FED 2024/124
Aftrekbaarheid van verteerkosten tijdens zakelijk verblijf buitenshuis wordt bepaald op grond van artikel 3.15 Wet IB 2001.
HR 18-10-2024, ECLI:NL:HR:2024:1472, m.nt. dr. J.W.J. de Kort
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18 oktober 2024
- Magistraten
Mrs. Van Hilten, Faase, Cools
- Zaaknummer
22/01689
- Noot
dr. J.W.J. de Kort
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS992897:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht (V)
Inkomstenbelasting / Winst
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1472, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑10‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑10‑2024
- Wetingang
Essentie
Aftrekbaarheid van verteerkosten tijdens zakelijk verblijf buitenshuis wordt bepaald op grond van artikel 3.15 Wet IB 2001.
Samenvatting
Belanghebbende verblijft buitenshuis op gehuurde kamers en gebruikt daar van horecagelegenheden betrokken maaltijden. Omdat aan dit verblijf zakelijke overwegingen ten grondslag liggen, zijn de tijdens dat verblijf gemaakte kosten in beginsel ook zakelijk. Dat de noodzaak tot voeden een algemeen menselijke behoefte is maakt dat niet anders en datzelfde geldt voor de keuze van de ondernemer om de maaltijden niet zelf te bereiden. Met het deels zakelijke, deels privékarakter van de maaltijdkosten wordt uitsluitend rekening gehouden door toepassing ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.