelichting bij de jaarrekening opgave te doen van het bedrag van de aanpassing dan wel van de terugvordering van de bezoldiging als bedoeld in art. 2:135 lid 6 tot en met 8 BW.1 Daarbij is eveneens een taak voor de accountant weggelegd. De accountant dient immers na te gaan of de jaarrekening aan de door de wet gestelde voorschriften voldoet. Hieronder valt ook de toelichting op de jaarrekening, waaronder art. 2:383c lid 6 BW. Verder geschiedt de vaststelling van de jaarrekening door de algemene vergadering. Tijdens de algemene vergadering konden door de aandeelhouders dan ook vragen worden gesteld over de uitoefening van de verplichting die volgt uit art. 2:135 lid (oud) 7 BW. Het was vervolgens aan de (organen van de) vennootschap om te bepalen welke gevolgen aan het niet vaststellen of niet verrekenen werden verbonden.2
Opgemerkt dient te worden dat het publiekelijk afleggen van verantwoording over de toepassing van art. 2:135 lid 7 BW conform art. 2:383c lid 6 BW in de praktijk vaak uitbleef. De reden hiervoor was, dat pas verantwoording hoefde te worden afgelegd in het jaar waarin de afroming plaatsvond (dus bij verkoop van de aandelen door of aftreden van de bestuurder). In veel gevallen was de vennootschap vanwege de voltrekking van het corporate event dan echter niet meer verplicht een eigen jaarrekening (volledig) te publiceren of bestond de vennootschap niet meer.3 Als oplossing hiervoor werd gedacht aan de verplichting om meer standaardinformatie over de toepassing van de afroomregeling op te nemen in het biedingsbericht, het fusiedocument of in de communicatie van de vennootschap met aandeelhouders in geval van een 107a-besluit.4