Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.5.3.3:I.3.5.3.3 Kanttekening 2
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.5.3.3
I.3.5.3.3 Kanttekening 2
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624611:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Breemhaar 1992, nr. 72. Vgl. Kamerstukken II 1984/85, 17496, 10, p. 15 en 16 (MvA II Inv.), Parl. Gesch. Boek 3, p. 1123-1124.
Hierover ook subparagraaf 4.6.2 ‘Te onderscheiden soorten uiterste wilsbeschikkingen’. Ook buiten Boek 4 BW zijn er rechtshandelingen die als uiterste wilsbeschikking kunnen worden aangemerkt, bijvoorbeeld de voogdijbenoeming.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De crux van het vraagstuk of ten aanzien van de inhoud van een uiterste wilsbeschikking al dan niet kan worden gedelegeerd, is mijns inziens gelegen in de uitleg van het bepaaldheidsvereiste. Het bepaaldheidsvereiste kan, zoals Breemhaar schrijft, al naar gelang de aard van de rechtshandeling soepel of strikt worden opgevat.1 Hoe dient het bepaaldheidsvereiste voor uiterste wilsbeschikkingen te worden opgevat, strikt of soepel?
Anders dan Breemhaar stelt, leidt de hoogstpersoonlijkheid van de uiterste wilsbeschikking mijns inziens niet ertoe dat erflater steeds zelf het onderwerp (resp. beoogde rechtsgevolg) van zijn uiterste wilsbeschikking moet bepalen. De hoogstpersoonlijke aard van de uiterste wilsbeschikking leidt met andere woorden naar mijn mening niet tot een strikte opvatting van het bepaaldheidsvereiste. En ten aanzien van de inhoud van de uiterste wilsbeschikking geldt dan ook geen delegatieverbod. Waarom niet?
De algemene hoogstpersoonlijkheid van de uiterste wilsbeschikking is slecht een formeel geldigheidsvereiste. Het zegt niets over de materiële aard van een uiterste wilsbeschikking. Of een uiterste wilsbeschikking inhoudelijk een uiterste wilsbeschikking is, wordt bepaald door de elementen van art. 4:42 lid 1 BW en niet door de geldigheidsvereisten van art. 4:42 lid 3 BW. Zoals ik in subparagraaf 2.2.1 schetste, zijn de materiële bouwstenen van een uiterste wilsbeschikking de volgende:
eenzijdigheid;
rechtshandeling;
werking na overlijden;
in Boek 4 van het BW geregeld of elders in de wet als zodanig aangemerkt.
Voldoet een rechtshandeling aan deze vereisten, dan kan zij als uiterste wilsbeschikking worden aangemerkt. Zo kent Boek 4 BW verschillende soorten te onderscheiden uiterste wilsbeschikkingen,2 waaronder de erfstelling, het legaat en de last. Naar mijn mening dient voor de opvatting van het bepaaldheidsvereiste naar de aard van deze te onderscheiden soorten beschikkingen gekeken te worden, in plaats van naar het algemene hoogstpersoonlijke karakter van de uiterste wilsbeschikking. Een erfstelling is immers van wezenlijk andere aard dan een legaat. De hoogstpersoonlijkheid van de uiterste wilsbeschikking heeft op het wezen van een uiterste wilsbeschikking geen betrekking. Het ziet enkel op de formele geldigheid van de beschikking.