Inhoudsopgave
Vp-bulletin 2026/2:Dividendbeleid in het familiebedrijf: balanceren tussen onderneming en familie
Vp-bulletin 2026/2
Dividendbeleid in het familiebedrijf: balanceren tussen onderneming en familie
Documentgegevens:
Mr. drs. C.C.C. de Nooijer, datum 04-02-2026
- Datum
04-02-2026
- Auteur
Mr. drs. C.C.C. de Nooijer1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD44684:1
- Vakgebied(en)
Financiële dienstverlening (V)
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Loonbelasting / Loon
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
- Wetingang
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Mr. drs. C.C.C. de Nooijer, partner bij Arguam – Family Business Development.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dividend kan spanningen veroorzaken tussen twee doelen: bedrijfscontinuïteit en familiecontinuïteit. Het eerste doel betekent zo min mogelijk dividend uitkeren om te kunnen investeren en innoveren in de onderneming. Het tweede doel betekent meer uitkeren om het familievermogen te kunnen diversifiëren en daarmee voor de familie toekomstbestendig te maken. Dit artikel behandelt juridische, fiscale en governance-kaders waarbinnen beslissingen worden genomen over het dividendbeleid en biedt concrete handvatten voor adviseurs.
1. Inleiding
De jaarlijkse discussie over winstbestemming is in een goed aantal familiebedrijven een terugkerend moment waarbij de spanningen oplopen. Hoeveel winst blijft in de onderneming voor groei en innovatie? Hoeveel winst wordt uitgekeerd aan de familie? Deze vragen raken niet alleen de verhouding tussen eigen en vermogen op de balans, maar ook de verhoudingen binnen de familie, tussen de generaties, en tussen actieve en passieve aandeelhouders.
Een actief en duidelijk dividendbeleid voorkomt dat de jaarlijkse winstbestemming leidt tot discussies. Het creëert voorspelbaarheid, voor de onderneming én voor de familie. Tegelijkertijd moet voorspelbaarheid niet leiden tot rigiditeit. Onderneming en familie moeten kunnen blijven inspelen op de steeds wisselende omstandigheden in de markt en in de huidige, zeer dynamische wereld.
Dit artikel verkent hoe adviseurs (en families zelf) een evenwichtig en voorspelbaar dividendbeleid kunnen vormgeven. Achtereenvolgens worden hieronder de spanningsvelden in familiebedrijven, de governance-aspecten van dividendbeleid, de fiscale en civielrechtelijke kaders, en de inbedding in de bredere familievermogensstrategie behandeld. Het artikel sluit af met een conclusie gevolgd door een voorbeeld van een dividendbeleid voor toepassing in de praktijk.
Figuur 1
2. Dividendbeleid: meer dan een financieel beleid alleen
2.1 De unieke positie van het familiebedrijf
Bij beursgenoteerde ondernemingen sturen (professionele) aandeelhouders het dividendbeleid op basis van rendementsoverwegingen en marktsentiment. Bij familiebedrijven liggen de verhoudingen anders. Aandeelhouders zijn vaak familieleden, en kunnen sterk uiteenlopende belangen en verwachtingen hebben. De één werkt bijvoorbeeld fulltime in het bedrijf en wil herinvesteren voor groei. En de ander heeft geen operationele rol en is afhankelijk van dividend voor de financiering van de eigen levensstandaard.
Deze verwevenheid, en soms zelfs tegenstrijdigheid, van zakelijke en familiebelangen maakt dividendbeleid binnen het familiebedrijf complex. Een te royale uitkering kan de financiële buffer en het innovatievermogen van het bedrijf uithollen. Een te krappe uitkering frustreert niet-actieve aandeelhouders en kan leiden tot conflicten. Waarbij overigens ook nog te overwegen is dat een royale uitkering juist de keuzes binnen de onderneming door “schaarste” versterkt. Het vinden van de juiste balans vraagt in ieder geval om actieve afspraken die recht doen aan alle belangen van alle verschillende stakeholders.
2.2 Belangrijkste spanningsvelden
In de praktijk zijn de volgende spanningsvelden te onderkennen:
2.2.1 Actieve versus passieve aandeelhouders
Actieve aandeelhouders hebben doorgaans een langetermijnperspectief en geven de voorkeur aan herinvesteren in de onderneming en waardecreatie binnen de onderneming. Passieve aandeelhouders zijn vaak meer gericht op inkomensmaximalisatie en diversificatie van hun vermogen.
2.2.2 Groeiambities versus inkomensbehoefte
Een snelgroeiend bedrijf vraagt kapitaal voor bijvoorbeeld acquisities of innovatie. Tegelijkertijd kan de uittredende generatie na pensionering afhankelijk zijn van dividend uit de onderneming, zeker als het salaris als DGA wegvalt.
2.2.3 Concentratie versus diversificatie
Veel familievermogen zit geconcentreerd in het eigen bedrijf. Structurele dividenduitkeringen stellen de familie in staat buiten de onderneming te beleggen en het risico voor de familie te spreiden. Maar dat kan wel het groeipotentieel van het bedrijf (het grootste vermogensbestandsdeel) verminderen.
Een actief dividendbeleid maakt deze afwegingen vooraf helder en bespreekbaar, en voorkomt escalatie.
3. Governance: vormgeving van een actief dividendbeleid
3.1 Waarom formaliseren?
Veel familiebedrijven beslissen ad hoc over een dividenduitkering, afhankelijk van de winst, de liquiditeitspositie en de onderlinge verhoudingen op dat moment. Dit leidt tot onvoorspelbaarheid en kan spanningen versterken. Een actief dividendbeleid biedt structuur, en voorkomt misverstanden en schending van verwachtingen.
Een actief dividendbeleid, met duidelijke kaders, wordt bij voorkeur vastgelegd in een familiestatuut en/of een aandeelhoudersovereenkomst, zodat alle betrokkenen weten waar zij aan toe zijn.
Vastlegging van het dividendbeleid in het familiestatuut heeft een andere functie dan juridische verankering in statuten of een aandeelhoudersovereenkomst. Het familiestatuut fungeert als normatief kader: geen afdwingbaar recht, maar een richtinggevend kompas.
Toch blijkt verankering in het familiestatuut in de praktijk behoorlijk effectief. Door het dividendbeleid expliciet te verbinden aan familiewaarden, continuïteit en onderlinge verhoudingen, ontstaat een morele binding en voorspelbaarheid zonder juridisering van familierelaties.
Een andere optie, in meer geformaliseerde familiebedrijven, is om het dividend expliciet te koppelen aan de investeringscyclus en de periodieke evaluatie van het risicoprofiel van zowel familie als bedrijf. Dit creëert een helder kader waarbinnen beslissingen kunnen worden genomen.
3.2 Bouwstenen van het beleid
Een praktisch hanteerbaar dividendbeleid bevat de volgende elementen:
3.2.1 Kwalitatieve doelstelling
Het beleid verwoordt de balans tussen bedrijfscontinuïteit en familiecontinuïteit. Bijvoorbeeld: “De continuïteit van het bedrijf gaat voor op maximale uitkering, maar de familie ontvangt een marktconform rendement op het geïnvesteerde kapitaal.” Deze formulering geeft richting aan concrete beslissingen en creëert een duidelijk beslissingskader.
3.2.2 Kwantitatieve parameters
Concrete, kwantitatieve richtlijnen maken het beleid werkbaar. Hieronder een aantal voorbeelden:
Payout-ratio: “De doelstelling van het bedrijf is om 25–40% van de jaarwinst na belasting uit te keren”.
Minimale solvabiliteit: “Het bedrijf keert geen dividend uit als de solvabiliteit onder de 40% komt”.
Liquiditeitsratio: “De liquiditeitsratio bedraagt minimaal 1,5 voordat er over een eventuele winstuitkering besloten kan worden”.
Reserveringsregels: “Van de jaarwinst wordt in alle gevallen eerst € X gereserveerd voor de noodzakelijke investeringen in innovatie”.
3.2.3 Uitzonderingssituaties
Het beleid beschrijft hoe wordt omgegaan met tegenvallende resultaten of grote investeringen. Mag dividend dan tijdelijk worden verlaagd of zelfs in een jaar worden overgeslagen? Wie besluit daarover? Om wat voor een soort gevallen gaat het dan? Maar ook wanneer wordt het dividend dan weer hervat en wat zijn de voorwaarden daarvoor?
3.2.4 Periodieke evaluatie
Het is daarbij aan te raden om ook het mechanisme van evaluatie van het dividendbeleid te beschrijven. Een algemene stelregel is sowieso eens per vijf jaar evalueren, of eerder bij belangrijke gebeurtenissen zoals bij opvolging of grote strategische stappen.
3.3 Rol bestuursorganen
Een effectief dividendbeleid is niet uitsluitend een financieel instrument, maar ook een governance-instrument. In familiebedrijven waar een familieraad, aandeelhoudersvergadering en/of raad van commissarissen (RvC)/raad van advies (RvA) actief is, verdient het aanbeveling het dividendbeleid expliciet binnen deze gremia te beleggen.
De familieraad kan fungeren als platform voor het ophalen en bespreken van verwachtingen binnen de familie, terwijl de aandeelhoudersvergadering, de RvC en de RvA toezien op de consistentie met strategie, het risicoprofiel en de financiële draagkracht. Deze rolverdeling voorkomt tevens dat dividendbeslissingen verworden tot jaarlijkse onderhandelingen.
Figuur 2
3.4 Rol van de adviseur
Hoewel een adviseur niet typisch onder de governance van een familiebedrijf of familievermogen wordt gebracht, kan een adviseur een hele belangrijke actor zijn met veel invloed op governancebeslissingen. De adviseur kan, bijvoorbeeld, een belangrijke rol spelen door met scenario’s en rekenvoorbeelden de effecten van een dividendbeleid inzichtelijk te maken voor een familie. En dan gaat het met name om de discussie te faciliteren binnen de familie en tussen familie en onderneming. Daarnaast kan een adviseur, bijvoorbeeld, ondersteunen door als “neutrale partij” uit te vinden wat de onderliggende wensen van de familie en een onderneming (of investering) zijn op het gebied van het dividendbeleid.
Praktische adviezen:
Onderzoek wat de liquiditeitsbehoefte van de familie of familieleden is, en wanneer die liquiditeit beschikbaar moet zijn.
Bepaal wat er gebeurt met de liquiditeit van de onderneming als de payout-ratio 30% is versus 50%. En wat zijn de gevolgen daarvan?
Zoek uit hoeveel dividend de familie kan ontvangen zonder de kredietwaardigheid van de onderneming te schaden.
Tabel 1 – Bouwstenen van een actief dividendbeleid
Bouwsteen
Inhoud
Praktische vraag voor adviseur
Doelstelling
Balans tussen continuïteit en rendement
Wat is leidend bij conflicten?
Payout-ratio
Percentage van de winst
Is dit vol te houden bij groei (of krimp)?
Financiële drempels
Solvabiliteit en liquiditeit
Wanneer mag niet worden uitgekeerd?
Governance
Wie besluit en wie toetst?
Is de rolverdeling duidelijk vastgelegd?
Uitzonderingen
Investeringen, crises
Wie beoordeelt afwijkingen?
Evaluatie
Periodieke herijking
Sluit beleid nog aan bij de strategie?
4. Fiscale implicaties bij dividenduitkeringen
4.1 Box 2: timing en spreiding
Voor directeur-grootaandeelhouders (DGA’s) speelt het box 2-tarief een cruciale rol bij dividend. Sinds 2024 geldt een tweeschijventarief: 24,5% tot € 67 804 (peiljaar 2025) en 31% daarboven. Spreiding van dividenduitkeringen over meerdere jaren kan fiscaal aantrekkelijk zijn, omdat hierdoor de lage schijf meermalen wordt benut.
Tegelijk moet de vennootschap voldoende kapitaal behouden voor investeringen en om de wettelijke uitkeringstoets (art. 2:216 BW) te doorstaan. Het is dus balanceren: niet te veel ineens uitkeren om fiscale redenen, maar ook niet te weinig om vermogensopbouw buiten de onderneming mogelijk te maken.
Praktische adviezen:
Toets of de dividendwens van de individuele familieleden aansluit bij de box 2-schijven.
Anticipeer op aangekondigde tariefwijzigingen: soms loont het dividend naar voren te halen.
Leg expliciet vast hoe het beleid omgaat met eenmalige, grote uitkeringen, bijvoorbeeld voor herstructurering of aankoop van – bijvoorbeeld – een eigen woning.
4.2 Samenhang met de BOR
Bij familiebedrijven waar de bedrijfsopvolging wordt voorbereid, dient het dividendbeleid expliciet te worden bezien in samenhang met de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR). Dient het vermogen juist wel of juist niet in de onderneming te blijven rondom toepassing van de BOR? Dit vergt een integrale benadering, waarbij dividendbeleid, opvolgingsstructuur en vermogensplanning op elkaar worden afgestemd.
Daarbij kan het, bijvoorbeeld, ook van belang zijn om tijdig te toetsen of dividenduitkeringen de samenstelling van het ondernemingsvermogen niet aantasten en of voldoende liquiditeit resteert voor eventuele uitkoop van familieleden bij of na opvolging.
4.3 Verhouding loon en dividend voor de DGA
De gebruikelijkloonregeling (art. 12a Wet LB 1964) dwingt tot een minimumsalaris voor de DGA. Binnen dat kader kan de mix tussen loon (box 1) en dividend (box 2) worden geoptimaliseerd. Waarbij loon aftrekbaar is in de BV (19% of 25,8% vennootschapsbelasting), maar belast in box 1 (progressief tot 49,5%). En dividend eerst belast is bij de BV (19% of 25,8%), en daarna in box 2 (24,5% of 31%).
De gecombineerde heffing verschilt per situatie. Bij een lage winst en een DGA met veel aftrekposten in box 1 (bijvoorbeeld hypotheekrenteaftrek) kan een hoger salaris aantrekkelijk zijn. Bij een winstgevende BV en een DGA met weinig aftrekposten kan dividend fiscaal gunstiger uitpakken. Maar denk daarbij ook aan het langetermijneffect en de gevolgen van vermogensopbouw in box 3 voor de individuele familieleden.
Figuur 3
Praktische adviezen:
Toets jaarlijks of het loon nog verdedigbaar is gelet op functie, branche en winstontwikkeling.
Simuleer de gecombineerde heffing bij verschillende uitkeringsniveaus.
Koppel de gekozen mix aan het dividendbeleid, zodat helder is welk deel van de winst structureel in de BV blijft.
4.4 Lenen uit de BV
Naast loon en dividend kiezen DGA’s regelmatig voor financiering vanuit de eigen onderneming via de rekening-courant of leningen. Sinds de invoering van de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap is deze route echter nadrukkelijk begrensd.
In vergelijking met lenen biedt dividend overigens meer fiscale duidelijkheid en transparantie in de governance. Dividend leidt wel tot directe belastingheffing, maar voorkomt ook discussies over zakelijkheid, aflossingsschema’s en rente, en eventuele fiscale claims die daardoor kunnen ontstaan.
Vanuit governanceperspectief past het in ieder geval om de structurele inkomensbehoefte primair via loon en dividend te regelen, en leningen te beperken tot uitzonderlijke situaties. De fiscale consequenties van bepaalde keuzes hebben in de praktijk natuurlijk een grote invloed op hoe de structurele inkomensbehoefte uiteindelijk wordt ingericht.
4.5 Box 3 en schenk- en erfbelasting
Dividendbeleid raakt niet alleen de belastingheffing in box 1 en box 2, maar beïnvloedt ook de belastingdruk in box 3 en de latere heffing van schenk- en erfbelasting. Een hogere dividenduitkering kan het privévermogen in box 3 verhogen, met als gevolg een hogere jaarlijkse heffing.
Toch kan het wenselijk zijn om een deel van het vermogen gecontroleerd naar privé te verplaatsen, ook al leidt dit tot box-3-heffing. Bijvoorbeeld omdat daarmee concentratierisico’s van het vermogen in het familiebedrijf worden verminderd. Of omdat een familielid de behoefte heeft om de verwevenheid van het vermogen met de rest van de familie te verminderen.
Tegelijk heeft de timing en omvang van het dividend gevolgen voor de schenk- en erfbelasting. Wordt het dividend, bijvoorbeeld, aangewend voor periodieke schenkingen aan kinderen of voor het opbouwen van een familiefonds, dan kan dit leiden tot een gespreide en beter planbare heffing van schenkbelasting in plaats van een geconcentreerde erfbelasting bij overlijden.
Praktische adviezen:
Probeer het dividendbeleid, de box-3-positie en de estate planning in samenhang te ontwerpen.
Welke netto vermogenspositie wil de familie in privé opbouwen en tegen welke jaarlijkse fiscale prijs?
Hoe worden toekomstige overdrachten fiscaal en juridisch zo ingericht dat zowel de onderneming als het familievermogen over generaties zo goed mogelijk worden beschermd? Bekijk dit voor de gehele familie, per staak en per individueel familielid.
5. Civielrechtelijke kaders bij dividenduitkeringen
5.1 Uitkeringstoets en balanstest
Op grond van art. 2:216 BW mag een dividenduitkering alleen plaatsvinden als het eigen vermogen groter is dan de reserves die volgens de wet of statuten moeten worden aangehouden, én als de vennootschap na de uitkering haar opeisbare schulden kan blijven voldoen. De zogenoemde balanstest en liquiditeitstest.
In de praktijk betekent dit dat het bestuur voor elke uitkering moet beoordelen of:
de solvabiliteit na uitkering nog voldoende is;
de liquiditeit voldoende blijft om lopende verplichtingen te voldoen; en
er geen andere risico’s zijn die uitkering onverantwoord maken.
Bestuurders die in strijd hiermee handelen, kunnen hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden. Het dividendbeleid moet daarom aansluiten bij een prudente financiële planning en de wettelijke regels.
5.2 Aandeelhoudersovereenkomst en statuten
Dividendafspraken kunnen ook worden vastgelegd in een aandeelhoudersovereenkomst. En eventueel in de statuten. Daarbij gelden de volgende aandachtspunten:
5.2.1 Algemene vergadering blijft bevoegd
De algemene vergadering van aandeelhouders (AvA) is bevoegd over winstbestemming (art. 2:216 lid 1 BW). Een aandeelhoudersovereenkomst kan afspraken bevatten, deze binden dan partijen contractueel, maar de AvA kan formeel-juridisch anders besluiten.
5.2.2 Redelijkheid en billijkheid
Langdurig weigeren van dividend zonder zakelijke rechtvaardiging kan in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid die de vennootschappelijke verhoudingen beheersen (art. 2:8 BW). In een dergelijk geval zouden minderheidsaandeelhouders de rechter kunnen vragen in te grijpen. Dit is echter niet een eenvoudige route, duur en binnen familieverhoudingen niet snel voor te stellen.
5.2.3 Statutaire bepalingen
Het is mogelijk in de statuten af te wijken van de hoofdregel dat de AvA beslist over de winstbestemming. Bijvoorbeeld door een deel van de winst te reserveren voor specifieke doeleinden, of door het bestuur bevoegd te maken tot tussentijdse uitkeringen tot een bepaald maximum. Dergelijke bepalingen kunnen de voorspelbaarheid versterken.
Praktische adviezen:
Synchroniseer de dividendafspraken in de AvA met de statutaire bepalingen.
Neem expliciet in de statuten op hoe om te gaan met situaties waarin het bestuur of de meerderheid de afgesproken uitkering wil beperken.
Benoem dat de rechter in extreme situaties kan ingrijpen als structureel elk dividend wordt geweigerd zonder zakelijke rechtvaardiging.
6. Dividendbeleid in de familievermogensstrategie
6.1 Wat is genoeg privévermogen?
Een kernvraag voor veel families is hoeveel vermogen buiten het familiebedrijf gewenst is. Zolang het privévermogen beperkt en sterk geconcentreerd is in het familiebedrijf, is structureel dividend een instrument om het familievermogen te spreiden, toekomstbestendig te maken en een buffer op te bouwen.
In de praktijk komt regelmatig voor dat families met een expliciet vermogensplan vaker tevreden zijn met een lagere payout-ratio, omdat zij weten dat het dividend dat wél wordt uitgekeerd doelgericht wordt ingezet voor vermogensopbouw buiten de onderneming. Hieruit blijkt dat het ook gewoon vaak gaat over communicatie en stakeholdermanagement.
Praktische adviezen:
Breng met cashflow- en vermogensprojecties in kaart wat de vereisten of verwachtingen zijn op gezins- en familieniveau.
Maak een plan waarin jaarlijkse dividenden worden aangewend voor externe beleggingen, aflossing van privéschulden of het opbouwen van, bijvoorbeeld, een familiefonds.
Bewaak dat de beoogde diversificatie niet botst met de kapitaalbehoefte en continuïteit van de onderneming.
6.2 Collectief risicoprofiel en de BOR
Een weloverwogen dividendbeleid verdeelt het risico tussen onderneming en familie. Winst in de BV laten betekent meer ondernemingsrisico, maar ook een hoger potentieel rendement als het bedrijf groeit. Uitkeren verschuift risico naar privé, waar defensiever kan worden belegd. Maar dus ook meer zekerheid kan ontstaan rond het vermogen, omdat je diversifieert.
Veel families zijn bereid tijdelijk minder dividend te ontvangen als dit nodig is voor strategische investeringen, mits de spelregels vooraf helder zijn en de familieleden erop kunnen vertrouwen dat het dividend later weer op gang komt. Het moet daarnaast ook duidelijk zijn waarom er minder of geen dividend wordt uitgekeerd.
Rond bedrijfsopvolging speelt tevens de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) een rol. Dividendbeleid moet aansluiten bij de gekozen opvolgingsstructuur, zodat:
voldoende liquiditeit beschikbaar is voor uittredende familieleden;
de onderneming solvabel blijft om de BOR-voorwaarden te vervullen; en
de vertrekkende generatie een realistische inkomensstroom behoudt nadat het salaris als DGA wegvalt.
6.3 Opvolging en intergenerationele rechtvaardigheid
Bij een generatiewisseling kan een consistent dividendpatroon helpen om niet-actieve erfgenamen te faciliteren zonder het bedrijf te hoeven verkopen. Tegelijk vergt opvolging vaak investeringen in professionalisering, management en soms inkoop van aandelen, waardoor het tijdelijk verstandig kan zijn dividend te beperken.
Een voorbeeld: de vertrekkende generatie draagt de aandelen in de holding over aan de opvolgende generatie onder toepassing van de BOR. Afgesproken wordt dat de holding gedurende vijf jaar een minimaal dividend van € 250.000 per jaar uitkeert aan de ouders, ter ondersteuning van hun levensstandaard. Daarna wordt het dividend geleidelijk afgebouwd. Dergelijke afspraken voorkomen teleurstelling en conflict tussen de generaties.
Praktische adviezen:
Koppel het opvolgingsplan en het dividendbeleid in één integraal familievermogensplan als onderdeel van het familiestatuut.
Bespreek expliciet welke generatie welke inkomensbronnen heeft na overdracht (loon, dividend, box 3-inkomen).
Leg vast in het familiestatuut hoe dividend zich verhoudt tot schenking, erfenis en eventuele uitkoop van familieleden.
7. Van theorie naar praktijk: concrete adviespunten
Stappenplan voor de adviseur
Stap 1: Inventariseer de uitgangspositie
Wat is de huidige vermogenspositie van de familie (in en buiten de onderneming)?
Wat zijn de inkomensbronnen van de verschillende generaties?
Wat is het risicoprofiel en de gewenste mate van diversificatie?
Stap 2: Formuleer de doelstellingen
Wat wil de familie bereiken met het dividendbeleid?
Welke balans wordt gezocht tussen groei van de onderneming en het inkomen?
Welke rol speelt dividend in het inkomen?
Stap 3: Bepaal de parameters
Welke payout-ratio past bij de strategie?
Welke financiële ratio’s (solvabiliteit, liquiditeit) gelden als ondergrens?
Welke afspraken gelden voor uitzonderingssituaties?
Stap 4: Formaliseer het beleid
Leg het beleid vast in het familiestatuut.
Zorg dat statuten waar nodig worden aangepast.
Communiceer het beleid helder naar alle aandeelhouders.
Stap 5: Evalueer en actualiseer
Toets (jaarlijks) of het beleid nog past bij de ontwikkelingen.
Evalueer formeel eens per vijf jaar.
Pas aan bij belangrijke gebeurtenissen (generatiewisseling, grote investering, etc.).
8. Conclusie
Dividendbeleid in familiebedrijven is meer dan een financieel vraagstuk. Het raakt de kern van de verhouding tussen continuïteit van de onderneming en continuïteit van de familie. Een doordacht dividendbeleid biedt structuur, voorkomt spanningen en zorgt ervoor dat zowel de onderneming als de familie gezond kunnen groeien.
Voor de adviseur ligt hier een belangrijke rol. Door helderheid te scheppen over doelstellingen, parameters en spelregels, en door fiscale, juridische en governance-aspecten in samenhang te bezien, kan de adviseur de familie helpen tot een passend dividendbeleid te komen. Dat vraagt om maatwerk, maar de investering loont: een goed dividendbeleid is een fundament onder de continuïteit van het familiebedrijf voor de lange termijn.
Toepassing in de praktijk
Voorbeeld dividendbeleid
1. Doel en uitgangspunten
Het dividendbeleid heeft als doel een evenwicht te waarborgen tussen:
continuïteit en financiële stabiliteit van de onderneming;
een redelijk en voorspelbaar rendement voor aandeelhouders;
het voorkomen van spanningen tussen familie- en bedrijfsbelangen.
De onderneming hanteert het principe dat het langetermijnbelang van de onderneming prevaleert boven individuele liquiditeitsbehoeften van familieleden.
2. Besluitvorming en bevoegdheden
In de begroting voorafgaande aan het boekjaar wordt rekening gehouden met een eventueel dividend.
Het bestuur stelt jaarlijks een formeel dividendvoorstel op in de maand direct na afloop van het boekjaar.
Het voorstel wordt beoordeeld door de raad van advies of raad van commissarissen, indien aanwezig.
De algemene vergadering van aandeelhouders besluit over het dividend, binnen de wettelijke kaders.
Interim-dividenden zijn mogelijk binnen de wettelijke kaders en vooruitlopend op het uiteindelijke dividendvoorstel over het boekjaar.
Aandeelhouders onthouden zich van druk op het bestuur om dividend uit te keren, indien dit het bedrijfsbelang van de onderneming schaadt.
3. Voorwaarden voor dividenduitkering
Dividend wordt uitsluitend uitgekeerd indien aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
De onderneming beschikt over voldoende vrije uitkeerbare reserves.
De solvabiliteit en liquiditeit blijven boven de (intern) vastgestelde normen.
De geplande investeringen en strategische groeidoelstellingen blijven volledig financierbaar.
De continuïteit van de onderneming is niet in gevaar.
De uitkering leidt niet tot (dreigende) schending van financieringsconvenanten of andere contractuele beperkingen.
De uitkering voldoet aan de wettelijke uitkeringstoets.
Indien één van deze voorwaarden niet wordt gehaald, kan het bestuur gemotiveerd afzien van dividenduitkering.
4. Hoogte en systematiek
Het uitgangspunt is een jaarlijkse dividenduitkering van [x%, € x of binnen een bandbreedte van a – b] van de nettowinst (inclusief eventueel interim-dividend).
Het dividend kent een maximum, zodat overmatige onttrekking van vermogen wordt voorkomen. Deze zijn opgenomen onder art. 3.
In jaren met uitzonderlijke investeringen, overnames of economische onzekerheid kan het dividend worden verlaagd of opgeschort.
Niet-uitgekeerde winst blijft beschikbaar voor versterking van het eigen vermogen. En kan in de toekomst eventueel worden uitgekeerd als is voldaan aan de vereisten in art. 3.
5. Uitzonderingen en bijzondere situaties
In uitzonderlijke omstandigheden kan het bestuur, in afwijking van dit beleid, gemotiveerd voorstellen:
tijdelijk geen dividend uit te keren;
een afwijkend dividend te hanteren.
Afwijkingen worden altijd schriftelijk gemotiveerd en transparant toegelicht aan de aandeelhouders.
Structurele afwijkingen leiden tot heroverweging van dit dividendbeleid.
6. Relatie met andere documenten
Dit dividendbeleid:
maakt integraal onderdeel uit van het familiestatuut;
kan niet strijdig zijn met statuten, aandeelhoudersovereenkomsten of wettelijke bepalingen;
fungeert als richtinggevend kader en niet als juridisch afdwingbaar recht.
Bij conflicten tussen documenten prevaleren de statuten en de wet.
7. Evaluatie en herziening
Het dividendbeleid wordt:
jaarlijks geëvalueerd in samenhang met de strategie en financiële positie;
ten minste eens per vijf jaar herijkt;
aangepast bij ingrijpende wijzigingen in eigendomsstructuur of strategie.