Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.2.7.3:7.2.7.3 Compensatie?
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.2.7.3
7.2.7.3 Compensatie?
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS616713:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5973, NJ 2009/440 m.nt. Buruma.
HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1729 en de zaken van dezelfde datum onder de nrs. 1737, 1746, 1747, 1748 en 1753.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het heeft er de schijn van dat de mogelijkheid tot het bieden van compensatie aan de verdachte voor inbreuken op andere rechten dan dat op een eerlijk proces in de rechtspraak van de Hoge Raad geen doeleinde vormt dat zelfstandig kan rechtvaardigen om vormfouten die buiten het kader van art. 359a Sv vallen, toch onder de controle van de zittingsrechter te brengen. Dat lijkt ook niet nodig, omdat de straftoemetingsvrijheid de rechter – ook als geen sprake is van een vormfout in de zin van art. 359a Sv – de ruimte biedt om met inbreuken op rechten van de verdachte rekening te houden. Dat gebeurde ook in de hiervoor aangehaalde zaak waarin detentie, hangende een verzoek tot uitlevering geoordeeld werd geen deel uit te maken van het voorbereidend onderzoek. In die zaak bepleitte de verdediging niet-ontvankelijkheid althans strafvermindering, omdat de verdachte als gevolg van het verzoek tot uitlevering tweeëneenhalve maand onder abominabele omstandigheden in een Thaise cel had gezeten. Het hof achtte art. 359a Sv hierop niet van toepassing maar onderzocht niettemin, dus buiten het verband van die bepaling om, of het gedane uitleveringsverzoek meebracht dat aan de verdachte een eerlijk proces is onthouden en dit aan het OM viel toe te rekenen. Het kwam tot de slotsom dat daarvan geen sprake was, zodat geen plaats was voor niet-ontvankelijkverklaring van het OM. Wel verdisconteerde het hof de Thaise detentieomstandigheden in de strafmaat. Volgens de Hoge Raad gaf dit een en ander geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was het niet onbegrijpelijk.1 Zoals in paragraaf 7.2.7.1 gezegd, kan ik me voorstellen dat ook onrechtmatig handelen van particulieren tot compensatie in de strafmaat kan leiden, bijvoorbeeld als de verdachte bij zijn aanhouding door particulieren is mishandeld.
Een recente uitzondering op het zojuist geschetste beeld vormen de zaken betreffende de mogelijkheid bij de zittingsrechter te klagen over de rechtmatigheid van de ontruiming van een gekraakt pand op de voet van art. 551a Sv.2 Indien de zittingsrechter bevindt dat de verdachte niet de hem toekomende gelegenheid heeft gehad tegen een voorgenomen ontruiming een kort geding aan te spannen, geldt dit verzuim niet als begaan in het voorbereidend onderzoek in de strafzaak betreffende het kraken ex art. 138a Sr, maar kan bij de zittingsrechter een beroep worden gedaan op de disproportionaliteit van de ontruiming en kan de zittingsrechter een schending van art. 8 EVRM constateren en daaraan het rechtsgevolg van strafvermindering verbinden. Bijzonder aan deze situatie is dat in de totstandkomingsgeschiedenis van de voormelde bepalingen uitdrukkelijk was overwogen (de Hoge Raad wees daar ook op):
‘De strafrechter kan bij de berechting van de krakers beoordelen of de ontruiming rechtmatig was. Indien de strafrechter oordeelt dat de bevoegdheid onrechtmatig is uitgeoefend, kan hij daaraan rechtsgevolgen verbinden, zoals bijvoorbeeld strafvermindering.’3