Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/7.2.2
7.2.2 Nuanceringen en aanvullingen bij Packers modellen
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200757:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Duff (2013) is van mening dat voorlopige hechtenis op zichzelf in strijd is met due process, aangezien de onschuldpresumptie niet hoeft te worden nageleefd: de aanwezigheid van ernstige bezwaren (of: een ernstige verdenking) is (in combinatie met de aanwezigheid van andere juridische gronden) voldoende om een verdachte zijn vrijheid te benemen.
Ook wordt door officieren van justitie en rechters regelmatig benoemd dat tegenwoordig minder strikt op ‘vormfouten’ wordt gereageerd, hetgeen dan meestal als een positieve ontwikkeling wordt beschouwd voor het functioneren van het strafrecht. Ook hiermee lijkt een voorbehoud gemaakt te worden op due process.
Onder meer door middel van snelrecht.
Na veroordeling kunnen zij daardoor een beter passende en mogelijk effectievere sanctie krijgen.
Overigens gaat Packer er wel vanuit dat behalve door strafprocessuele regels de grenzen van strafrechtelijk optreden (‘the limits of the criminal sanction’) worden bepaald door een achterliggende ‘rationale’ (1968: 4) of doelstelling.
Hoewel de twee ideaaltypische benaderingen van het strafrecht die Packer aanduidt als due process en crime control op hoofdlijnen in dit onderzoek herkenbaar zijn – het strafrecht geldt in de beschreven opvattingen vooral als ‘schild’ of als ‘zwaard’ – is het spanningsveld daartussen complexer dan Packer (1964; 1968) het voorstelde. Op meerdere punten geeft dit onderzoek aanleiding zijn theorie te nuanceren en aan te vullen.
Ten eerste, de verschillende hierboven beschreven opvattingen hebben weliswaar steeds betrekking op de instrumentele en rechtsbeschermende functie van strafrecht en op strafdoelen, maar nauwelijks op de inrichting van het strafproces. Vanuit de theorie van Packer is dit opmerkelijk, aangezien daarin de mate waarin het formele strafproces de verdachte mogelijkheden biedt zich te verdedigen tegenover de rechter centraal staat. Geen van de onderzochte groepen doet de voorgeschreven procedures van het straf(proces)recht simpelweg af als een belemmering voor crime control en wil die sterk inkrimpen of afschaffen. In plaats daarvan gaan opvattingen van politiemensen, officieren van justitie en rechters over strafrecht veelal over taakopvatting en rechtsinterpretatie.
Ten tweede spelen naast de instrumentele doelstelling van Packers crime control model en de waarborgfunctie van due process, ook andere doelen een rol in de opvattingen van politiemensen, officieren van justitie en rechters. Naast overwegingen van effectief optreden, spelen ook praktische en morele argumenten mee in de opvattingen van politiemensen over de strafrechtspleging. Politiemensen zijn vooral bezig met het op praktische wijze herstellen van street justice (Van Maanen, 1978; Sykes, 1986). Dit betekent dat hun instrumentele invulling van het gebruik van strafrecht niet alleen op ‘vakmanschap’ is gebaseerd, zoals (Skolnick, 1966) benadrukte, maar ook op (belangrijke) rechtvaardigheidsgevoelens.
Ten derde, officieren van justitie en rechters die zich, zoals in hoofdstukken 5 en 6 aangegeven, niet kunnen vinden in de uiterst terughoudende werkwijze van sommige rechters (in lijn met het due process model), blijken hun opvattingen niet in termen van Packers crime control model (zie hoofdstuk 2) te verwoorden. Een streven naar efficiënte veroordeling van ‘probably guilty’ volgens het crime control model is tijdens de interviews niet naar voren gekomen. De ontwikkeling van ZSM kan deels in dit kader worden geplaatst en wordt door de onderzochte groepen vaak aanvaard, maar een voortdurend streven naar routinisering en uniformiteit (zoals in het crime control model) maakt toch geen deel uit van de beschreven opvattingen over het strafrecht.
Het meest opvallend aan de opvattingen van officieren en rechters die een deel van hun collega’s te voorzichtig vinden bij de beoordeling van bewijs, is hoe zij het element overtuiging in het bewijsrecht zien. Zij zien dit niet in de eerste plaats als een aansporing tot kritische reflectie. Er is hier geen sprake van een schuldpresumptie zoals in het crime control model, maar het element overtuiging wordt opgevat als een geboden mogelijkheid bij bewijsbeoordeling onzekerheid toe te laten en uit te gaan van de overtuigingskracht van plausibele scenario’s, in plaats van grondig onderzoek naar de kwaliteit van de bewijsconstructie. Niet de begrippen ‘schuldpresumptie’ en ‘onschuldpresumptie’, maar breder liggende begrippen zijn nodig om in de praktijk levende opvattingen te kunnen omvatten. In voorgaande zijn onder meer de termen probabilistisch (ontleend aan onder meer: Skolnick, 1966) en falsificeren gebruikt, die uitdrukking geven aan een het feit dat in de beschreven opvattingen zowel wordt uitgegaan van waarschijnlijkheid en overtuiging, – als van een meer terughoudende opvatting over bewijsbeoordeling, waarin het element overtuiging in het bewijsrecht vooral als een aansporing tot kritische reflectie en eventueel systematische falsificatie wordt beschouwd.
Ook bij opvattingen over voorlopige hechtenis staan kritische reflectie en probabilistisch redeneren tegenover elkaar. Hierbij is niet de vraag of de rechter wel uitgaat van de onschuld van verdachte tot het tegendeel is bewezen1, het blijkt dat rechters verschillend denken over de vraag of een verdachte op zijn woord moet worden geloofd wanneer deze zijn persoonlijke omstandigheden en toekomstplannen toelicht. Vanuit een probabilistische redenering menen sommige rechters dat de verklaring van verdachten hierover gewantrouwd moet worden, andere rechters zien dit als een vorm van vooringenomenheid (zie hoofdstuk 6).
In de beschreven opvattingen valt verder op dat verschillend wordt gedacht over de rol van de rechter tijdens het strafproces. In de ogen van een deel van de rechters houdt hun werk een actieve rol in die in het due process model van Packer niet is opgenomen (zie hoofdstuk 6). Bedoeld wordt de overtuiging van rechters dat zij zelf moeten nadenken over een mogelijk gat in de bewijsvoering. Andere rechters beschouwen zichzelf liever als ‘neutrale beslisser’. Aangezien beide opvattingen in het due process model passen is opnieuw onduidelijk wat dit model precies inhoudt. De rechter staat hierin centraal bij het realiseren van de waarborgfunctie van het strafrecht, maar wat mag de verdachte van de controle door de rechter verwachten?2
Due process blijkt betrekking te hebben op ruime, open ‘regels’. Het bewijsrecht is daarvan een goed voorbeeld. Niet bij alle rechters is sprake van de opvatting dat het bewijsrecht tot kritische reflectie aanspoort. Uit hun opvattingen blijkt ook dat in het bewijsrecht ruimte is voor verschillende opvattingen over bewijsbeoordeling. Jurisprudentie op dit terrein zou soms worden genegeerd. De vraag is in hoeverre verdachten door de rechter worden beschermd in het strafproces, zoals het due process model zonder meer veronderstelt.
Behalve politiemensen zijn ook sommige officieren van justitie en rechters van opvatting dat voorlopige hechtenis ruim toegepast dient te worden en dat uitgegaan moet worden van een hierbij passende interpretatie van juridische kaders. Weliswaar vormt een strikte interpretatie van de regels hier een ongewenste hindernis en komt bescherming van de individuele verdachte op de tweede plaats, maar zoals eerder vermeld is een ‘uitgekleed’ of geminimaliseerd strafproces volgens het crime control model niet aan de orde in de beschreven opvattingen. De achtergrond van genoemde opvatting over voorlopige hechtenis onder officieren van justitie en rechters is vooral de verminderde kans dat in een later stadium een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd zal worden, wanneer een verdachte niet in voorlopige hechtenis zit. De doorlooptijden in het strafrecht zijn hierbij in de ogen van officieren van justitie en rechters relevant en die zijn niet uitsluitend afhankelijk van gemaakte keuzes op basis van due process waarden. Ook kwaliteitsaspecten, personele capaciteit en organisatorische efficiëntie die hier los van staan, zijn van invloed en hebben dus ook invloed op opvattingen over voorlopige hechtenis. Hetzelfde geldt voor opvattingen over hoe met bewijsbeoordeling moet worden omgegaan: hier kunnen due process en crime control overwegingen achter zitten, maar ook beperkingen in kwaliteit, beschikbare capaciteit en financiële middelen, aangezien daardoor per definitie kansen onbenut blijven om meer duidelijkheid over het bewijs te verkrijgen.
Ten vierde kan op basis van voorgaande worden gesteld dat Packer personele capaciteit en organisatorische efficiëntie ten onrechte als gegeven beschouwde. Het spanningsveld dat door processuele voorzieningen (due process) wordt opgeroepen ten opzichte van instrumentele doelen van strafrecht, lijkt (deels) te kunnen verdwijnen als voldoende capaciteit en financiële middelen ter beschikking worden gesteld voor het efficiënt kunnen verzamelen en behandelen3 van betrouwbare feiten en bijvoorbeeld voor het ‘voegen’ van dossiers van veelplegers4.
Ten vijfde, zoals ook Roach (1999) opmerkte, gaan de klassieke modellen van Packer niet specifiek in op verschillende (alternatieve) strafmodaliteiten en evenmin op niet-strafrechtelijke afdoeningsmogelijkheden (zie hoofdstuk 2). Het Nederlandse strafrechtsysteem is echter niet uitsluitend op straffen gericht en dat is ook zichtbaar in de opvattingen van politiemensen, officieren van justitie en rechters. Dat betekent dat op dit punt de theorie van Packer tekort schiet.5 Het probleem is dat strafrechtelijke reacties niet (meer) een eenduidig repressief karakter hebben, zoals Packer veronderstelde. In de doelen die politiemensen, officieren van justitie en rechters belangrijk vinden kan onderscheid worden gemaakt naar doelen die aansluiten bij een ‘harde aanpak’ en doelen die gericht zijn op ‘positieve gedragsbeïnvloeding’. Bij dit laatste kunnen in plaats van repressie niet-strafrechtelijke trajecten beter passen.
Ook kan bijvoorbeeld een voorwaardelijke straf in dit kader als een ‘stok achter de deur’ fungeren, zodat op preventie gerichte hulpverlening of zorg wordt geaccepteerd. Zo kan ook een taakstraf volgens politiemensen, officieren van justitie en rechters bijdragen aan ‘positieve gedragsbeïnvloeding’, wanneer deze niet zozeer is bedoeld om leed toe te voegen, maar bijvoorbeeld om structuur en ritme aan te brengen in het leven van de delinquent (zie hoofdstukken 5 en 6).