Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/336
336 Art. 2:135 lid 4 BW: Een vertegenwoordigingsbepaling?
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS371432:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Voor auteurs die het artikel niet zien als een vertegenwoordigingsbepaling, zie Asser/ Maeijer 2000, nr. 310; Pitlo/Löwensteyn 1994, nr. 4.185; Huizink 1989, p. 96. Opgemerkt dient te worden dat Huizink afstand neemt van zijn standpunt in zijn dissertatie uit 1989, in Huizink 2004, art. 135, aantekening 2. Zie over deze verdeeldheid tevens de noot van Bulten bij Hof Arnhem-leeuwarden 15 januari 2013, JOR 2013/331 (NTI/Vernhout); Bulten 2014, p. 104/105 en Meijer-Wagenaar 2006, p. 683.
Asser/Maeijer 2000, nr. 310.
Huizink 1989, p. 96.
Huizink 2004, art. 135, aantekening 2.
PHR 23 september 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT5554, onder 2.2 (ERTCC).
PHR 23 september 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT5554, onder 2.6 (ERTCC). Deze passage lijkt de opvatting van Maeijer te ondersteunen.
PHR 23 september 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT5554, onder 2.10 (ERTCC).
HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5554, r.o. 3.3.2 (ERTCC).
De visie dat art. 2:135 BW een vertegenwoordigingsbepaling is, wordt onder andere verkondigd in Verburg 2015, p. 71; Bulten 2014; Van Slooten & Zaal 2008; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 428, p. 523; Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman 2017, nr. 45; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 251; Huijgen/Lennarts 2013, Boek 2, art.135; Meijer-Wagenaar 2006, p. 687; Huizink 2004, art. 135, aantekening 2; Van der Heijden/van der Grinten 1992, nr. 251. Zie ook A-G Timmerman in zijn conclusie bij HR 15 april 2005, LJN: AS2030 (Unidek), waar hij onder 2.10 ten aanzien van het met art. 2:135 BW vergelijkbare art. 2:245 BW schrijft: “Op bepaalde punten ligt de vertegenwoordiging van een b.v. bij de aandeelhoudersvergadering. Ik noem bijvoorbeeld de benoeming van een accountant (art. 2:393, lid 1 en 2 BW) en het vaststellen van de bezoldiging van bestuurders (art. 2:245 BW).” Overigens blijkt uit de parlementaire geschiedenis bij Boek 2 BW dat het besluit tot vaststelling van de tantième van een commissaris gezien moet worden als een direct extern werkend besluit. “Daartegenover staan besluiten met (direct) externe werking, die een rechtshandeling of een wilsverklaring ten aanzien van een derde behelzen; bij voorbeeld het ontslag van een commissaris of de vaststelling van diens tantième.” Hieruit volgt logischerwijze dat ook het besluit tot vaststelling van de bezoldiging van bestuurders, evenals de benoeming van bestuurders, aangemerkt dient te worden als een direct extern werkend besluit en dus dat art. 2:135 lid 4 BW aangemerkt dient te worden als een vertegenwoordigingsbepaling. Zie Van Zeben 1962, p. 150. Zie hierover tevens Bulten 2014, p. 105. De Monchy en Timmerman noemden overigens al in 1991 het bezoldigingsbesluit als voorbeeld van een direct extern werkend besluit. De Monchy & Timmerman 1991, p. 70.
Van Slooten & Zaal 2008, p. 3.
Zie ook Meijer-Wagenaar 2014, p. 119.
Zie in gelijke zin Meijer-Wagenaar 2006; Zie de noot van Bulten bij Hof Arnhem-leeuwarden 15 januari 2013, JOR 2013/331 (NTI/Vernhout); Bulten 2014, p. 106.
Op grond daarvan lijkt Lennarts van mening dat ook in de slotzin van lid 5 in plaats van ‘orgaan’ moet worden gelezen ‘bestuur’, zie Huijgen/Lennarts 2013, art. 2:135. Naar mijn mening overigens ten onrechte, waarover ik nog kom te spreken.
De voorloper van het huidige art. 2:135 lid 4 bepaalde dat, voor zover bij de akte van oprichting niet anders is bepaald, de bezoldiging van bestuurders door de algemene vergadering wordt vastgesteld. Deze formulering heeft voorheen voor enige verdeeldheid in de literatuur gezorgd over de vraag hoe tegen art. 2:135 (oud) BW moet worden aangekeken, in het bijzonder over de vraag of art. 2:135 (oud) BW gezien moet worden als een vertegenwoordigingsbepaling waarmee wordt afgeweken van de reguliere bepalingen omtrent vertegenwoordiging of dat vaststelling slechts een interne aangelegenheid is.1
Volgens Maeijer moet de vraag of art. 2:135 (oud) BW aangemerkt dient te worden als een vertegenwoordigingsbepaling ontkennend worden beantwoord. Het artikel bedoelt volgens hem geenszins te zeggen dat, behoudens afwijkende statutaire voorziening, alléén de algemene vergadering de vennootschap aan een bepaalde bezoldiging kan binden. Degene die de vennootschap bij het sluiten van de overeenkomst vertegenwoordigt, dient volgens hem het bedrag in acht te nemen dat door het daartoe bevoegde vennootschappelijke orgaan is vastgesteld.2
Huizink verkondigt deze gedachte aanvankelijk ook in zijn dissertatie waarin hij stelt dat de algemene vergadering op zijn best een instructiebevoegdheid heeft.3 Later komt hij hierop terug.4 Met deze ommezwaai schaart hij zich in het kamp van Van der Grinten, die stelt dat art. 2:135 (oud) BW wel moet worden aangemerkt als een vertegenwoordigingsbepaling. In de visie van Van der Grinten kan de vennootschap dus slechts aan een bepaalde bezoldiging worden gebonden door het op grond van art. 2:135 (oud) BW bevoegde orgaan.5
In het kader van deze discussie is het ERTCC-arrest interessant, waarin de Hoge Raad zich boog over art. 112 Wetboek van Koophandel van de Nederlandse Antillen (hierna: WvKNA). Dit artikel is, evenals art. 2:135 BW en art. 2:245 BW, een opvolger van art. 48c (oud) WvK. Art. 112 WvKNA hield in dat, voor zover bij de akte van oprichting niet anders is bepaald, de algemene vergadering de bezoldiging van bestuurders vaststelt. In casu had de AVA besloten tot een bepaalde bezoldiging voor een nieuwe bestuurder.
De al zittende bestuurder van de vennootschap was vervolgens een managementovereenkomst aangegaan met de nieuwe bestuurder, waarin zij een bezoldiging overeengekomen waren die hoger was dan de bezoldiging zoals vastgesteld door de AVA. A-G Timmerman overwoog in zijn conclusie dat hij in de wetgeschiedenis geen vrijheid voor wie dan ook kon lezen, dat, als de aandeelhoudersvergadering krachtens de haar toekomende bevoegdheid een bezoldiging van een bestuurder vaststelt, een ander orgaan een daarvan afwijkende bezoldiging mag vaststellen. “Dit geldt mijns inziens voor naar Nederlands recht opgerichte b.v.’s, ondanks dat we hier de regel kennen dat het bestuur bij vertegenwoording soms iets anders met een derde kan afspreken dan hij intern bezien mocht. Hier is immers de wettelijke regel van art. 2:245 BW in het geding. Deze beperkt de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur.”6 Niet geheel duidelijk wordt of deze beperking betrekking heeft op de gehele vertegenwoordigingsbevoegdheid of slechts op de omvang ervan (de casus biedt daar overigens ook de ruimte voor). Voor dat laatste lijkt de passage van Timmerman te pleiten waarin hij stelt: “De bestuurder is in zijn handelen gebonden door de beperking hem door de AVA gesteld; de beperking vormt weliswaar een interne regeling van bevoegdheden maar deze interne regel heeft in het Antilliaanse vennootschapsrecht externe werking.”7 Even later schrijft hij: “ook al zou men in artikel 112 WvKNA zelf geen vertegenwoordigingsbepaling willen lezen, dan kan dat niettemin betekenen dat deze wetsbepaling de vertegenwoordigingsbevoegdheid beperkt. (…) Maeijer zegt [in Asser-Maeijer, 2-III, nr. 310, ECHJL] enerzijds dat hij in art. 2:245 BW geen vertegenwoordigingsbepaling leest. Anderzijds zegt hij mijns inziens terecht dat degene die de vennootschap bij het sluiten van een overeenkomst met een bestuurder vertegenwoordigt, het bedrag in acht zal hebben te nemen dat in gevolge artikel 2:245 BW door het daartoe bevoegde vennootschappelijke orgaan is vastgesteld.”8 Timmerman concludeert vervolgens dat de vordering van de bestuurder beperkt is tot hetgeen is vastgesteld door de AVA.
De Hoge Raad overweegt slechts dat “art. 103 WvK-NA [bepaalt, ECHJL] dat, behoudens beperkingen bij de akte van oprichting, het bestuur belast is met het besturen van de zaken der vennootschap en art. 112 dat, voor zover bij de akte van oprichting niet anders is bepaald, de algemene vergadering de bezoldiging van bestuurders vaststelt. Naar het destijds geldende Nederlands-Antilliaans recht behelst art. 112 een beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur, waaraan externe werking toekomt, zoals ook gold voor de overeenkomstige bepaling in het Nederlandse WvK voordat dit wetboek, in 1971, werd aangepast aan de Europese regelgeving.”9
Tegenwoordig is er consensus dat art. 2:135 lid 4 BW beschouwd moet worden als een vertegenwoordigingsbepaling.10 Sinds de aanpassingen van art. 2:135 BW in 2004 is aan enige verdeeldheid een einde gekomen. Het is in het bijzonder de laatste zin van het huidige lid 5 dat bijgedragen heeft aan het einde van de discussie.11 Daarin is immers expliciet opgenomen dat het ontbreken van goedkeuring door de algemene vergadering betreffende bezoldigingsregelingen voor het bestuur in aandelen en opties de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het door de statuten aangewezen orgaan niet aantast. Zou art. 2:135 lid 4 BW niet moeten worden gezien als een vertegenwoordigingsbepaling, dan zou de laatste zin van art. 2:135 lid 5 BW ieder nut ontberen.12
Of daadwerkelijk goed is nagedacht over het toevoegen van deze slotzin aan lid 5 van art. 2:135 BW is overigens de vraag.13 De toevoeging dat “het ontbreken van de goedkeuring de vertegenwoordigingsbevoegdheid niet aantast” komt op een aantal plaatsen in boek 2 BW voor, maar heeft dan altijd betrekking op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur of bestuurders.14 Het ligt mijns inziens voor de hand dat de wetgever de gebruikelijke zinsnede heeft overgenomen en overeenkomstig art. 2:135 lid 4 BW heeft aangepast door ‘het bestuur of bestuurders’ te vervangen door ‘het orgaan’.15
Op grond van vorenstaande wordt aangenomen dat het op basis van art. 2:135 lid 4 BW aangewezen orgaan bevoegd is de vennootschap te vertegenwoordigen bij het vaststellen van de bezoldiging.