Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/186
186 Wet- en regelgeving voor de scheiding van eigendom en zeggenschap
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS370199:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Een vof werd vaak omgezet in een cv nadat de eerste generatie (de oprichters) van het familiebedrijf met pensioen ging. Hierdoor konden de gepensioneerden als stille vennoot bij de onderneming betrokken blijven zonder hoofdelijk aansprakelijk te zijn.
Zie o.a. Frentrop 2002, p. 161.
Slechts indien bijvoorbeeld de werkzaamheden onevenredig verdeeld zijn onder de vennoten, maakt men ter compensatie bezoldigingsafspraken.
Asser 1873, p. 27; Diephuis 1874, p. 104; Kist 1875; de Pinto 1876, p. 19.
Tijdens de aanpassing van het Aktiengesetz in 1884 wordt § 227 Abs. 2 ADHGB geheel overgenomen. In hetzelfde artikel is tevens bepaald dat een bestuurder niet per se aandeelhouder hoeft te zijn. Zie § 227 Abs. 2 ADHGB 1884: “Der Vorstand kann aus einer oder mehreren Personen bestehen; diese können besoldet oder unbesoldet, Aktionäre oder Andere sein.” Vaak bevatte de statuten echter een clausule waarin stond opgenomen dat de bestuurder een bepaald aantal aandelen in onderpand moest geven dat tegelijkertijd diende als bescherming voor de vennootschap, zie Grattenthaller 2007, p. 30.
Hutton v West Cork Railway, Court of Appeal, (1883) 23 Ch. D. 654. Uit dit arrest komt ook de bekende regel van Lord Bowden: “there are to be no cakes and ale except such as are required for the benefit of the company”. Pas later zou in de modelstatuten bij de Companies Act worden opgenomen dat de directors één of meer van hen aan kan wijzen als managing director en eventueel een bezoldiging kunnen toekennen. Zie Table A: Regulations for management of a company limited by shares, Companies Act (Consolidation Act) 1929, nr. 68.
Zie ook het eerdere arrest Dunston v Imperial Gas Light and Coke (1832) 3 B & ad 125.
Zie Schüller 2002, p. 115.
Zie onder andere Grattenthaller 2007, p. 30/31.
De bezoldiging van bestuurders van naamloze vennootschappen is pas sinds het einde van de 19e eeuw onderwerp van debat geworden. Voor die tijd kent Nederland, evenals de rest van de wereld, voornamelijk familieondernemingen. De meeste van deze familieondernemingen worden gedreven in de vorm van een vof of een cv.1
De naamloze vennootschappen in Nederland blijven tot het begin van de 20e eeuw veelal een besloten karakter houden. Er wordt nauwelijks een beroep gedaan op het grote publiek. In veel gevallen zijn de aandeelhouders tevens de bestuurders van de vennootschap, waardoor de zeggenschap en de eigendom van de onderneming in handen van dezelfde personen zijn. Fungeert de aandeelhouder niet tevens als bestuurder, dan is hij desalniettemin nauw betrokken en heeft hij een goed zicht op de gang van zaken binnen de onderneming.2
Door het besloten karakter van de naamloze vennootschap en de familiekring waarbinnen de onderneming wordt gedreven, is de bezoldiging van de bestuurders van ondergeschikt belang. In het levensonderhoud wordt voorzien door de opbrengsten van de onderneming.3 Het is daarom geenszins gewoon dat een bestuurder voor zijn bestuursfunctie te allen tijde wordt bezoldigd.
Gezien de ondergeschiktheid van bezoldiging als inkomensvereiste voor de bestuurders (tevens aandeelhouders) in die tijd, is een wettelijke regeling hieromtrent in het Wetboek van Koophandel overbodig. Gedetailleerde bepalingen over de bezoldiging van bestuurders ontbreken dan ook. Alleen art. 44 WvK speelt enigszins een rol van betekenis:
“De vennootschap wordt beheerd door daartoe, door de vennooten, aangestelde bestuurders, deelgenooten of anderen, al dan niet loontrekkende, met of zonder toezigt van commissarissen. De bestuurders mogen niet onherroepelijk worden aangesteld.”4
Bestuurders worden door de vennoten aangesteld en kunnen al dan niet loon trekken. Juridisch gezien wordt de bezoldiging van bestuurders volledig overgelaten aan de contractsvrijheid der partijen. Enige wettelijke interventie blijft achterwege.
De regeling zoals vervat in art. 44 WvK is niet alleen kenmerkend voor Nederland. In Duitsland en het Verenigd Koninkrijk kent men rond die tijd eenzelfde soort regeling. Het ‘frühe Aktienrecht’ houdt zich van de bezoldiging van bestuurders afzijdig. § 227 Abs. 2 ADHGB 1869 bepaalt slechts dat een bestuurder “besoldet oder unbesoldet” zijn werk kan verrichten.5 In het Verenigd Koninkrijk verwijst men naar het arrest Hutton v West Cork Railway Co uit 1883, waarin is bepaald dat directors niet prima facie aanspraak kunnen maken op enige vorm van bezoldiging.
“What is remuneration of directors? I think it is pretty clear that, like the compensation for loss of the services of the managing director, it is a gratuity. A director is not a servant. He is a person who is doing business for the company, but not upon ordinary terms. It is not implied from the mere fact that he is a director, that he is to have a right to be paid for it. In some companies […] there is a special provision for the way in which the directors should be paid; in others there is not. If there is a special provision for the way in which they are to be paid, you must look to the special provision to see how to deal with it. But if there is no special provision their payment is in the nature of a gratuity”.6
Slechts indien de bezoldiging is opgenomen in de oprichtingsakte of statuten of is goedgekeurd door de vennoten, is deze geldig.7
Door het schaarse gebruik van de naamloze vennootschap en de besloten kring waarbinnen ondernemingen worden gedreven, spelen vraagstukken rondom de bezoldiging van bestuurders in deze periode zowel in Europa als in de Verenigde Staten niet of nauwelijks een rol.8
De eerste regeling in Europa die expliciet ziet op de bezoldiging van bestuurders is § 237 HGB uit 1896, waarin door de Duitse wetgever wordt bepaald dat het tantième van het bestuur berekend dient te worden op basis van de nettowinst nadat alle afschrijvingen en reserves zijn verrekend. Voor het overige wordt de bezoldiging van bestuurders overgelaten aan de contractvrijheid der partijen. In Duitsland wordt met de omzetting van het ADHGB in het HGB in 1896 wel de ‘Aufsichtrat’ als verplicht orgaan van een naamloze vennootschap voorgeschreven (§ 243 HGB 1896). Op grond van § 246 Abs. 3 HGB 1896 kan aan de Aufsichtrat extra bevoegdheden worden toegekend, zoals het aanstellen van een bestuurder. De Aufsichtrat is op grond van § 247 Abs 1 HGB bevoegd de vennootschap in het rechtsverkeer met de bestuurder te vertegenwoordigen.9
Dit zou in de eerste helft van de 20e eeuw veranderen, zowel door de toename in het gebruik als door de groei in omvang van de beursvennootschappen. Het is het uitbreken van de Grote Depressie, die gepaard gaat met diverse beloningsschandalen, waardoor in de Verenigde Staten en Duitsland over wordt gegaan tot het introduceren van vennootschapsrechtelijke regels om de bezoldiging van bestuurders te reguleren.