Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/9.1
9.1 De sociale en economische relevantie
mr. J.E. van Nuland, datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254457:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bron: https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/81589NED/table?dl=3CFD5, laatst geraadpleegd 14 juli 2020. In totaal zijn er in het derde kwartaal van 2020 1.896.405 bedrijven geregistreerd, waarvan 430.175 door rechtspersonen wordt gevormd. Daarmee wordt 22,7% van de bedrijven door middel van een rechtspersonen geëxploiteerd.
Bron: https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/81588NED/table?dl=3CFD3, laatst geraadpleegd 14 juli 2020. In het derde kwartaal van 2020 telt het CBS 379.505 besloten vennootschappen op een totaal aantal rechtspersonen van 430.175 en een totaal aan bedrijven van 1.896.405.
Vgl. https://www.cbs.nl/nl-nl/achtergrond/2016/50/faillissementen-oorzaken-en-schulden-2015, laatst geraadpleegd 14 juli 2020, paragraaf 2.4.
Zie https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/02/21/wetsvoorstel-modernisering-personenvennootschappen, laatst geraadpleegd op 14 juli 2020, paragraaf 1 van de aldaar gepubliceerde memorie van toelichting bij het Ambtelijk Voorontwerp van het Wetsvoorstel Modernisering personenvennootschappen.
Zie o.a. paragraaf 2.3.
In relatie tot bestuurdersaansprakelijkheid zie hiervoor bijvoorbeeld M. Kroeze, Bange bestuurders, in: B.F. Assink e.a. (red.), De vele gezichten van Maarten Kroeze’s ‘bange bestuurders’ (IVOR nr. 104), Deventer: Wolters Kluwer 2017, paragraaf 3.
Kamerstukken II 2014/15, 34 253, nr. 3, p. 1 (MvT).
Kamerstukken II 2013/14, 33 994, nr. 3, p. 1-2 (MvT).
Kamerstukken II 2013/14, 34 011, nr. 3, p. 1-2 (MvT).
Kamerstukken II 2012/13, 29 911, nr. 74, p. 1 (brief van de minister van V&J van 26 november 2012).
Zie https://www.om.nl/onderwerpen/fraude/faillissementsfraude, laatst geraadpleegd 14 juli 2020; in 2013 werd dit geschat op een bedrag van 1,28 miljard euro per jaar, zie Kamerstukken II 2014/15, 33 994, nr. 6, p. 1-2 (NnavV).
Op een totaal van 1.896.405 bedrijven in Nederland wordt bijna een kwart daarvan geëxploiteerd door middel van een rechtspersoon.1 Met een ruime meerderheid van 88% bestaat deze groep rechtspersonen voor het overgrote deel uit besloten vennootschappen.2 Dat betekent dat ongeveer eenvijfde van de Nederlandse bedrijvigheid door middel van een besloten vennootschap wordt uitgeoefend. Voor zowel consumenten als bedrijven is daarom de kans groot dat zij in het dagelijks leven en in het handelsverkeer niet een natuurlijk persoon als wederpartij treffen, maar een rechtspersoon die veelal de rechtsvorm van een besloten vennootschap heeft. Werknemers zullen evenzeer vaak in dienst zijn van een rechtspersoon. Naar verwachting zal het gebruik van rechtspersonen en in het bijzonder de besloten vennootschap om ondernemingen te drijven toenemen, met name als gevolg van de flexibilisering van het BV-recht per 2012, in welk kader de regels voor het oprichten en exploiteren van een besloten vennootschap zijn vereenvoudigd.3 Daarnaast is ook te verwachten dat het gebruik van personenvennootschappen zal toenemen wanneer de de huidige, verouderde wettelijke regeling is hervormd en het ondernemen vanuit dergelijke rechtsvormen aantrekkelijker wordt, zoals het ambtelijk voorontwerp ter zake beoogt.4 Daarin behoudt de commanditaire vennoot zijn beperkte aansprakelijkheid, maar krijgt hij meer mogelijkheden om op de voorgrond te treden.
De deelname aan het rechtsverkeer door middel van rechtspersonen of onder de dekking van beperkte aansprakelijkheid brengt risico’s met zich voor schuldeisers van dergelijke entiteiten. Het voornaamste daarvan is gelegen in de omstandigheid dat de door een beperking van aansprakelijkheid geboden bescherming aan ondernemers ertoe kan leiden dat eerder of meer risico’s worden genomen dan het geval zou zijn geweest als de betreffende ondernemer en diens vermogen wel met aansprakelijkheid jegens schuldeisers van de onderneming werden bedreigd. De nadelige gevolgen van deze risico’s worden (deels) op de schuldeisers van de vennootschap afgewenteld.5 Wettelijke regelingen en rechtspraak over bestuurdersaansprakelijkheid en aandeelhoudersaansprakelijkheid zijn vrijwel steeds ingegeven door de gedachte dat de belangen van schuldeisers van de vennootschap moeten worden beschermd tegen een onevenredige afwenteling van dergelijke risico’s. Daarmee worden grenzen gesteld aan het gebruik van vennootschappen om zo misbruik en fraude te voorkomen. Door middel van het aansprakelijkheidsrecht kan enerzijds worden voorzien in de preventie van schadeveroorzakend handelen van gebruikers van vennootschappen en anderzijds in mogelijkheden om de daaruit voortvloeiende schade te compenseren.6
De sociale en maatschappelijke relevantie van de aanpak van schuldeisersbenadeling als gevolg van misbruik en frauduleus handelen is duidelijk terug te zien in recente wettelijke herzieningen, zoals de aanscherping van de fraudebestrijdende taak van de curator in faillissementen7, de herziening van de strafbaarstelling van faillissementsfraude8 en de invoering van het civielrechtelijk bestuursverbod9, waarin steeds ook aandacht is besteed aan de positie en aansprakelijkheid van de (feitelijk) bestuurders van rechtspersonen. De aanpak van fraude, waaronder ook de inzet van katvangers kan worden verstaan, en misbruik van rechtspersonen heeft voor de wetgever hoge prioriteit, onder meer omdat deze fenomenen het vertrouwen in het handelsverkeer ondermijnen en zorgen voor grote financiële schade bij benadeelde partijen.10 De hieruit voortvloeiende maatschappelijke schade wordt door het Openbaar Ministerie geschat op enkele honderden miljoenen euro’s tot meer dan een miljard euro.11
Met uitzondering van de indirecte doorbraak van aansprakelijkheid in concernverhoudingen houden de in dit onderzoek aan de orde gestelde thema’s direct verband met de bestrijding van misbruik van rechtspersonen en beperkte aansprakelijkheid. Echter, ook de aansprakelijkheid in concernverhoudingen deelt deze achtergrond, nu daarmee wordt beoogd het bestuurlijk handelen van moedervennootschappen van een evenredige mate van verantwoordelijkheid te voorzien. Door een verdieping aan te brengen binnen deze thema’s en aanknopingspunten te onderscheiden voor het gebruik van de besproken (wettelijke) regelingen, wordt een bijdrage geleverd aan de bestrijding van fraude en misbruik van rechtspersonen, alsook (indirect) de daaruit voortvloeiende maatschappelijke en economische schade. De resultaten van het onderzoek bieden steun aan de verduidelijking van de begrippenkaders die relevant zijn bij het beoordelen van aansprakelijkheid voor beleidsbepaling en voorzien in een overzicht van de daarvoor relevante wettelijke bepalingen en rechtspraak. Daarmee kan de effectiviteit van dit specifieke deel van het aansprakelijkheidsrecht worden vergroot.