Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/25
25 De traditionele opvatting over eigendomsrechten
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS364117:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Taussig & Barker 1925, p. 40/41. Overigens met uitzondering van de Engelsen die in deze tijd, onder leiding van Alfred Marshall, geneigd waren voor de hierna te bespreken traditionele opvatting over winst te kiezen.
Nog steeds is deze gedachte terug te vinden in de definitie van eigendom zoals we dat binnen het recht kennen, namelijk het recht om over een zaak te beschikken, op de meest volledige wijze te gebruiken, en de vruchten ervan te plukken.
Zoals de rentmeester van een vermogen in dienst is van de eigenaren.
Berle & Means 1932, p. 334.
Volgens deze visie bestaan er derhalve vier ‘distributierubrieken’; ‘rent’, ‘interest’, ‘wages’ en ‘profit’.
Zie Taussig & Barker 1925, p. 41.
Redeneert men vanuit juridisch oogpunt – vanuit de traditionele opvatting over eigendomsrechten – dan moet alle winst ten goede komen aan de aandeelhouders. Deze opvatting overheerst zowel in Europa als in de Verenigde Staten.1 Vanaf de eerste onderneming is de eigenaar gerechtigd tot al hetgeen voortvloeit uit zijn eigendom.2 Indien een eigenaar moet betalen voor diensten van anderen om een toename in waarde te creëren, dan worden deze betalingen gezien als kosten.3 Het surplus dat overblijft na aftrek van de kosten – de winst – komt traditioneel gezien volledig toe aan de eigenaar.4 Deze stroming maakt dus onderscheid tussen ‘lonen’ en ‘winst’.5 De aandeelhouders worden gezien als eigenaren van de onderneming en dus gerechtigd tot de winst, terwijl de bestuurders in dienst van de onderneming staan en (slechts) gerechtigd zijn tot het afgesproken (of redelijke) loon. De inkomsten van de bestuurders en de aandeelhouders kennen binnen deze stroming derhalve een heterogeen karakter.
Voorstanders van deze visie zijn onder meer Francis Amasa Walker, Richard Theodore Ely en Henry Rogers Seager.6 In deze visie bestaat er voor bestuurders in beginsel geen recht op een deel van de winst op basis van hun bestuurstaak.