Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.7.3.2
7.3.7.3.2 Bewijsaanbod: vereisten, passeren en tardief verklaren
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940424:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 maart 1980, BNB 1980/114. Zie voorts Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 128 en Feteris 2007, p. 437. Zie ook hiervoor in paragraaf 7.3.7.3.1 onder ‘Goede procesorde’.
Zie hierover nader: Hamer 2000, p. 8 e.v., alsmede Pechler 2009, par. 3.4.4.
Vgl. de zaak die heeft geleid tot HR 9 juni 2023, V-N 2023/29.24.7 (art. 81 Wet RO).
HR 24 maart 1999, BNB 1999/218. Vgl. ook HR 10 oktober 2014, BNB 2014/253, V-N 2014/54.7.
Feteris 2007, p. 438. Aan een aanbod tot het leveren van getuigenbewijs kan echter niet de voorwaarde worden verbonden dat de rechter de getuigen ook daadwerkelijk zal horen, zie HR 24 mei 2019, V-N 2019/26.21, r.o. 2.3.4.
HR 3 februari 2023, V-N 2023/8.14, HR 24 mei 2019, V-N 2019/26.21, r.o. 2.3.2, HR 11 januari 2019, V-N 2019/4.22, HR 23 mei 2014, V-N 2014/27.11, BNB 2014/154. Zie ook HR 14 oktober 2022, V-N 2022/45.21. Uit het bieden van de gelegenheid kan de belastingplichtige niet concluderen dat de rechter de betreffende voorwaarde vervuld acht, zie HR 17 december 2004, BNB 2005/152, V-N 2004/67.11.
Zie HR 11 januari 2019, V-N 2019/4.22, HR 10 april 2015, V-N 2015/19.7, HR 10 april 2015, V-N 2015/19.8, HR 19 september 2014, V-N 2014/47.21 en HR 29 juni 2012, V-N 2012/35.9, BNB 2012/254.
Vgl. Pechler 2009, p. 151.
Zie Langereis & De Roos 2010, p. 222-223.
HR 6 juli 1994, BNB 1994/258, HR 24 maart 1999, BNB 1999/218.
HR 5 oktober 2018, V-N 2018/53.20, BNB 2018/207, r.o. 2.3.2, HR 16 december 2016, V-N 2016/67.7, HR 16 december 2016, V-N 2016/67.20.2, BNB 2017/56 (de verwijzingsuitspraak is Hof Amsterdam 8 februari 2018, V-N 2018/31.30.13). Aldus ook reeds: Haas & Jansen 2015.
HR 16 december 2016, V-N 2016/67.7, r.o. 2.4.1-2.4.2.
In de bepalingen uit de Awb worden getuigen en deskundigen doorgaans in één adem genoemd.
HR 23 maart 1988, BNB 1988/274, HR 4 januari 1989, BNB 1989/60, HR 12 november 1997, BNB 1997/410, HR 3 mei 2002, NTFR 2002/710, HR 29 mei 2009, BNB 2009/173. Zie voorts Happé e.a. 2010, p. 404 en Pechler 2009, p. 149-150.
HR 12 juli 2002, BNB 2002/364.
Zie HR 23 december 1992, BNB 1993/72. De Hoge Raad motiveerde de cassatie met het argument dat het aangeboden (gepasseerde) getuigenbewijs tot een vermoeden zou kunnen leiden.
Zie in dit verband EHRM 15 maart 2016 (Gillissen), nr. 39966/09, AB 2016/132, waaruit kan worden afgeleid dat het ambtshalve oproepen van een getuige noodzakelijk kan zijn als de getuigenis van doorslaggevende betekenis zou kunnen zijn voor de beslechting van het geschil, alsmede (voor het strafrecht) HR 4 juli 2017 (strafkamer), NJ 2017/447. Uit HR 24 mei 2019, V-N 2019/26.21, r.o. 2.3.2 kan worden afgeleid dat de Hoge Raad de rechtsregels uit het arrest Gillissen ook in fiscalibus toepast, niet alleen in boetezaken waarvoor art. 6 EVRM geldt, maar ook in de sfeer van de heffing. Zie voor een voorbeeld van een gemotiveerde afwijzing voorts Rb Zeeland-West-Brabant 16 juli 2019, V-N 2020/5.11, r.o. 4.2.
HR 13 maart 2009, V-N 2009/13.25, BNB 2010/4, HR 23 mei 2014, V-N 2014/27.11, BNB 2014/154, r.o. 3.3.4-3.3.5, HR 5 oktober 2018, V-N 2018/53.20, BNB 2018/207, r.o. 2.3.2, HR 24 mei 2019, V-N 2019/26.21, r.o. 2.3.2. Zie omtrent het ‘zinvol’-criterium HR 13 november 2015, V-N 2015/59.6, BNB 2016/42, r.o. 3.3.1-3.3.3. Vgl. ook de situatie die aan de orde was in HR 16 december 2016, V-N 2016/67.7.
HR 25 september 2015, V-N 2015/48.5, HR 31 maart 2017, V-N 2017/20.17.
HR 5 oktober 2018, V-N 2018/53.20, BNB 2018/207, r.o. 2.3.2.
HR 24 mei 2019, V-N 2019/26.21, r.o. 2.3.3, HR 23 mei 2014, V-N 2014/27.11, BNB 2014/154, r.o. 3.3.4-3.3.5. Argumenten die erop neer komen dat een oproep van de rechtbank of het Hof meer gewicht in de schaal zou leggen, of dat een ambtshalve oproep goedkoper zou zijn voor de betreffende partij, zijn dan ook vruchteloos.
HR 15 november 2019, V-N 2019/55.20, BNB 2020/15.
HR 15 november 2019, V-N 2019/55.20, BNB 2020/15, r.o. 2.4.2. Dit criterium geldt ook in het kader van de bevoegdheid van de rechter om (al dan niet op verzoek van een procespartij) op grond van art. 8:45 Awb inlichtingen te vragen, zie HR 7 juli 2023, V-N 2023/32.14, BNB 2023/124, r.o. 4.2.1-4.2.2.
HR 15 november 2019, V-N 2019/55.20, BNB 2020/15, r.o. 2.4.3.
HR 15 november 2019, V-N 2019/55.20, BNB 2020/15, r.o. 2.4.4. Zoals de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening in V-N 2019/55.20 terecht opmerkt, is dit oordeel nieuw.
HR 15 november 2019, V-N 2019/55.20, BNB 2020/15, r.o. 2.4.4.
HR 24 november 2017, V-N 2017/58.5, BNB 2018/18.
Zie ook Rb Zeeland-West-Brabant 2 maart 2020 (geheimhoudingskamer), V-N 2020/20.15 en Hof Arnhem-Leeuwarden 26 mei 2020, V-N 2020/41.15, r.o. 4.7-4.9.
Hof ’s-Hertogenbosch 20 februari 2018, V-N 2018/12.3, r.o. 4.11 (deze uitspraak hield in cassatie echter – om andere redenen – geen stand, zie HR 8 november 2019, V-N 2019/54.26, BNB 2020/41), Hof ’s-Hertogenbosch 23 november 2018 (geheimhoudingskamer), V-N 2018/67.18, r.o. 3.32. Vgl. voor een geval waarin een dergelijke vrees wél objectief gerechtvaardigd was Hof Arnhem-Leeuwarden 7 maart 2023 (geheimhoudingskamer), V-N 2023/29.17.
HR 24 november 2017, V-N 2017/58.5, BNB 2018/18. In wezen heeft de Hoge Raad dit vraagstuk daarmee op het bordje van de wetgever gelegd. Hof ’s-Hertogenbosch 23 november 2018 (geheimhoudingskamer), V-N 2018/67.18, leidt uit het arrest stellig af dat dit niet mogelijk is (r.o. 3.32 en 3.34).
Zie HR 12 september 2014, V-N 2014/50.4.
HR 15 september 2017, V-N 2017/44.6, BNB 2017/201 (de enkele omstandigheid dat een belastingplichtige in de gelegenheid is geweest om het bewijs voor de rechtbank te leveren, is onvoldoende om hem die mogelijkheid in hoger beroep te onthouden).
Zie HR 27 maart 1985, BNB 1990/190, alsmede Langereis & De Roos 2006, p. 195 en de Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws bij HR 15 september 2017, V-N 2017/44.6.
HR 9 mei 2008, BNB 2008/182. Het verloop van het processuele debat is daarbij relevant, zie HR 29 juni 2012, V-N 2012/35.9, BNB 2012/254, r.o. 3.3.5-3.3.6.
HR 15 juni 2012, V-N 2012/31.8, BNB 2012/240, r.o. 3.3.2, HR 29 juni 2012, V-N 2012/35.9, BNB 2012/254, r.o. 3.3.4, HR 18 maart 2016, V-N 2016/18.13, BNB 2016/127. Zie voor verdere (feitelijke) jurisprudentie omtrent de relevante afweging de Conclusie van de A-G voor laatstgenoemd arrest, alsmede de Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws bij Rb Oost-Brabant 28 september 2018, V-N 2019/3.21. Ook in bredere zin moet steeds een vergelijkbare belangenafweging worden gemaakt, bijvoorbeeld als het gaat om de beslissing om de behandeling ter zitting uit te stellen omdat een partij vertraagd is en dus niet op tijd kan zijn, zie HR 24 april 2009, BNB 2009/157.
HR 15 september 2017, V-N 2017/44.6, BNB 2017/201. Zie voor de uiteindelijke afloop in de tweede cassatieronde HR 11 oktober 2019, V-N 2019/49.21, waaruit volgt dat het verwijzingshof de vereiste belangenafweging (wel) had gemaakt. Zie voor een deugdelijk gemotiveerde beslissing om een bewijsaanbod te passeren voorts Hof Amsterdam 28 februari 2013, V-N 2013/24.2.3, ook kenbaar uit HR 13 juni 2014, V-N 2014/35.7 (art. 81 Wet RO).
Hoofdzakelijk ontleend aan het Commentaar van Jansen bij Hof Amsterdam 3 maart 2011, NTFR 2011/1020 en, voor wat betreft getuigenbewijs, aan de Conclusie van A-G IJzerman van 13 september 2016, V-N 2016/53.9 (par. 5.7) bij het arrest HR 16 december 2016, V-N 2016/67.7.
Zie voor een voorbeeld r.o. 4.7 van de Hofuitspraak die heeft geleid tot HR 28 oktober 2016, V-N 2016/55.7 (het overleggen van loonstroken zegt niets over de daadwerkelijke uitbetaling). Zie voorts HR 10 februari 2017, V-N 2017/9.6, BNB 2017/93, r.o. 2.3.5.
Voor een voorbeeld zie Hof Amsterdam 18 mei 2005, V-N 2005/38.3, alsmede Rb ’s-Gravenhage 30 november 2012, V-N 2013/8.9, r.o. 26.
Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 128, alsmede de aldaar genoemde jurisprudentieverwijzingen (noten 409-410). Zie ook Feteris 2007, p. 437. Zie voor enkele recente voorbeelden: HR 21 december 2018, V-N 2019/4.27.4 (art. 80a Wet RO), Hof Arnhem-Leeuwarden 18 maart 2014, V-N 2014/36.26, Hof ’s-Hertogenbosch 28 mei 2015, V-N 2015/41.16, Hof Den Haag 2 mei 2017, V-N 2017/37.15, r.o. 7.6.5 en r.o. 7.8.4.3.
Een procespartij kan ten overstaan van de rechter aanbieden om (nader) bewijs van een bepaald feit of van een bepaalde omstandigheid te leveren. Dat ‘aanbieden’ betekent niets meer dan dat de betreffende procespartij verklaart dat zij bepaalde bewijsmiddelen (bijvoorbeeld een getuigenverklaring of een overeenkomst) zou kunnen inbrengen. In verband met de vrije bewijsleer zal een dergelijk bewijsaanbod niet snel kunnen worden gepasseerd, mits het voldoende concreet is.1 Een bewijsaanbod2 moet in ieder geval inhouden welke feiten en omstandigheden zullen kunnen worden bewezen (bij getuigenbewijs moet dus worden vermeld op welke stellingen het getuigenbewijs betrekking heeft en welke getuige daarover kan verklaren3).4 Een bewijsaanbod van een procespartij kan onder een voorwaarde worden gedaan, bijvoorbeeld de voorwaarde dat de bewijslast inderdaad op de betreffende partij rust, of de voorwaarde dat dat de rechter het tot dan toe reeds geleverde bewijs onvoldoende overtuigend vindt.5 De rechter hoeft ook dan niet meer te doen dan het bieden van de gelegenheid tot het leveren van het aangeboden bewijs.6 Dat moet in ieder geval uitdrukkelijk gebeuren wanneer er ter zitting nieuw licht valt op de noodzaak tot het leveren van bewijs.7 De rechter dient zich er steeds van te vergewissen, dat er voldoende gelegenheid is geweest om het aanbod gestand te doen, voordat hij het passeert omdat de geboden gelegenheid niet te baat is genomen.8
Uit oudere rechtspraak komt het beeld naar voren dat de rechter een te vaag of te weinig gespecificeerd (getuigen)bewijsaanbod zou kunnen passeren.9 Daar dient de rechter echter wel voorzichtig mee te zijn: vereist is slechts dat de concrete feiten of omstandigheden die bewezen gaan worden, worden benoemd.10 De specificatie-eis houdt bij getuigenbewijs dus in dat de betreffende partij vooraf aangeeft wie over welke stellingen zal gaan verklaren, maar niet wat de getuige daaromtrent zal gaan verklaren.11 Voordat de rechter de conclusie trekt dat het aanbod te vaag is, zal hij de betreffende partij bovendien in de gelegenheid moeten stellen om het aanbod te preciseren, tenzij op voorhand duidelijk is waarop het aanbod ziet.12
Slechts indien de rechter van oordeel is dat het horen van een getuige of deskundige13 redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan een dergelijk bewijsaanbod worden gepasseerd (het ‘redelijkerwijs’-criterium).14 Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het buiten iedere twijfel moet zijn dat het horen overbodig is.15 Eigen inschattingen vooraf over de geloofwaardigheid of prognoses over de inhoud van de betreffende verklaring, kunnen voor de rechter geen grond zijn om het aanbod te passeren.16 Hetzelfde geldt wanneer de rechter de stellingen van de wederpartij reeds aannemelijk acht: het te leveren (getuigen)bewijs kan die aannemelijkheid nu juist wegnemen.17 Het voorgaande geldt ook als het (getuigen)aanbod ‘slechts’ ziet op indirect bewijs.18
Wel kan de rechter een verzoek van een partij om ambtshalve getuigen op te roepen naast zich neerleggen, wanneer hij meent dat dit voor de op hem rustende taak niet noodzakelijk is19 of wanneer hem zulks in dat kader niet zinvol voorkomt (het ‘zinvol’-criterium).20 De rechter dient in de uitspraak gemotiveerd te beslissen op (de afwijzing van) een dergelijk verzoek,21 welk verzoek overigens evenzeer voldoende concreet gemotiveerd dient te zijn (en dus moet behelzen welke getuige over welke stelling kan verklaren).22 Het voorgaande geldt temeer, wanneer de betreffende partij in de gelegenheid is geweest om de getuigen zelf mee te brengen of op te roepen.23
De Hoge Raad heeft de hiervoor beschreven richtlijnen uit zijn eerdere jurisprudentie verduidelijkt in een overzichtsarrest uit 2019.24 Daarbij heeft de Hoge Raad aangegeven dat onderscheid moet worden gemaakt tussen gevallen waarin ter discussie staat of de rechter (al dan niet op verzoek van een partij) ambtshalve getuigen moet oproepen en gevallen waarin het gaat om door een partij meegebrachte of opgeroepen getuigen. In de eerstgenoemde gevallen heeft de rechter een grote vrijheid om al dan niet van zijn bevoegdheid gebruik te maken en geldt het hiervoor genoemde ‘zinvol’-criterium.25 In de laatstgenoemde gevallen moet een tweede onderscheid worden gemaakt. Als de getuigen door een partij zijn meegebracht of gehoor hebben gegeven aan de oproeping van een partij (en dus zijn verschenen), moet de rechter hen in beginsel horen, waarbij het hiervoor genoemde ‘redelijkerwijs’-criterium geldt. Indien de rechter van oordeel is dat niet voldaan is aan het ‘redelijkerwijs’-criterium, moet hij dat oordeel gemotiveerd in de uitspraak opnemen.26 Als de door een partij opgeroepen getuigen niet zijn verschenen, kan de betreffende partij de rechter verzoeken om hen op te roepen. Bij de beoordeling van dat verzoek mag de rechter meewegen of de verzoekende partij voldoende moeite heeft gedaan om de getuigen mee te brengen of zelf – overeenkomstig de wettelijke vereisten27 – op te roepen. Als dat het geval is, geldt opnieuw het ‘redelijkerwijs’-criterium en de bijbehorende motiveringseis.28
In het overzichtsarrest is de Hoge Raad ook nader ingegaan op de inhoud van het ‘redelijkerwijs’-criterium in de laatstbedoelde gevallen waarin een partij de rechter verzoekt om een wel behoorlijk door die partij opgeroepen, maar niet ter zitting verschenen getuige op te roepen. De rechter mag oordelen dat het horen redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak als het verzoek geen betrekking heeft op feiten die in geschil zijn en tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. Verder kan het verzoek worden afgewezen als het betrekking heeft op het horen van personen die in een eerdere (feitelijke) instantie al als getuigen zijn gehoord of van wie zich schriftelijke verklaringen in de gedingstukken bevinden, terwijl in het verzoek niet nader is aangegeven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij eerder al hebben gedaan.29
Een andere reden waarom de rechter een verzoek om ambtshalve getuigen op te roepen, kan passeren, is aan de orde als het gaat om anonieme getuigen.30 Volgens de Hoge Raad moeten er voor het horen van een anonieme getuige namelijk zeer zwaarwegende gronden bestaan (in de sfeer van de gezondheid of veiligheid van de getuige of van andere personen). Daarvan zal niet snel sprake zijn.31 De subjectieve vrees van een tipgever voor bedreiging en represailles levert (zonder concrete onderbouwing) in ieder geval niet dergelijke zwaarwegende gronden op.32 Bovendien heeft de Hoge Raad zijn twijfel uitgesproken over het antwoord op de vraag of het horen van anonieme getuigen in belastingzaken in het huidige stelsel – zonder wetswijziging – wel mogelijk is.33
Wanneer de rechter bewijs buiten beschouwing laat met een beroep op de goede procesorde, is dat de uitzondering op de regel: een dergelijk oordeel moet dan ook goed gemotiveerd zijn.34 Het enkele feit dat het bewijs reeds in een eerder stadium (bijvoorbeeld in bezwaar) had kunnen worden geleverd, is onvoldoende om het aanbod als ‘tardief’ (dat is: uit oogpunt van proceseconomie te laat gedaan) te passeren.35 Dat geldt ook als het aanbod pas aan het slot van de zitting gedaan:36 er kunnen immers gegronde redenen zijn waarom pas later tot het leveren van bewijs wordt besloten.37 Er moet een belangenafweging plaatsvinden tussen het belang dat de betreffende partij heeft bij het alsnog overleggen van de stukken (en de reden waarom dat niet eerder is gedaan) enerzijds en het algemene belang van een doelmatige procesgang anderzijds.38 Dat die belangenafweging heeft plaatsgevonden, moet kenbaar zijn uit de uitspraak.39
Samengevat kan de rechter een bewijsaanbod slechts passeren in de volgende gevallen:40
Er is desgevraagd geen of onvoldoende opheldering gegeven met betrekking tot een onduidelijk bewijsaanbod (er is niet aangegeven op welke feiten en omstandigheden het aanbod betrekking heeft);
Het aangeboden bewijs kan de rechter niet tot een ander oordeel leiden, omdat de ten bewijze aangeboden feiten geen invloed kunnen hebben op de te nemen beslissing (de stelling waarop de feiten betrekking hebben is niet van belang voor de te nemen beslissing, of de feiten zijn als zodanig niet in geschil). Het staat dan bij voorbaat vast dat het bewijsaanbod de aanbieder niet kan baten.41
De te bewijzen feiten kunnen wel relevant zijn, maar het bewijsaanbod heeft betrekking op bewijs van door die partij gestelde feiten die de rechter reeds op andere gronden aannemelijk acht, of op bewijs van niet betwiste (en dus vaststaande) feiten;42
Het bewijsaanbod is (uit oogpunt van proceseconomie) te laat gedaan. Er zijn geen goede redenen waarom de aangeboden bewijsmiddelen niet eerder in het geding konden worden gebracht, waardoor honorering in strijd zou komen met de goede procesorde. Bij deze laatste grond is het aanbod in zuivere vorm tardief.43