Einde inhoudsopgave
Vijandige overnames (IVOR nr. 79) 2010/8.3.2
8.3.2 Het relevante speelveld
mr. M.J. van Ginneken, datum 23-11-2010
- Datum
23-11-2010
- Auteur
mr. M.J. van Ginneken
- JCDI
JCDI:ADS617703:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Winter (2008), p. 119, Raaijmakers & Van der Schee (2008), p. 1130-1131. Zie ook Europese Commissie (2007), over de wijze van implementatie van de Richtlijn door de verschillende lidstaten. Zie hierover Hijink (2007a).
Zie de in opdracht van de Europese Commissie uitgevoerde studie inzake proportionaliteit: ISS Europe, ECGI, Shearman & Sterling, Report on the Proportionality Principle in the EU, Proportionality between Ownership and Control in EU Listed Companies, 18 mei 2007). Zie hierover kritisch Hijink (2007b).
Zie over de lange totstandkoming § 2.5.1.
Opvallend is dat in de VS in de belangrijke artikelen nauwelijks het level playing field argument met Europa wordt genoemd. Dit terwijl er toch voldoende in de VS wordt overgenomen.
Er is een tweede reden waarom men voorzichtig moet zijn met het trekken van een conclusie over wat in vijandige overnamesituaties de juiste rol van de vennootschapsleiding zou moeten zijn, die uitsluitend is gebaseerd op een level playing field analyse met de VS. Deze is gelegen in de beperkte reikwijdte van een dergelijke analyse. Als een definitief oordeel over het bestaan van een gelijk speelveld tussen twee landen al mogelijk zou zijn, is voor Nederland niet alleen het speelveld met de VS relevant. In de huidige globale economie zijn veel meer landen van belang en is een level playing field met de VS dus niet het enige speelveld dat ertoe doet. Van minstens even groot belang voor Nederland is bijvoorbeeld de situatie in Europa. Hoe zit het met de level playing field binnen de EU? De komst van de Richtlijn, met haar meerkeuze stelsel, lijkt niet tot een level playing field te hebben geleid.1 Dit komt ook goed tot uiting in het onderzoek naar proportionaliteit tussen zeggenschapsrechten en het verschaffen van risicodragend kapitaal binnen de EU, waaruit blijkt dat er grote verschillen zijn tussen lidstaten op het gebied van "one share, one vote" en rechten van aandeelhouders.2 Nog los van het feit dat ook hier de — niet volledig in kaart te brengen — culturele en andere verschillen een grote rol zullen spelen, kan de conclusie worden getrokken dat er binnen de EU geen level playing field lijkt te bestaan. De moeizame totstandkoming van de Richtlijn, waar het level playing field argument een grote rol speelde, bewijst naar mijn mening hoe moeilijk dit argument te wegen is. Dit is waarschijnlijk ook een van de redenen waarom een en ander zo lang heeft geduurd.3 Naast de Europese landen, dient ook te worden gekeken naar landen als China, India, Brazilië en Rusland, die in toenemende mate ook voor Nederlandse (en Amerikaanse) beursvennootschappen van belang zijn. Kortom, de level playing field met de VS is niet het enige relevante speelveld.4