Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.4.3
7.4.3 Rechtvaardiging van de regeling
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940643:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In dezelfde zin: Koopman 1996, p. 133, Feteris 2007, p. 308 en Scheltens (losbl.), p. 637. Reeds bij de introductie van de regeling werd deze angst, dat burgers van hun informatievoorsprong zouden willen profiteren ten koste van de inspecteur, als motivering gegeven (Zie Bijlagen Handelingen II 1891/92, 125, nr. 7, p. 19, waarover nader Koopman 1996, par. 5.2).
HR 6 juli 2018, V-N 2018/38.26, r.o. 2.3.2. In deze zin ook: HR 16 maart 2018, V-N 2018/15.4, BNB 2018/88, r.o. 3.2.
HR 5 februari 2021, V-N 2021/8.22, r.o. 4.3. In de praktijk zal een dergelijke doorwerking alleen in bijzondere gevallen (zoals aan de orde in het arrest) voorkomen.
De regeling van de omkering lijkt op het eerste gezicht in flagrante strijd met het beginsel van een redelijke verdeling van de bewijslast. Toch kan de in het oog springende onevenwichtigheid behoorlijk worden gerelativeerd. De kiem van de regeling is namelijk gelegen in een andere onevenwichtigheid, die bewijstechnisch in de uitgangspositie besloten ligt. De inspecteur vermoedt dat iemand belastingplichtig is en wil daarom heffen. De belastingplichtige heeft echter een forse informatievoorsprong, vooral met betrekking tot de positieve heffingscomponenten. Hij kan uiteraard beter dan wie ook opheldering geven over de fiscaal relevante feiten en omstandigheden te zijnen aanzien (bijvoorbeeld welke inkomensbronnen hij heeft gehad, waar hij woonachtig is geweest et cetera). Dit probleem wordt geadresseerd door de verschillende informatieverplichtingen, waarvan de aangifteplicht de meest tot de verbeelding sprekende is. Zou een eenvoudige weigering om aan die verplichtingen te voldoen zonder gevolgen blijven, dan zou er sprake zijn van een tandeloze tijger. In feite zou de inspecteur dan het bewijsrisico dragen van de nalatigheid van de belastingplichtige, en dat zou tegenover de inspecteur onredelijk en tegenover meer rechtschapen belastingplichtigen onrechtvaardig uitpakken.1
In feite is de regeling van de omkering van de bewijslast in het leven geroepen om deze onevenwichtigheid op te heffen door hetzij medewerking af te dwingen (vanwege de afschrikwekkende werking van de bewijsrechtelijke sanctie van de omkering), hetzij de bewijslast van de inspecteur te versoepelen indien die medewerking toch achterwege blijft.2 Om die reden is de sanctie ook gebonden aan de persoon van de belastingplichtige: de sanctie leent zich gelet op haar strekking in beginsel namelijk niet voor toepassing tegenover andere personen (aan wie het niet-meewerken door de belastingplichtige niet kan worden verweten).3