Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/94
94 Belonen op basis van andere afgeleide prestatiemaatstaven
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS366578:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Geen rechtvaardigingsgrond, maar wel een belangrijke reden is, dat het gemakkelijk is om een bestuurder op basis van deze afgeleide prestatiemaatstaven te belonen omdat deze cijfers simpelweg voorhanden zijn.
Holmström 1979, p. 75. Cools en Van Praag pleiten ook voor het gebruik van afgeleide maatstaven onder verwijzing naar de afruil tussen doelrealisatie (zij noemen het doelcongruentie) en beïnvloedbaarheid (ruis); Cools & Van Praag 2003. Opgemerkt dient overigens te worden dat Holmström er in zijn model van uitgaat, dat de aandeelhouder op de hoogte is van alle potentiële mogelijke handelingen (‘business opportunities’) die een bestuurder kan maken, evenals de mogelijke uitkomsten van die handelingen. In werkelijkheid is het onwaarschijnlijk dat ooit aan deze voorwaarde wordt voldaan.
Baker 2000, p. 12/13.
Zie Jensen & Murphy 1990a, p. 26/27 waarin zij verwijzen naar Gibbons & Murphy 1989. Zie in dit kader ook het proefschrift van Kilian Wawoe waarin hij onderzoek doet naar welke persoonlijkheidskenmerken bepalen wanneer medewerkers worden gewaardeerd door hun leidinggevende, wanneer ze goede beoordelingen krijgen en wanneer ze een bonus krijgen van hun baas. In totaal deden er 1.800 bankmedewerkers mee van verschillende banken in de VS, Brazilie, India, Nederland en Roemenie. Zijn belangrijkste conclusie is dat ondernemende mensen niet beter beoordeeld worden door hun baas, maar wel hogere bonussen krijgen. De verklaring hiervoor is dat mensen met een proactieve persoonlijkheid zich zo gedragen dat ze hun targets halen, maar dat wil nog niet zeggen dat ze hun werk beter doen. Vandaar dat managers hun proactieve medewerkers wél hogere bonussen geven, maar als je aan diezelfde manager vraagt wat ze van diezelfde bankier vinden, worden ze niet beter gewaardeerd. Wawoe 2010.
Jensen & Murphy 1990a, p. 27.
Zie over de onbedoelde uitwerkingen van prestatiemaatstaven, randnummer 118 e.v.
John Darley in Baker 2000, p. 12/13.
Naast het afhankelijk maken van de bezoldiging van bestuurders van de absolute aandeelhouderswaarde en relatieve aandeelhouderswaarde, wordt in de praktijk de korte termijn variabele beloning (‘short term incentive’ of ‘STI’) gekoppeld aan afgeleide financiële (bijvoorbeeld boekhoudkundige en groeimaatstaven) en niet-financiële prestatiemaatstaven (bijvoorbeeld klanttevredenheids- en duurzaamheidsmaatstaven). Hiervoor worden twee rechtvaardigingsgronden aangedragen.1 Allereerst zijn afgeleide financiële en niet-financiële prestatiemaatstaven ten opzichte van de absolute en relatieve aandeelhouderswaarde in hogere mate beïnvloedbaar waardoor deze prestatiemaatstaven een krachtigere prikkel geven aan de bestuurder. Daarnaast kunnen deze afgeleide prestatiemaatstaven informatie geven over het functioneren van een bestuurder. Holmström meent dan ook dat een optimaal bezoldigingscontract voor een risicoaverse bestuurder niet alleen gebaseerd dient te worden op het doel van de aandeelhouder – verandering in aandeelhouderswaarde – maar ook op iedere variabele die aanvullende informatie geeft en die van waarde is voor de beoordeling van de niet-observeerbare keuzes van de bestuurders.2 Naast Holmström gaat ook Baker ervan uit dat ‘almost any piece of data can be used as a performance measure’.3
Een veel gehoorde kritiek op het gebruiken van deze andere variabelen is, dat het baseren van bezoldiging op potentiële aanvullende informatieve variabelen contraproductief kan zijn, omdat het prikkels kan geven aan een bestuurder om inspanningen te verrichten die weliswaar deze variabelen positief beïnvloeden, maar geen (aandeelhouders)waarde creëren of anderszins bijdragen aan het algehele succes van de onderneming.4 Het meten van boekhoudkundige winsten, bijvoorbeeld, kan nuttige informatie verschaffen over de niet-observeerbare handelingen van de bestuurder. Door de bestuurder echter te belonen op basis van boekhoudkundige winsten in plaats van veranderingen in aandeelhouderswaarde wordt er voor de bestuurder niet alleen een prikkel gegenereerd om invloed uit te oefenen op het boekhoudsysteem maar tevens om projecten te negeren met een grote netto contante waarde en te kiezen voor minder waardevolle projecten met een grotere onmiddellijke boekhoudkundige winst.5 Een ander voorbeeld is belonen voor klanttevredenheid. Als klanten tevreden zijn dan heeft dat in de meeste gevallen een positievere uitwerking op de prestaties van de onderneming dan wanneer de klanten ontevreden zijn. Door echter te belonen op basis van klanttevredenheid kan een bepaald handelen gestimuleerd worden waarbij de klanttevredenheid weliswaar verbetert maar dat ten koste gaat van het uiteindelijke succes van de onderneming. Zo kan er bijvoorbeeld voor gekozen worden klanten te allen tijde tegemoet te komen en gratis producten op te sturen. Hierdoor zal de klanttevredenheid naar alle waarschijnlijkheid toenemen terwijl de prestaties van de onderneming niet of zelfs negatief beïnvloed worden.6
“Consider the example of using customer satisfaction as a performance measure. While high levels of customer satisfaction may be a by-product of a well-run organization, and carefully designed studies may show that customer satisfaction is correlated with firm performance, it is nonetheless dangerous to develop an incentive program that pays for happy customers. There are simply too many techniques that increase customer satisfaction that do not increase profits. Should employees begin to be rewarded explicitly for customer satisfaction, they may learn to exploit these non-profitmaximizing ways to curry favor with customers, and drive the performance measure up while driving performance down. Customer satisfaction and firm performance will thus be highly correlated only so long as incentives are not placed on customer satisfaction.”7
Het belonen op basis van afgeleide maatstaven kan er derhalve voor zorgen dat de afgeleide prestatiemaatstaf positief beïnvloed wordt door de bestuurder waardoor het recht ontstaat op een bonus zonder dat er daadwerkelijke waarde is gecreëerd voor de vennootschap. In veel van die gevallen zal er zelfs sprake zijn van waarde-vernietigend gedrag.