Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/44
44 Het bezoldigingsniveau in de Verenigde Staten
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS372609:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Frydman & Saks 2008, figuur 5.
Deze daling is de scherpste daling van de afgelopen 70 jaar. Zie over de bezoldiging van bestuurders in deze periode Frydman & Saks 2008; Atkinson, Piketty & Saez 2011.
Frydman & Molloy 2011, p. 9. Het patroon van een relatief beperkte groei die zou volgen op de daling in de jaren ’40 is gelijk zowel voor de grote als de kleinere beursgenoteerde vennootschappen in de Verenigde Staten. De neergang van het bezoldigingsniveau gedurende de veertiger jaren speelde echter vooral bij de bestuurders die zich bevonden in de hoogste regionen.
Frydman & Saks 2008, p. 7. In de jaren ’70 zou de gemiddelde bezoldiging van de vijftig grootste ondernemingen (omgerekend naar de waarde van dollars in 2000) met 20% toenemen. Een flinke groei als die wordt afgezet tegen de dertig jaren ervoor waar de bezoldiging van bestuurders slechts een minimale groei doormaakte. Frydman & Jenter 2010, p. 38, figuur 2. Ook de verhouding tussen de bezoldiging van de CEO en de andere uitvoerende bestuurders bleef tot 1980 stabiel. Een CEO verdiende ongeveer 1.4 keer zoveel als de overige uitvoerende bestuurders. Na de jaren ’80 zou het verschil tussen de beloning van de CEO en de overige uitvoerende bestuurders verder uit elkaar gaan lopen naar ongeveer 2.6 in de periode 2000-2005. Frydman & Jenter 2010, p. 4.
De aandacht voor bezoldigingsinstrumenten neemt in deze periode overigens wel toe. De omvang van de bonusplannen komt echter niet meer in de buurt van de bonussen zoals uitgekeerd in de jaren ’20. Zie Wells 2012, p. 41-57.
$1 miljoen in augustus 1930 is in koopkracht in augustus 2017 gelijk aan $14.879.939,39, terwijl $1 miljoen dollar in 1970 in koopkracht in 2016 ‘slechts’ gelijk is aan $6.295.358,97 (zie https://data.bls.gov/cgi-bin/cpicalc.pl). Pas in de jaren ’80 zouden bestuurders weer bezoldigingspakketten boven de $1 miljoen ontvangen. Wells 2010, p. 761.
In de periode 1940-1975 komt het bezoldigingsniveau van bestuurders in de Verenigde Staten opmerkelijk genoeg vrijwel niet van zijn plaats. En dat terwijl ondernemingen in die tijd een enorme groei doormaken. In het bijzonder in de jaren ’50 en ’60 neemt de totale marktkapitalisatie van beursgenoteerde ondernemingen toe.1
De meest opvallende periode is die van 1940-1950. In tegenstelling tot de historisch waarneembare trend van constante groei, kent de bezoldiging van bestuurders in deze periode een scherpe daling.2 In de jaren 1940-1942 is weliswaar nog een opwaartse beweging zichtbaar, maar daarna begint de bezoldiging van bestuurders plotseling af te nemen. Over de gehele periode bezien daalt de bezoldiging van bestuurders tussen 1940-1949 gemiddeld met 11 procent.3 Deze periode van versobering wordt opgevolgd door 25 jaren van beperkte groei met een gemiddelde van 0.8% per jaar.4
Tijdens en na de oorlog tot aan de jaren ’60 van de twintigste eeuw spelen bonusplannen een minder prominente rol dan in de jaren ’20 bij de hoogte van de totale bezoldiging.5 Hoewel ondernemingen wel degelijk vormen van variabele beloning kennen in deze periode, halen zij niet meer de omvang van de bonusplannen van vlak voor het uitbreken van de ‘Great Depression’. Ook meer in het algemeen blijft de bezoldiging van bestuurders bescheiden ten opzichte van de bezoldigingspiek zoals we die zagen aan het begin van de jaren ‘30. Tussen de jaren ’40 en ’70 komen bezoldigingspakketten die door de $1 miljoen-grens breken nauwelijks voor. In het licht van de inflatie is deze ontwikkeling opmerkelijk te noemen, aangezien $1 miljoen in de jaren ’30 meer dan het dubbele waard was, als $1 miljoen in de jaren ‘70.6