Procestaal: Duits.
HvJ EU, 30-04-2024, nr. C-670/22
ECLI:EU:C:2024:372
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
30-04-2024
- Magistraten
K. Lenaerts, L. Bay Larsen, A. Prechal, K. Jürimäe, C. Lycourgos, T. von Danwitz, Z. Csehi, O. Spineanu-Matei, M. Ilešič, J.-C. Bonichot, I. Jarukaitis, A. Kumin, D. Gratsias, M. L. Arastey Sahún, M. Gavalec
- Zaaknummer
C-670/22
- Conclusie
T. Ćapeta
- Roepnaam
Staatsanwaltschaft Berlin (EncroChat)
- Vakgebied(en)
Informatierecht (V)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:372, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 30‑04‑2024
ECLI:EU:C:2023:817, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 26‑10‑2023
Uitspraak 30‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in strafzaken — Richtlijn 2014/41/EU — Europees onderzoeksbevel in strafzaken — Verkrijging van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat — Voorwaarden voor uitvaardiging — Versleuteling van telecommunicatie — EncroChat — Noodzaak van een rechterlijke beslissing — Gebruik van bewijsmateriaal dat in strijd met het Unierecht is verkregen
K. Lenaerts, L. Bay Larsen, A. Prechal, K. Jürimäe, C. Lycourgos, T. von Danwitz, Z. Csehi, O. Spineanu-Matei, M. Ilešič, J.-C. Bonichot, I. Jarukaitis, A. Kumin, D. Gratsias, M. L. Arastey Sahún, M. Gavalec
Partij(en)
In zaak C-670/22,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Berlin (rechter in eerste aanleg Berlijn, Duitsland) bij beslissing van 19 oktober 2022, ingekomen bij het Hof op 24 oktober 2022, in de strafprocedure tegen
M.N.,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, L. Bay Larsen, vicepresident, A. Prechal, K. Jürimäe (rapporteur), C. Lycourgos, T. von Danwitz, Z. Csehi en O. Spineanu-Matei, kamerpresidenten, M. Ilešič, J.-C. Bonichot, I. Jarukaitis, A. Kumin, D. Gratsias, M. L. Arastey Sahún en M. Gavalec, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: D. Dittert, hoofd van een administratieve eenheid, en K. Hötzel, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 juli 2023,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Staatsanwaltschaft Berlin (openbaar ministerie Berlijn, Duitsland), vertegenwoordigd door R. Pützhoven en J. Raupach als gemachtigden,
- —
M.N., vertegenwoordigd door S. Conen, Rechtsanwalt,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, P. Busche en M. Hellmann als gemachtigden,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door L. Halajová, M. Smolek en T. Suchá als gemachtigden,
- —
de Estse regering, vertegenwoordigd door M. Kriisa als gemachtigde,
- —
Ierland, vertegenwoordigd door M. Browne, Chief State Solicitor, M. A. Joyce en D. O'Reilly als gemachtigden, bijgestaan door D. Fennelly, BL,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Gavela Llopis en A. Pérez-Zurita Gutiérrez als gemachtigden,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door G. Bain, R. Bénard, B. Dourthe, B. Fodda en T. Stéhelin als gemachtigden,
- —
de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér als gemachtigde,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman, A. Hanje en J. Langer als gemachtigden,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
- —
de Zweedse regering, vertegenwoordigd door F.-L. Göransson en H. Shev als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Leupold, M. Wasmeier en F. Wilman als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 oktober 2023,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, onder c), artikel 6, lid 1, en artikel 31 van richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (PB 2014, L 130, blz. 1) alsmede van het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure tegen M.N. en betreft de rechtmatigheid van drie Europese onderzoeksbevelen die zijn uitgevaardigd door de Generalstaatsanwaltschaft Frankfurt am Main (parket-generaal Frankfurt am Main, Duitsland; hierna: ‘parket-generaal Frankfurt’).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2002/58
3
Artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB 2002, L 201, blz. 37) bepaalt:
‘De lidstaten kunnen wettelijke maatregelen treffen ter beperking van de reikwijdte van de in de artikelen 5 en 6, artikel 8, leden 1, 2, 3 en 4, en artikel 9 van deze richtlijn bedoelde rechten en plichten, indien dat in een democratische samenleving noodzakelijk, redelijk en proportioneel is ter waarborging van de nationale, d.w.z. de staatsveiligheid, de landsverdediging, de openbare veiligheid, of het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten of van onbevoegd gebruik van het elektronische-communicatiesysteem als bedoeld in artikel 13, lid 1, van richtlijn 95/46/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995, L 281, blz. 31)]. […] Alle in dit lid bedoelde maatregelen dienen in overeenstemming te zijn met de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht, met inbegrip van de beginselen als bedoeld in artikel 6, leden 1 en 2, [VEU].’
Richtlijn 2014/41
4
De overwegingen 2, 5 tot en met 8, 19 en 30 van richtlijn 2014/41 luiden als volgt:
- ‘(2)
Krachtens artikel 82, lid 1, [VWEU] berust de justitiële samenwerking in strafzaken in de [Europese] Unie op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen, dat sinds de Europese Raad van Tampere op 15 en 16 oktober 1999 algemeen beschouwd wordt als een hoeksteen van de justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie.
[…]
- (5)
Na de vaststelling van kaderbesluit 2003/577/JBZ [van de Raad van 22 juli 2003 inzake de tenuitvoerlegging in de Europese Unie van beslissingen tot bevriezing van voorwerpen of bewijsstukken (PB 2003, L 196, blz. 45)] en kaderbesluit 2008/978/JBZ [van de Raad van 18 december 2008 betreffende het Europees bewijsverkrijgingsbevel ter verkrijging van voorwerpen, documenten en gegevens voor gebruik in strafprocedures (PB 2008, L 350, blz. 72)] is duidelijk geworden dat het bestaande kader voor de bewijsgaring te gefragmenteerd en te ingewikkeld is. Daarom is een nieuwe aanpak nodig.
- (6)
In het programma van Stockholm dat door de Europese Raad van 10 en 11 december 2009 is vastgesteld, heeft de Europese Raad besloten dat verder moet worden gewerkt aan de totstandkoming van een op wederzijdse erkenning gebaseerd alomvattend systeem voor de bewijsverkrijging in zaken met een grensoverschrijdende dimensie. De Europese Raad heeft erop gewezen dat de bestaande instrumenten op dit gebied een fragmentarisch geheel vormden en dat een nieuwe aanpak nodig was, die op het beginsel van wederzijdse erkenning is gestoeld, maar waarbij ook de flexibiliteit van het klassieke stelsel van wederzijdse rechtshulp wordt meegenomen. Daarom wilde de Europese Raad een alomvattend systeem — ter vervanging van alle bestaande instrumenten op dit gebied, waaronder [kaderbesluit 2008/978] — dat zo veel mogelijk betrekking heeft op alle soorten bewijsmiddelen, tenuitvoerleggingstermijnen kent en zo weinig mogelijk weigeringsgronden bevat.
- (7)
Deze nieuwe aanpak is gebaseerd op één enkel instrument, dat de naam Europees onderzoeksbevel (EOB) zal dragen. Een EOB moet worden uitgevaardigd met het doel één of meer specifieke onderzoeksmaatregelen in de staat die het EOB ten uitvoer legt (‘de uitvoerende staat’) ten uitvoer te doen leggen met het oog op bewijsgaring. Daarmee wordt ook het verkrijgen van bewijsmateriaal beoogd dat reeds in het bezit is van de uitvoerende autoriteit.
- (8)
Het EOB moet een horizontale werkingssfeer hebben en moet derhalve van toepassing zijn op alle onderzoeksmaatregelen die tot doel hebben bewijs te vergaren. Voor het opzetten van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en de bewijsvergaring door een dergelijk team zijn echter specifieke voorschriften vereist die beter apart kunnen worden behandeld. Bestaande instrumenten moeten derhalve op dit soort onderzoeksmaatregelen van toepassing blijven, onverminderd de toepassing van deze richtlijn.
[…]
- (19)
Het scheppen van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht binnen de Unie is gebaseerd op wederzijds vertrouwen en een vermoeden van naleving door de andere lidstaten van het recht van de Unie, en met name van de grondrechten. Dat vermoeden is evenwel weerlegbaar. Derhalve, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van een in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel [in] een inbreuk op een grondrecht van de betrokkene zou resulteren, en dat de tenuitvoerleggingsstaat zijn verplichtingen betreffende de bescherming van de grondrechten die zijn vervat in het Handvest [van de grondrechten van de Europese Unie; hierna: ‘Handvest'] niet zou nakomen, dient de tenuitvoerlegging van het EOB te worden geweigerd.
[…]
- (30)
De mogelijkheden tot samenwerking op grond van deze richtlijn inzake de interceptie van telecommunicatie mogen niet worden beperkt tot de inhoud van de telecommunicatie, maar kunnen ook het verzamelen van de verkeers- en locatiegegevens in verband met deze telecommunicatie omvatten, zodat de bevoegde autoriteiten een EOB kunnen uitvaardigen dat tot een minder indringende vorm van verkrijging van telecommunicatiegegevens strekt. Een EOB dat strekt tot het verkrijgen van oude verkeers- en locatiegegevens in verband met telecommunicatie moet worden behandeld volgens de algemene regeling inzake de tenuitvoerlegging van het EOB, en kan, afhankelijk van de nationale wetgeving van de uitvoerende staat, als een onderzoeksmaatregel van dwingende of intrusieve aard worden beschouwd.’
5
Artikel 1 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Het Europees onderzoeksbevel en de verplichting tot tenuitvoerlegging ervan’, bepaalt:
- ‘1.
Een Europees onderzoeksbevel (EOB) is een door een rechterlijke autoriteit van een lidstaat (‘de uitvaardigende staat’) uitgevaardigde of erkende rechterlijke beslissing die ertoe strekt in een andere lidstaat (‘de uitvoerende staat’) een of meer specifieke onderzoeksmaatregelen te laten uitvoeren met het oog op het verkrijgen van bewijsmateriaal conform het bepaalde in deze richtlijn.
Het EOB kan tevens worden uitgevaardigd om bewijsmateriaal te verkrijgen dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat.
- 2.
De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn, een EOB ten uitvoer te leggen.’
6
In artikel 2 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Definities’, staat te lezen:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- c)
‘uitvaardigende autoriteit’:
- i)
een in de zaak bevoegde rechter, rechtbank, een onderzoeksrechter of officier van justitie, of
- ii)
iedere andere door de uitvaardigende staat aangeduide bevoegde autoriteit, die in de zaak in kwestie optreedt als strafrechtelijke onderzoeksautoriteit en overeenkomstig de nationale wetgeving bevoegd is opdracht te geven tot bewijsgaring. Voordat het EOB wordt toegezonden aan de uitvoerende autoriteit, wordt het gevalideerd door een rechter, een rechtbank, een onderzoeksrechter of een officier van justitie in de uitvaardigende staat, na onderzoek of het aan de voorwaarden voor het uitvaardigen van een EOB uit hoofde van deze richtlijn, in het bijzonder de in artikel 6, lid 1, gestelde voorwaarden, voldoet. Indien het EOB door een rechterlijke autoriteit is gevalideerd, kan deze autoriteit in het kader van de verzending van het EOB ook als uitvaardigende autoriteit worden aangemerkt;
- d)
‘uitvoerende autoriteit’: een autoriteit die bevoegd is om een EOB in overeenstemming met deze richtlijn en de in een soortgelijke binnenlandse zaak geldende procedures te erkennen en ten uitvoer te laten leggen. In deze procedures kan in de uitvoerende staat krachtens het nationale recht de toestemming van een rechtbank vereist zijn.’
7
Artikel 4 van de richtlijn, met als opschrift ‘Procedures waarvoor een EOB kan worden uitgevaardigd’, bepaalt:
‘Een EOB kan worden uitgevaardigd:
- a)
in verband met een strafprocedure die door of bij een rechterlijke autoriteit is of kan worden ingesteld wegens feiten die volgens het nationale recht van de uitvaardigende staat strafbaar zijn;
[…]’
8
Artikel 6 van richtlijn 2014/41 draagt het opschrift ‘Voorwaarden voor het uitvaardigen en toezenden van een EOB’ en bepaalt:
- ‘1.
De uitvaardigende autoriteit kan een EOB alleen uitvaardigen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
het uitvaardigen van het EOB is noodzakelijk voor en staat in verhouding tot het doel van de in artikel 4 bedoelde procedure, daarbij rekening houdend met de rechten van de verdachte of beschuldigde persoon, en
- b)
de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel(en) had(den) in dezelfde omstandigheden in een vergelijkbare binnenlandse zaak bevolen kunnen worden.
- 2.
De uitvaardigende autoriteit beoordeelt per geval of aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden is voldaan.
- 3.
Indien de uitvoerende autoriteit redenen heeft om aan te nemen dat niet is voldaan aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden, kan zij met de uitvaardigende autoriteit in overleg treden over het belang van de tenuitvoerlegging van het EOB. Na dat overleg kan de uitvaardigende autoriteit besluiten het EOB in te trekken.’
9
Artikel 14 van de richtlijn draagt als opschrift ‘Rechtsmiddelen’ en bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten zien erop toe dat op de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregelen rechtsmiddelen toepasselijk zijn die gelijkwaardig zijn met die welke in een vergelijkbare binnenlandse zaak mogelijk zijn.
[…]
- 7.
Indien de erkenning of tenuitvoerlegging van een EOB met succes is aangevochten, wordt daarmee in de uitvaardigende staat in overeenstemming met het eigen nationale recht rekening gehouden. Onverminderd de nationale procedurele voorschriften zorgen de lidstaten ervoor dat, bij het beoordelen van het middels het EOB verkregen bewijsmateriaal, de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedures tijdens een strafprocedure in de uitvaardigende staat worden gewaarborgd.’
10
In artikel 30 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Interceptie van telecommunicatie met technische hulp van een andere lidstaat’, wordt bepaald:
- ‘1.
Een EOB kan worden uitgevaardigd voor de interceptie van telecommunicatie in de lidstaat van waaruit technische bijstand nodig is.
[…]
- 7.
Bij de uitvaardiging van het in lid 1 bedoelde EOB of tijdens de interceptie mag de uitvaardigende autoriteit, indien zij daarvoor een bijzondere reden heeft, ook een transcriptie, decodering of ontsleuteling vragen van de opname, mits zij de instemming van de uitvoerende autoriteit heeft verkregen.
- 8.
Kosten die voortvloeien uit de toepassing van dit artikel worden gedragen overeenkomstig artikel 21, met uitzondering van de kosten die voortvloeien uit de transcriptie, decodering of ontsleuteling van de geïntercepteerde telecommunicatie, die door de uitvaardigende staat worden gedragen.’
11
Artikel 31 van die richtlijn draagt het opschrift ‘Kennisgeving aan de lidstaat waar de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich bevindt en van welke geen technische bijstand vereist is’ en bepaalt:
- ‘1.
Indien de bevoegde autoriteit van één lidstaat (de ‘intercepterende lidstaat’) ten behoeve van de uitvoering van een onderzoeksmaatregel toestemming heeft gegeven voor interceptie van telecommunicatie, en het communicatieadres van de in de interceptieopdracht genoemde persoon op wie de interceptie betrekking heeft, in gebruik is op het grondgebied van een andere lidstaat (de ‘in kennis gestelde lidstaat’) en de interceptie kan worden uitgevoerd zonder de technische bijstand van die lidstaat, stelt de intercepterende lidstaat de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat van de interceptie in kennis, en wel:
- a)
voorafgaand aan de interceptie in de gevallen waarin de bevoegde autoriteit van de intercepterende lidstaat op het tijdstip van het geven van de interceptieopdracht weet dat de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich op het grondgebied van de in kennis gestelde lidstaat bevindt of zal bevinden;
- b)
tijdens of na de interceptie, zodra de intercepterende lidstaat te weten komt dat de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich tijdens de interceptie op het grondgebied van de in kennis gestelde lidstaat bevindt of heeft bevonden.
- 2.
De in lid 1 bedoelde kennisgeving geschiedt middels het formulier in bijlage C.
- 3.
Indien de interceptie in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou zijn toegestaan, kan de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat onverwijld en uiterlijk 96 uur na ontvangst van de in lid 1 bedoelde kennisgeving, de bevoegde autoriteit van de intercepterende lidstaat ervan in kennis stellen:
- a)
dat de interceptie niet mag worden uitgevoerd of dat zij moet worden beëindigd, en
- b)
dat waar nodig, materiaal dat reeds is geïntercepteerd terwijl de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich op haar grondgebied bevond, niet mag worden gebruikt of alleen mag worden gebruikt op de voorwaarden die zij stelt. De bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat deelt de bevoegde autoriteit van de intercepterende lidstaat de redenen voor deze voorwaarden mee.
[…]’
12
Artikel 33 van richtlijn 2014/41, met als opschrift ‘Kennisgevingen’, somt in lid 1 de gegevens op die moeten worden meegedeeld aan en beschikbaar moeten worden gesteld voor alle lidstaten en het Europees justitieel netwerk (EJN), dat is opgericht bij gemeenschappelijk optreden 98/428/JBZ van 29 juni 1998 door de Raad aangenomen op grond van artikel K.3 [EU], tot oprichting van een Europees justitieel netwerk (PB 1998, L 191, blz. 4).
Duits recht
13
De interceptie van telecommunicatie ten behoeve van strafrechtelijke vervolging wordt geregeld in de Strafprozessordnung (wetboek van strafvordering; hierna: ‘StPO’).
14
Op grond van § 100a, lid 1, eerste tot en met derde volzin, StPO zijn respectievelijk toegestaan: de controle van lopende communicatie in de vorm van een ‘klassieke’ controle van de telecommunicatie, het toezicht op lopende communicatie door de installatie van spyware op eindapparaten (‘interceptie van telecommunicatie aan de bron’) en de inbeslagneming van afgesloten communicatie die op de datum van uitvaardiging van het bevel van het Landgericht (rechter in eerste aanleg, Duitsland) waarbij de betrokken maatregel werd gelast, reeds op een apparaat opgeslagen was (‘beperkte onlinedoorzoeking’). Krachtens § 100b StPO is het mogelijk om alle gegevens te lezen die zijn opgeslagen op een eindapparaat (‘onlinedoorzoeking’).
15
Voor al deze maatregelen is het vereist dat er sprake is van een concreet vermoeden dat een strafbaar feit is gepleegd, waarbij de bedoelde categorie strafbare feiten beperkt is tot bepaalde feiten die zijn opgesomd in § 100a, lid 2, en § 100b, lid 2, StPO.
16
Krachtens § 100e, leden 1 en 2, StPO kunnen dergelijke maatregelen bovendien alleen op verzoek van het betrokken openbaar ministerie door het bevoegde Landgericht worden gelast. Volgens § 100e, lid 2, StPO, gelezen in samenhang met § 74a, lid 4, van het Gerichtsverfassungsgesetz (wet op de rechterlijke organisatie, GVG) van 12 september 1950 (BGBl. 1950 I, blz. 455), valt een onlinedoorzoeking in dit verband onder de uitsluitende bevoegdheid van een gespecialiseerde kamer van dat Landgericht.
17
Het Gesetz über die internationale Rechtshilfe in Strafsachen (wet betreffende internationale rechtshulp in strafzaken) van 23 december 1982 (BGBl. 1982 I, blz. 2071), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: ‘IRG’), bepaalt niet uitdrukkelijk welke autoriteit bevoegd is om Europese onderzoeksbevelen uit te vaardigen. Onder verwijzing naar § 161 StPO kan een Europees onderzoeksbevel dat is gericht op de controle van telecommunicatie in het buitenland derhalve tijdens het onderzoek voorafgaand aan de tenlastelegging worden uitgevaardigd door het openbaar ministerie.
18
§ 91g, lid 6, IRG, waarbij artikel 31 van richtlijn 2014/41 naar Duits recht is omgezet, bepaalt dat de bevoegde autoriteit waaraan een lidstaat zijn voornemen meedeelt om op Duits grondgebied een interceptiemaatregel uit te voeren, de uitvoering van die maatregel of het gebruik van de onderschepte gegevens uiterlijk binnen 96 uur moet verbieden of aan het gebruik van die gegevens voorwaarden moet verbinden wanneer die maatregel in een vergelijkbaar geval op nationaal niveau niet is toegestaan. Het IRG specificeert evenwel niet of de maatregel moet worden gemeld bij het bevoegde Landgericht of bij het betrokken parket. § 92d IRG regelt alleen de relatieve bevoegdheid van de bevoegde autoriteit.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
19
In het kader van een door de Franse autoriteiten verricht onderzoek is gebleken dat verdachten mobiele cryptotelefoons gebruikten met een ‘EncroChat’-licentie om strafbare feiten te plegen die hoofdzakelijk verband hielden met de handel in verdovende middelen. Dankzij speciale software en gewijzigde hardware kon met deze mobiele telefoons via een in Roubaix (Frankrijk) geïnstalleerde server eind-tot-eind versleutelde communicatie plaatsvinden, die niet kon worden geïntercepteerd met de gebruikelijke onderzoeksmethoden (hierna: ‘EncroChat-dienst’).
20
De Franse politie is erin geslaagd om, met toestemming van een rechter, in 2018 en 2019 gegevens van deze server op te slaan. Met deze gegevens kon een gemeenschappelijk onderzoeksteam met onder meer Nederlandse deskundigen software — een ‘Trojaans paard’ — ontwikkelen. Deze software is in het voorjaar van 2020, met toestemming van de tribunal correctionnel de Lille (rechter in eerste aanleg, bevoegd voor bepaalde strafzaken, Lille, Frankrijk), op die server en van daaruit via een valse update ook op de genoemde mobiele telefoons geïnstalleerd. Op een totaal van 66 134 geregistreerde gebruikers werd deze software bij 32 477 gebruikers in 122 verschillende landen, van wie ongeveer 4 600 in Duitsland, geïnstalleerd.
21
Op 9 maart 2020 hebben vertegenwoordigers van het Bundeskriminalamt (federale recherche, Duitsland; hierna: ‘BKA’) en van het parket-generaal Frankfurt, alsmede vertegenwoordigers van met name de Franse en de Nederlandse autoriteiten en de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk deelgenomen aan een videoconferentie die was georganiseerd door het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust). Tijdens die conferentie hebben de vertegenwoordigers van de Franse en de Nederlandse autoriteiten de vertegenwoordigers van de autoriteiten van de andere lidstaten geïnformeerd over het onderzoek dat zij verrichtten tegen een onderneming die mobiele cryptotelefoons exploiteerde, en over de interceptiemaatregel die zij overwogen, ook met betrekking tot gegevens van mobiele telefoons die zich niet op Frans grondgebied bevonden. De vertegenwoordigers van de Duitse autoriteiten hebben blijk gegeven van hun belangstelling voor de gegevens van de Duitse gebruikers.
22
In een nota van 13 maart 2020 heeft het BKA aangekondigd een onderzoek in te stellen tegen een onbekende groep gebruikers van de EncroChat-dienst wegens vermeende georganiseerde handel in niet geringe hoeveelheden drugs en deelneming aan een criminele organisatie. Het BKA heeft de instelling van dat onderzoek gerechtvaardigd door erop te wijzen dat het gebruik van de EncroChat-dienst als zodanig aanleiding gaf tot de verdenking van het plegen van ernstige strafbare feiten, met name het organiseren van de handel in verdovende middelen.
23
Op basis van die nota heeft het parket-generaal Frankfurt op 20 maart 2020 onder de naam ‘Eilt’ een onderzoek ingesteld tegen onbekenden (hierna: ‘UJs-procedure’).
24
Op 27 maart 2020 heeft het BKA via het beveiligde informatie-uitwisselingssysteem van het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol), ‘Secure Information Exchange Network Application’ (SIENA) genaamd, een bericht ontvangen dat door het gemeenschappelijk onderzoeksteam was verzonden naar de politieautoriteiten van de lidstaten die geïnteresseerd waren in de gegevens van de EncroChat-dienst. De bevoegde autoriteiten van die lidstaten werd verzocht om schriftelijk te bevestigen dat zij waren geïnformeerd over de methoden die waren gebruikt voor het vergaren van de gegevens van mobiele telefoons op hun grondgebied. Zij moesten ook garanderen dat de gegevens in beginsel aanvankelijk alleen voor analysedoeleinden zouden worden overgedragen en pas na toestemming van de lidstaten van het gemeenschappelijk onderzoeksteam voor lopende onderzoeksprocedures zouden worden gebruikt. Volgens de verwijzende rechter heeft het BKA in overleg met het parket-generaal Frankfurt de gevraagde verklaringen gegeven.
25
Van 3 april tot 28 juni 2020 heeft het BKA de gegevens met betrekking tot in Duitsland gebruikte mobiele telefoons geraadpleegd die dagelijks op de server van Europol werden geplaatst.
26
Op 2 juni 2020 heeft het parket-generaal Frankfurt de Franse autoriteiten in het kader van de UJs-procedure door middel van een eerste EOB verzocht om toestemming voor het onbeperkte gebruik van de gegevens van de EncroChat-dienst in strafprocedures. Dat parket-generaal heeft zijn verzoek gemotiveerd door uiteen te zetten dat het BKA door Europol was geïnformeerd dat in Duitsland een groot aantal zeer ernstige strafbare feiten, waaronder de invoer van en de handel in niet geringe hoeveelheden drugs, werd gepleegd met behulp van mobiele telefoons die met die dienst waren uitgerust, en dat op dat moment nog niet geïdentificeerde personen ervan werden verdacht in Duitsland zeer ernstige strafbare feiten te plannen en te plegen met behulp van gecodeerde communicatie.
27
Naar aanleiding van dit verzoek heeft de tribunal correctionnel de Lille toestemming verleend voor de overdracht en het gerechtelijke gebruik van de gegevens van de met de EncroChat-dienst uitgeruste mobiele telefoons van de Duitse gebruikers. Daarna zijn er nog meer gegevens overgedragen op basis van twee aanvullende EOB's van respectievelijk 9 september 2020 en 2 juli 2021 (hierna samen met het EOB van 2 juni 2020: ‘EOB's’).
28
Vervolgens heeft het parket-generaal Frankfurt de UJs-procedure uitgesplitst en de onderzoeksprocedures tegen bepaalde gebruikers, onder wie M.N., toegewezen aan plaatselijke parketten. In dat kader vraagt het Landgericht Berlin (rechter in eerste aanleg Berlijn, Duitsland), de verwijzende rechter, zich af of de EOB's rechtmatig zijn in het licht van richtlijn 2014/41.
29
Met een eerste reeks van drie vragen tracht deze rechter vast te stellen welke autoriteit bevoegd was om de EOB's uit te vaardigen.
30
In dit verband wijst de verwijzende rechter erop dat het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) in een beschikking van 2 maart 2022 in zaak 5 StR 457/21 (DE:BGH:2022:020322B5STRT457.21.0) heeft geoordeeld dat het parket-generaal Frankfurt, dat onderzoek verricht in het kader van de UJs-procedure, bevoegd was om EOB's uit te vaardigen voor de overdracht van bewijsmateriaal (hierna: ‘beschikking van het Bundesgerichtshof van 2 maart 2022’). De verwijzende rechter deelt deze uitlegging evenwel niet. Hij neigt tot het oordeel dat, overeenkomstig artikel 6, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 2, onder c), van richtlijn 2014/41 alleen een rechterlijke instantie de EOB's had kunnen uitvaardigen.
31
De verwijzende rechter beroept zich in dit verband op de arresten van 2 maart 2021, Prokuratuur (Voorwaarden voor toegang tot elektronische-communicatiegegevens) (C-746/18, EU:C:2021:152), en 16 december 2021, Spetsializirana prokuratura (Verkeers- en locatiegegevens) (C-724/19, EU:C:2021:1020). Meer in het bijzonder baseert hij zich op de uiteenzettingen van het Hof, in de uit deze arresten voortvloeiende rechtspraak, met betrekking tot de uitlegging van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58 in het licht van de grondrechten die zijn ontleend aan de artikelen 7, 8 en 11 van het Handvest. Volgens de verwijzende rechter is deze rechtspraak toepasbaar op de uitlegging van artikel 6, lid 1, onder a), van richtlijn 2014/41.
32
Voor de toegang van de Duitse vervolgingsautoriteiten tot de gegevens van de EncroChat-dienst via EOB's, moeten soortgelijke criteria gelden als voor de toegang tot gegevens die overeenkomstig artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58 zijn bewaard, aldus de verwijzende rechter. Het feit dat de gegevens van deze dienst niet op administratief bevel door een telecommunicatie-exploitant zijn opgeslagen maar rechtstreeks door de Franse vervolgingsautoriteiten zijn verzameld, vormt geen rechtvaardiging voor een andere oplossing. Integendeel, dit feit heeft de inmenging in de grondrechten van de betrokkenen verergerd.
33
Bovendien vloeit volgens de verwijzende rechter uit artikel 2, onder c), van richtlijn 2014/41 voort dat een EOB ter fine van strafrechtelijke vervolging, ongeacht de nationale bevoegdheidsregels in een vergelijkbare situatie op nationaal niveau, altijd moet worden uitgevaardigd door een rechter die niet belast is met concrete onderzoeksmaatregelen, wanneer de in artikel 6, lid 1, onder a), van die richtlijn bedoelde evenredigheidscontrole een complexe afweging van de aanwezige belangen noodzakelijk maakt en er sprake is van ernstige inbreuken op grondrechten.
34
De tweede en de derde reeks vragen van de verwijzende rechter hebben betrekking op de materiële voorwaarden voor de uitvaardiging van een EOB.
35
In de eerste plaats is deze rechter van oordeel dat een EOB ter fine van de toegang tot gegevens die zijn verkregen uit interceptie van telecommunicatie met het oog op strafrechtelijke vervolging enkel voldoet aan de voorwaarden van evenredigheid die zijn genoemd in artikel 6, lid 1, onder a), van richtlijn 2014/41 indien tegen elk van de betrokken personen op grond van concrete feiten een vermoeden van deelneming aan een ernstig strafbaar feit bestaat.
36
In dit verband is deze rechter het niet eens met de vaststelling in de beschikking van het Bundesgerichtshof van 2 maart 2022 dat louter een niet gespecificeerde verdenking van meerdere strafbare feiten volstaat om EOB's uit te vaardigen. Hij baseert zijn twijfel op de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de rechtmatigheid van de bewaring van gegevens, met name de beoordelingen inzake evenredigheid in de zin van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, en beroept zich in dit verband op de arresten van 2 maart 2021, Prokuratuur (Voorwaarden voor toegang tot elektronische-communicatiegegevens) (C-746/18, EU:C:2021:152, punten 39, 40 en 50), en 5 april 2022, Commissioner of An Garda Síochána e.a. (C-140/20, EU:C:2022:258, punt 44). In dit verband kan niet worden aangevoerd dat de bescherming van de grondrechten van de betrokkenen in het kader van de nationale procedure voldoende wordt gewaarborgd door de nationale regels met betrekking tot de strafrechtelijke procedure.
37
De kwestie van de evenredigheid van een EOB werpt bij de verwijzende rechter tevens vragen op over het recht op een eerlijk proces dat is verankerd in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest en in artikel 6, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit recht vereist dat een partij in een gerechtelijke procedure de daadwerkelijke mogelijkheid wordt geboden om opmerkingen te maken over bewijsmateriaal. Dit geldt met name wanneer het bewijs afkomstig is van een technisch gebied waarop de bevoegde rechter en de partij in de procedure geen gespecialiseerde kennis hebben.
38
In de tweede plaats herinnert de verwijzende rechter eraan dat de uitvaardigende autoriteit overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder b), van richtlijn 2014/41 de in het EOB vermelde maatregel moet toetsen aan het nationale recht.
39
In zijn beschikking van 2 maart 2022 heeft het Bundesgerichtshof evenwel geoordeeld dat deze bepaling niet van toepassing was in het hoofdgeding. Deze bepaling heeft slechts betrekking op een nog ten uitvoer te leggen EOB tot bewijsgaring. Zij is niet van toepassing op een EOB dat enkel de overdracht van reeds verzameld bewijsmateriaal tot doel heeft. Toetsing van de maatregel aan het nationale recht is dus overbodig.
40
De verwijzende rechter is daarentegen van oordeel dat de autoriteit die een EOB uitvaardigt in dat geval de onderzoeksmaatregel die aanleiding heeft gegeven tot het verzamelen van de gegevens moet toetsen aan het nationale recht. Met andere woorden, deze autoriteit kan bewijs dat is verzameld in de uitvoerende staat alleen door middel van een EOB opvragen indien de onderzoeksmaatregel op basis waarvan dat bewijs is verzameld, in een vergelijkbare nationale situatie in de uitvaardigende staat zou zijn toegestaan.
41
De vierde reeks vragen van de verwijzende rechter heeft betrekking op de uitlegging van artikel 31 van richtlijn 2014/41.
42
Deze rechter is van oordeel dat, wanneer een lidstaat de telecommunicatie van personen op Duits grondgebied wenst te intercepteren, die lidstaat de bevoegde Duitse autoriteit voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van de maatregel of zodra hij te weten komt op welke locatie die personen zich bevinden, overeenkomstig dit artikel in kennis moet stellen.
43
In zijn beschikking van 2 maart 2022 heeft het Bundesgerichtshof betwist dat de Franse gegevensextractiemaatregel een ‘interceptie van telecommunicatie’ in de zin van artikel 31, lid 1, van richtlijn 2014/41 vormt. Het oordeel van de verwijzende rechter luidt anders. Hij stelt vast dat de Franse onderzoeksautoriteiten de bevoegde Duitse autoriteit in kennis hadden moeten stellen van de maatregel om de met de EncroChat-dienst uitgeruste Duitse mobiele telefoons te infiltreren voordat deze maatregel ten uitvoer werd gelegd.
44
De Duitse wet bepaalt weliswaar dat deze autoriteit relatief bevoegd is, maar verduidelijkt niet of een dergelijke kennisgeving moet worden gedaan aan een Landgericht of het betrokken openbaar ministerie. Aangegeven wordt dat er op dit punt sprake is van een controverse in de Duitse rechtspraak en de Duitse rechtsleer. De verwijzende rechter is er voorstander van om het in artikel 31, lid 1, van richtlijn 2014/41 genoemde begrip ‘bevoegde autoriteit’ aldus uit te leggen dat dit enkel kan verwijzen naar een onafhankelijke instantie die niet met enig onderzoek belast is en die geen belang heeft bij de gegevens voor onderzoeksdoeleinden, dat wil zeggen een rechterlijke instantie.
45
In geval van grensoverschrijdende maatregelen die op het niveau van het grondgebied van de Unie en in het gelijktijdige belang van meerdere lidstaten worden uitgevoerd, zijn het begrip ‘EOB’ als gebruikt in artikel 2, onder c), van richtlijn 2014/41, en het begrip ‘kennisgeving’ in artikel 31 van die richtlijn namelijk grotendeels onderling verwisselbaar, aldus de verwijzende rechter. Bijgevolg is het wenselijk om de bevoegdheden van de autoriteiten die met die maatregelen belast zijn, op elkaar af te stemmen.
46
De verwijzende rechter plaatst ook vraagtekens bij het doel van bescherming van de soevereiniteit van de lidstaten, dat met artikel 31 van richtlijn 2014/41 zou worden nagestreefd, gelet op de bijzonder grote gevoeligheid van een geheime inmenging in communicatie.
47
De vijfde reeks vragen heeft betrekking op de gevolgen van een eventuele schending van het Unierecht in het licht van het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel.
48
De verwijzende rechter merkt op dat de nationale beslissingen met betrekking tot gegevens die voortvloeien uit het gebruik van de EncroChat-dienst uitgaan van het principe dat ten eerste die gegevens bruikbaar zijn en dat ten tweede, in het geval dat schendingen van het Unierecht denkbaar zijn, niettemin voorrang moet worden gegeven aan strafrechtelijke vervolging, gelet op de ernst van de strafbare feiten die op basis van die gegevens zijn vastgesteld.
49
Deze rechter betwijfelt evenwel of deze benadering in overeenstemming is met het Unierecht, en met name met het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel.
50
Wat het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, merkt deze rechter op dat gegevens die zijn verkregen met behulp van telefoontaps met miskenning van de bevoegdheid van de rechter ter zake en zonder een concreet vermoeden van een strafbaar feit, onbruikbaar zijn.
51
Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, wordt erop gewezen dat uit het arrest van 2 maart 2021, Prokuratuur (Voorwaarden voor toegang tot elektronische-communicatiegegevens) (C-746/18, EU:C:2021:152), punt 43), blijkt dat het doel om te voorkomen dat onrechtmatig verkregen informatie en bewijzen ongerechtvaardigd nadeel toebrengen aan een persoon die ervan wordt verdacht stafbare feiten te hebben gepleegd, niet alleen kan worden bereikt door een verbod op het gebruik van dergelijke informatie en bewijzen, maar ook door de inaanmerkingneming van het onrechtmatige karakter ervan bij de beoordeling van het bewijsmateriaal of bij de straftoemeting.
52
Volgens de verwijzende rechter vloeit het verbod om onrechtmatig verkregen bewijs te gebruiken rechtstreeks voort uit het doeltreffendheidsbeginsel van het Unierecht. Dit verbod is zijns inziens in het hoofdgeding van toepassing aangezien het algemene beginsel van het recht op een eerlijk proces in meerdere opzichten is geschonden, met name doordat de met de EOB's gevraagde gegevens niet door een technisch deskundige konden worden gecontroleerd omdat zij door de Franse autoriteiten waren aangemerkt als ‘defensiegeheim’.
53
Bovendien leidt deze rechter uit de arresten van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a. (C-511/18, C-512/18 en C-520/18, EU:C:2020:791, punt 141); 2 maart 2021, Prokuratuur (Voorwaarden voor toegang tot elektronische-communicatiegegevens) (C-746/18, EU:C:2021:152, punt 50), en 5 april 2022, Commissioner of An Garda Síochána e.a. (C-140/20, EU:C:2022:258, punt 65), af dat het doel van de bestrijding van ernstige strafbare feiten een algemene en ongedifferentieerde bewaring van persoonlijke gegevens niet kan rechtvaardigen. Indien gegevens aldus op onrechtmatige wijze en zonder opgave van reden worden bewaard, krijgen de vervolgende autoriteiten daar later geen toegang toe, ook al is het de bedoeling om ze in een concreet geval te gebruiken om ernstige feiten op te helderen, aldus de verwijzende rechter.
54
In deze omstandigheden heeft het Landgericht Berlin de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om beantwoording van de volgende prejudiciële vragen:
- ‘1)
Uitlegging van het begrip ‘uitvaardigende autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2014/41, gelezen in samenhang met artikel 2, onder c), ervan:
- a)
Moet een [EOB] ter verkrijging van bewijsmateriaal dat zich reeds in de uitvoerende staat (in casu Frankrijk) bevindt, door een rechter worden uitgevaardigd wanneer naar het recht van de uitvaardigende staat (in casu Duitsland) in een vergelijkbare binnenlandse zaak de onderliggende bewijsgaring door de rechter had moeten worden bevolen?
- b)
Subsidiair, is dit althans het geval wanneer de uitvoerende staat de onderliggende maatregel op het grondgebied van de uitvaardigende staat ten uitvoer heeft gelegd teneinde de vergaarde gegevens vervolgens ter beschikking te stellen van de onderzoeksautoriteiten in de uitvaardigende staat die ter fine van strafvervolging in de gegevens geïnteresseerd zijn?
- c)
Moet een [EOB] ter verkrijging van bewijsmateriaal ongeacht de bevoegdheidsregels van de uitvaardigende staat steeds worden uitgevaardigd door een rechter (of een onafhankelijke instantie die niet met strafrechtelijk onderzoek is belast), wanneer met de maatregel ernstige inmenging in zwaarwegende grondrechten gemoeid is?
- 2)
Uitlegging van artikel 6, lid 1, onder a), van richtlijn 2014/41:
- a)
Staat artikel 6, lid 1, onder a), van richtlijn 2014/41 in de weg aan een [EOB] ter fine van de overdracht van reeds in de uitvoerende staat (Frankrijk) aanwezige gegevens die verkregen zijn uit interceptie van telecommunicatie — met name verkeers- en locatiegegevens en opnamen van de inhoud van de communicatie —, wanneer de interceptie door de uitvoerende staat betrekking had op alle gebruikers van een communicatienetwerk, het [EOB] gericht is op de overdracht van de gegevens van alle op het grondgebied van de uitvaardigende staat gebruikte aansluitingen, en er noch bij de instelling en de uitvoering van de interceptiemaatregel, noch bij de uitvaardiging van het [EOB] concreet bewijsmateriaal bestond dat deze individuele gebruikers ernstige strafbare feiten pleegden?
- b)
Staat artikel 6, lid 1, onder a), van richtlijn 2014/41 in de weg aan een dergelijk [EOB], wanneer de integriteit van de door middel van de interceptiemaatregel verkregen gegevens vanwege omvattende geheimhouding door de overheidsinstanties in de uitvoerende staat niet kan worden geverifieerd?
- 3)
Uitlegging van artikel 6, lid 1, onder b), van richtlijn 2014/41:
- a)
Staat artikel 6, lid 1, onder b), van richtlijn 2014/41 in de weg aan een [EOB] ter fine van de overdracht van reeds in de uitvoerende staat ([in casu] Frankrijk) aanwezige telecommunicatiegegevens, wanneer de interceptiemaatregel van de uitvoerende staat die aan de vergaring van de gegevens ten grondslag ligt naar het recht van de uitvaardigende staat ([in casu] Duitsland) in een vergelijkbare binnenlandse zaak onrechtmatig zou zijn geweest?
- b)
Subsidiair, geldt dit in ieder geval, wanneer de uitvoerende staat de interceptie op het grondgebied van de uitvaardigende staat en in diens belang heeft uitgevoerd?
- 4)
- a)
Is een op de infiltratie van eindapparatuur betrekking hebbende maatregel voor de vergaring van verkeers-, locatie- en communicatiegegevens van een internet-gebaseerde communicatiedienst een interceptie van telecommunicatie in de zin van artikel 31 van richtlijn 2014/41?
- b)
Moet de kennisgeving overeenkomstig artikel 31, lid 1, van richtlijn 2014/41 altijd worden gericht aan een rechter, of geldt dit tenminste wanneer de door de intercepterende staat ([in casu] Frankrijk) voorgenomen maatregel naar het recht van de in kennis gestelde staat ([in casu] Duitsland) in een vergelijkbare binnenlandse zaak slechts door een rechter zou kunnen worden bevolen?
- c)
Voor zover artikel 31 van richtlijn 2014/41 ook de eerbiediging van de individuele rechten van de betrokken telecommunicatiegebruikers ten doel heeft, strekt dit zich dan ook uit tot het gebruik van de gegevens ten behoeve van strafvervolging in de in kennis gestelde staat ([in casu] Duitsland) en, zo ja, is dit doel gelijkwaardig met de nevendoelstelling om de soevereiniteit van de in kennis gestelde lidstaat te beschermen?
- 5)
Rechtsgevolgen van de verkrijging van bewijsmateriaal die in strijd is met het Unierecht:
- a)
Kan, ingeval bewijsmateriaal wordt verkregen door middel van een [EOB] dat strijdig is met het Unierecht, de niet-toelaatbaarheid van dit bewijsmateriaal rechtstreeks voortvloeien uit het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel?
- b)
Leidt, ingeval bewijsmateriaal wordt verkregen door een [EOB] dat strijdig is met het Unierecht, het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel tot de niet-toelaatbaarheid van bewijsmateriaal, wanneer de maatregel die aan de bewijsgaring in de uitvoerende staat ten grondslag ligt in een vergelijkbare binnenlandse zaak in de uitvaardigende staat niet had mogen worden bevolen en het op grond van een dergelijke onrechtmatige binnenlandse maatregel verkregen bewijsmateriaal naar het recht van de uitvaardigende staat niet zou kunnen worden gebruikt?
- c)
Is het strijdig met het Unierecht, en in het bijzonder met het doeltreffendheidsbeginsel, wanneer het gebruik in een strafprocedure van bewijsmateriaal waarvan de verkrijging in strijd was met het Unierecht juist omdat er geen verdenking bestond, in het kader van een belangenafweging wordt gerechtvaardigd door de ernst van de feiten die voor het eerst bij de analyse van het bewijsmateriaal aan het licht zijn gekomen?
- d)
Subsidiair, vloeit uit het Unierecht, en in het bijzonder het doeltreffendheidsbeginsel, voort dat schendingen van het Unierecht bij het verkrijgen van bewijsmateriaal ook in geval van ernstige strafbare feiten in een nationale strafprocedure niet geheel zonder gevolgen mogen blijven en dus op zijn minst bij de beoordeling van het bewijsmateriaal of bij de bepaling van de strafmaat ten gunste van de verdachte in aanmerking moeten worden genomen?’
Procedure bij het Hof
55
De verwijzende rechter heeft verzocht om deze zaak te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
56
Ter ondersteuning van zijn verzoek merkt hij op dat de behandeling van het hoofdgeding bijzonder dringend is. Hoewel het nationale aanhoudingsbevel tegen M.N. momenteel niet ten uitvoer wordt gelegd, kan een vermijdbare en aan de staat te wijten verlenging van de procedure namelijk de nietigverklaring van dat aanhoudingsbevel met zich meebrengen. De beslissing van het Hof is ook van belang voor talloze soortgelijke lopende procedures.
57
Artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat de president van het Hof op verzoek van de verwijzende rechter, of bij wijze van uitzondering ambtshalve, wanneer de aard van de zaak een behandeling binnen korte termijnen vereist, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, kan beslissen een prejudiciële verwijzing te behandelen volgens een versnelde procedure die afwijkt van de bepalingen van dat Reglement.
58
In dit verband zij eraan herinnerd dat een dergelijke versnelde procedure een procedureel instrument betreft dat is bedoeld om buitengewoon spoedeisende situaties te behandelen (arrest van 21 december 2021, Randstad Italia, C-497/20, EU:C:2021:1037, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59
In casu heeft de president van het Hof op 16 november 2022, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, besloten het in punt 55 van het onderhavige arrest genoemde verzoek af te wijzen.
60
In de eerste plaats is tegen M.N. namelijk geen vrijheidsbenemende maatregel genomen, waardoor de omstandigheid dat de verwijzende rechter alles in het werk dient te stellen voor een snelle afwikkeling van het hoofdgeding niet volstaat om te rechtvaardigen dat een versnelde procedure op grond van artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt toegepast (zie in die zin beschikkingen van de president van het Hof van 7 oktober 2013, Rabal Cañas, C-392/13, EU:C:2013:877, punt 15, en 20 september 2018, Minister for Justice and Equality, C-508/18 en C-509/18, EU:C:2018:766, punt 13, alsmede arrest van 13 juli 2023, Ferrovienord, C-363/21 en C-364/21, EU:C:2023:563, punt 46).
61
In de tweede plaats is het belang van de prejudiciële vragen of het feit dat een groot aantal personen of juridische situaties mogelijkerwijs wordt geraakt door die vragen, als zodanig geen reden tot buitengewone spoedeisendheid, welke echter noodzakelijk is om een versnelde behandeling te rechtvaardigen [beschikking van de president van het Hof van 21 september 2004, Parlement/Raad, C-317/04, EU:C:2004:834, punt 11, en arrest van 21 december 2023, GN (Weigeringsgrond gebaseerd op het belang van het kind), C-261/22, EU:C:2023:1017, punt 30].
62
De president van het Hof heeft niettemin besloten om de onderhavige zaak overeenkomstig artikel 53, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering bij voorrang te behandelen.
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
63
De Staatsanwaltschaft Berlin (openbaar ministerie Berlijn, Duitsland) en een aantal regeringen die bij het Hof opmerkingen hebben ingediend, betogen dat bepaalde prejudiciële vragen niet-ontvankelijk zijn omdat zij in wezen hypothetisch of te algemeen zijn, of betrekking hebben op een beoordeling van de feiten of de nationale wetgeving.
64
Volgens vaste rechtspraak is het in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te nemen rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen (zie in die zin arrest van 16 december 1981, Foglia, 244/80, EU:C:1981:302, punt 15). Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het recht van de Unie, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van 20 september 2022, VD en SR, C-339/20 en C-397/20, EU:C:2022:703, punt 56).
65
Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen over een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (zie in die zin arresten van 15 december 1995, Bosman, C-415/93, EU:C:1995:463, punt 61, en 20 september 2022, VD en SR, C-339/20 en C-397/20, EU:C:2022:703, punt 57).
66
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat bepaalde bedenkingen van de verwijzende rechter inderdaad hun oorsprong vinden in het nationale recht en dat bepaalde feitelijke beoordelingen nog door deze rechter moeten worden verricht.
67
Uit vaste rechtspraak blijkt ten eerste evenwel dat de nationale rechterlijke instanties de bevoegdheid om zich tot het Hof te wenden mogen uitoefenen op elk tijdstip in de procedure dat zij daarvoor geschikt achten. Zij zijn immers uitsluitend bevoegd om het gunstigste moment te kiezen voor het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof (zie in die zin arrest van 5 juli 2016, Ognyanov, C-614/14, EU:C:2016:514, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68
Ten tweede moet worden opgemerkt dat de prejudiciële vragen betrekking hebben op de uitlegging van duidelijk afgebakende bepalingen van het Unierecht die volgens de verwijzende rechter bepalend zijn voor de beslechting van het hoofdgeding. In die omstandigheden lijkt een antwoord van het Hof op de prejudiciële vragen noodzakelijk voor de beslechting van het hoofdgeding, aangezien de argumenten die zijn aangevoerd door het openbaar ministerie Berlijn en de in punt 63 van dit arrest bedoelde regeringen niet toereikend zijn om vast te stellen dat die uitlegging klaarblijkelijk geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding.
Prejudiciële vragen
Eerste prejudiciële vraag
69
Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, onder c), en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2014/41 aldus moeten worden uitgelegd dat een EOB ter fine van de overdracht van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat noodzakelijkerwijs door een rechter moet worden uitgevaardigd wanneer, op grond van het recht van de uitvaardigende staat, de aanvankelijke vergaring van dat bewijsmateriaal in een zuiver binnenlandse procedure van de uitvaardigende staat had moeten worden bevolen door de rechter.
70
Vooraf zij erop gewezen dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2014/41 weliswaar mede bepaalt onder welke voorwaarden een EOB kan worden uitgevaardigd, maar niet aangeeft welk soort autoriteit een EOB kan uitvaardigen.
71
In dit verband vloeit uit artikel 1, lid 1, van richtlijn 2014/41 voort dat een EOB in twee situaties kan worden uitgevaardigd. Zo kan met een EOB ten eerste worden beoogd om een of meer specifieke onderzoeksmaatregelen uit te voeren met het oog op het verkrijgen van bewijsmateriaal en ten tweede om bewijsmateriaal te verkrijgen dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat, dat wil zeggen om dit bewijsmateriaal te doen overdragen aan de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende staat. Hoe dan ook volgt uit deze bepaling dat een EOB moet worden uitgevaardigd of gevalideerd door een ‘rechterlijke autoriteit’.
72
Het in deze bepaling gebruikte begrip ‘rechterlijke autoriteit’ wordt daarin evenwel niet gedefinieerd. Uit de vaste rechtspraak van het Hof komt naar voren dat artikel 1, lid 1, van richtlijn 2014/41 moet worden gelezen in samenhang met artikel 2, onder c), ervan, waarin de betekenis van het begrip ‘uitvaardigende autoriteit’ in het kader van deze richtlijn wordt beschreven [zie in die zin arrest van 2 maart 2023, Staatsanwaltschaft Graz (Dienst voor belastingstrafzaken van Düsseldorf), C-16/22, EU:C:2023:148, punten 27 en 28].
73
In dit verband blijkt uit de bewoordingen van artikel 2, onder c), i), van deze richtlijn dat dit artikel uitdrukkelijk bepaalt dat de officier van justitie, net zoals de rechter, de rechtbank en de onderzoeksrechter, valt aan te merken als ‘uitvaardigende autoriteit’. De enige voorwaarde die deze bepaling aan de kwalificatie ‘uitvaardigende autoriteit’ stelt, is dat de rechtbank en de personen die het ambt van rechter, onderzoeksrechter of officier van justitie bekleden, bevoegd zijn in de betrokken zaak [arrest van 8 december 2020, Staatsanwaltschaft Wien (Vervalste overschrijvingsopdrachten), C-584/19, EU:C:2020:1002, punten 50 en 51].
74
Als een officier van justitie volgens het recht van de uitvaardigende staat in een zuiver binnenlandse situatie bevoegd is om in een bepaalde zaak een onderzoeksmaatregel te bevelen met het oog op de overdracht van bewijs dat reeds in het bezit is van de bevoegde nationale autoriteiten, valt deze officier van justitie dus onder het begrip ‘uitvaardigende autoriteit’ in de zin van artikel 2, onder c), i), van richtlijn 2014/41 met het oog op de uitvaardiging van een EOB ter fine van de overdracht van bewijs dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat [zie naar analogie arrest van 8 december 2020, Staatsanwaltschaft Wien (Vervalste overschrijvingsopdrachten), C-584/19, EU:C:2020:1002, punt 52].
75
Wanneer een officier van justitie evenwel naar het recht van de uitvaardigende staat niet bevoegd is om een dergelijke maatregel tot overdracht van bewijs dat reeds in het bezit is van de bevoegde nationale autoriteiten te bevelen — en dus met name wanneer in een zuiver binnenlandse situatie voor een dergelijke overdracht toestemming zou moeten worden verleend door een rechter, aangezien die overdracht tot een ernstige inmenging in de grondrechten van de betrokkene leidt — kan hij niet worden beschouwd als een bevoegde uitvaardigende autoriteit in de zin van die bepaling [zie naar analogie arrest van 16 december 2021, Spetsializirana prokuratura (Verkeers- en locatiegegevens), C-724/19, EU:C:2021:1020, punt 39].
76
In casu voert de Duitse regering aan dat § 100e, lid 6, punt 1, StPO de overdracht van bewijsmateriaal op nationaal niveau van de ene nationale onderzoeksinstantie aan de andere toestaat. Bovendien vereist deze rechtsgrondslag, die afwijkt van die welke wordt gebruikt voor de aanvankelijke vergaring van gegevens, niet dat door een rechter toestemming voor die overdracht wordt verleend, aldus die regering. Het staat aan de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om het nationale recht uit te leggen, om te bepalen of dit juist is.
77
Gelet op een en ander moet op de eerste prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, en artikel 2, onder c), van richtlijn 2014/41 aldus moeten worden uitgelegd dat een EOB ter fine van de overdracht van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat niet noodzakelijkerwijs hoeft te worden uitgevaardigd door een rechter wanneer het krachtens het recht van de uitvaardigende staat in een zuiver binnenlandse procedure zo is dat de aanvankelijke bewijsgaring door een rechter had moeten worden gelast, maar een officier van justitie bevoegd is om de overdracht van dat bewijsmateriaal te gelasten.
Tweede en derde prejudiciële vraag
78
Volgens vaste rechtspraak is het, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geschil kan oplossen. Daartoe dient het Hof in voorkomend geval de voorgelegde vragen te herformuleren. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven (zie in die zin arresten van 13 december 1984, Haug-Adrion, 251/83, EU:C:1984:397, punt 9, en 18 mei 2021, Asociaţia ‘Forumul Judecătorilor din România’ e.a., C-83/19, C-127/19, C-195/19, C-291/19, C-355/19 en C-397/19, EU:C:2021:393, punt 131).
79
In dit verband zij opgemerkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde EOB's tot doel hadden dat het parket-generaal Frankfurt van de Franse onderzoeksautoriteiten gegevens verkreeg die waren verzameld van met de EncroChat-dienst uitgeruste mobiele telefoons van Duitse gebruikers. Die gegevens waren door die autoriteiten verzameld na toestemming van een Franse rechterlijke instantie.
80
De in de tweede en de derde prejudiciële vraag aan de orde zijnde situatie betreft dus, zoals ook blijkt uit de bewoordingen van die vragen, uitsluitend het tweede geval waar artikel 1, lid 1, van richtlijn 2014/41 betrekking op heeft, namelijk de uitvaardiging van een EOB ter fine van de overdracht van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat.
81
Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de verwijzende rechter met zijn tweede en zijn derde prejudiciële vraag wenst te vernemen wat de in artikel 6, lid 1, onder a) en b), van richtlijn 2014/41 genoemde materiële voorwaarden zijn voor de uitvaardiging van een EOB in de specifieke context waarin de autoriteiten van een lidstaat gegevens hebben verzameld van mobiele telefoons waarmee, dankzij speciale software en gewijzigde hardware, eind-tot-eind versleutelde communicatie mogelijk was.
82
Zo vraagt de verwijzende rechter zich met zijn tweede vraag, onder a), af of een EOB ter fine van de overdracht van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat, in het licht van de vereisten van noodzakelijkheid en evenredigheid van artikel 6, lid 1, onder a), van richtlijn 2014/41, alleen mag worden uitgevaardigd indien er op het tijdstip waarop dat EOB wordt uitgevaardigd voor elk van de betrokken personen met name sprake is van concrete aanwijzingen dat er een ernstig strafbaar feit is gepleegd, dan wel of aanwijzingen voor het bestaan van meerdere strafbare feiten die zijn gepleegd door nog niet geïdentificeerde personen daartoe toereikend kunnen zijn.
83
Met zijn tweede vraag, onder b), wenst deze rechter tevens te vernemen of het evenredigheidsbeginsel zich uit het oogpunt van het recht op een eerlijk proces verzet tegen de uitvaardiging van een EOB wanneer de integriteit van de door middel van de interceptiemaatregel verkregen gegevens niet kan worden geverifieerd wegens de vertrouwelijkheid van de technische grondslagen die deze maatregel mogelijk hebben gemaakt, en wanneer de vervolgde partij om die reden mogelijkerwijs niet in staat is om tijdens de daaropvolgende strafprocedure doeltreffend commentaar te leveren op deze gegevens.
84
Met betrekking tot artikel 6, lid 1, onder b), van richtlijn 2014/41 vraagt de verwijzende rechter zich met zijn derde vraag, onder a) en b), af of — in het algemeen of in ieder geval wanneer die gegevens door de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat zijn verzameld op het grondgebied en in het belang van de uitvaardigende staat — voor de uitvaardiging van een EOB ter fine van de overdracht van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat dezelfde materiële voorwaarden gelden als die welke in de uitvaardigende staat van toepassing zijn op de vergaring van dat bewijsmateriaal in een zuiver binnenlandse situatie.
85
In die omstandigheden moet worden overwogen dat de verwijzende rechter met zijn tweede en zijn derde prejudiciële vraag, die samen moeten worden behandeld, in wezen wenst te vernemen of, en zo ja onder welke voorwaarden, artikel 6, lid 1, van richtlijn 2014/41 zich ertegen verzet dat een officier van justitie een EOB uitvaardigt ter fine van de overdracht van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat wanneer dat bewijsmateriaal is verkregen nadat die autoriteiten op het grondgebied van de uitvaardigende staat telecommunicatie hebben geïntercepteerd van alle gebruikers van mobiele telefoons waarmee, dankzij speciale software en gewijzigde hardware, eind-tot-eind versleutelde communicatie mogelijk is.
86
In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat richtlijn 2014/41, zoals uit de overwegingen 5 tot en met 8 ervan blijkt, tot doel heeft om het bestaande gefragmenteerde en ingewikkelde kader voor de bewijsgaring in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie te vervangen en om, via een vereenvoudigde en efficiëntere regeling met één instrument genaamd ‘Europees onderzoeksbevel’, de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen, en daardoor bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan [arrest van 8 december 2020, Staatsanwaltschaft Wien (Vervalste overschrijvingsopdrachten), C-584/19, EU:C:2020:1002, punt 39].
87
Overeenkomstig artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn 2014/41 gelden voor de uitvaardiging van een EOB twee cumulatieve voorwaarden, waarvan de naleving wordt gecontroleerd door de uitvaardigende autoriteit. Ten eerste moet deze autoriteit zich er krachtens artikel 6, lid 1, onder a), van die richtlijn van vergewissen dat het uitvaardigen van het EOB noodzakelijk is voor en in verhouding staat tot het doel van de in artikel 4 van die richtlijn bedoelde procedure, daarbij rekening houdend met de rechten van de verdachte of beschuldigde persoon. Ten tweede moet die autoriteit krachtens artikel 6, lid 1, onder b), controleren of de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel(en) in dezelfde omstandigheden in een vergelijkbare binnenlandse zaak bevolen had(den) kunnen worden.
88
Artikel 6, lid 1, onder a), van richtlijn 2014/41 vereist dus dat aan de hand van de doelstellingen van de in artikel 4 van die richtlijn bedoelde procedures wordt gecontroleerd of de uitvaardiging van het EOB noodzakelijk en evenredig is. Laatstgenoemd artikel, dat bepaalt voor welke soorten procedures een EOB kan worden uitgevaardigd, bepaalt onder a) dat een EOB kan worden uitgevaardigd ‘in verband met een strafprocedure die door of bij een rechterlijke autoriteit is of kan worden ingesteld wegens feiten die volgens het nationale recht van de uitvaardigende staat strafbaar zijn’. Aangezien deze bepaling verwijst naar het recht van de uitvaardigende staat, moeten de noodzaak en de evenredigheid van de uitvaardiging van een EOB uitsluitend in het licht van dat recht worden beoordeeld.
89
In dit verband moet, gelet op de in de punten 82 en 83 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte vragen van de verwijzende rechter, ten eerste worden verduidelijkt dat artikel 6, lid 1, onder a), van richtlijn 2014/41 niet vereist dat aan de uitvaardiging van een EOB ter fine van de overdracht van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat, de voorwaarde wordt verbonden dat er op het tijdstip waarop dat EOB wordt uitgevaardigd voor elk van de betrokkenen sprake is van een op concrete feiten gebaseerd vermoeden van een ernstig strafbaar feit, wanneer een dergelijk vereiste niet voortvloeit uit het recht van de uitvaardigende staat.
90
Ten tweede staat deze bepaling er evenmin aan in de weg dat een EOB wordt uitgevaardigd wanneer de integriteit van de door middel van de interceptiemaatregel verkregen gegevens niet kan worden gecontroleerd wegens de vertrouwelijkheid van de technische grondslagen die deze maatregel mogelijk hebben gemaakt, mits het recht op een eerlijk proces in de daaropvolgende strafprocedure wordt gewaarborgd. De integriteit van het overgedragen bewijsmateriaal kan namelijk in beginsel pas worden beoordeeld op het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten daadwerkelijk over dat bewijsmateriaal beschikken, en niet al in het eerdere stadium van uitvaardiging van het EOB.
91
Uit de bewoordingen van artikel 6, lid 1, onder b), van richtlijn 2014/41 en uit het in artikel 1, lid 1, van die richtlijn gemaakte onderscheid, dat in punt 71 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, vloeit dus voort dat, ingeval ‘de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel’ bestaat in het verkrijgen van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat, dat wil zeggen de overdracht van dat bewijsmateriaal aan de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende staat, een EOB enkel kan worden uitgevaardigd op voorwaarde dat die overdracht ‘in dezelfde omstandigheden in een vergelijkbare binnenlandse zaak bevolen had kunnen worden’.
92
Door de bewoordingen ‘in dezelfde omstandigheden’ en ‘in een vergelijkbare binnenlandse zaak’ te gebruiken, maakt artikel 6, lid 1, onder b), van richtlijn 2014/41 de vaststelling van de precieze voorwaarden voor uitvaardiging van een EOB uitsluitend afhankelijk van het recht van de uitvaardigende staat.
93
Hieruit volgt dat, wanneer een uitvaardigende autoriteit bewijsmateriaal wenst te verkrijgen dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat, die autoriteit aan een EOB de voorwaarde moet verbinden dat alle voorwaarden worden nageleefd die in het recht van haar eigen lidstaat gelden voor een vergelijkbare binnenlandse zaak.
94
Dit betekent dat voor de rechtmatigheid van een EOB zoals de EOB's die in het hoofdgeding aan de orde zijn en die de overdracht beogen van gegevens die in het bezit zijn van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat en die informatie kunnen verschaffen over de communicatie die is verricht door een gebruiker van een mobiele telefoon waarmee, dankzij speciale software en gewijzigde hardware, eind-tot-eind versleutelde communicatie mogelijk is, dezelfde voorwaarden gelden als die welke in voorkomend geval van toepassing zijn op de overdracht van dergelijke gegevens in een zuiver binnenlandse situatie in de uitvaardigende staat.
95
Indien het recht van de uitvaardigende staat deze overdracht afhankelijk stelt van het bestaan van concrete aanwijzingen dat de beschuldigde persoon ernstige strafbare feiten heeft gepleegd of van de toelaatbaarheid van het bewijsmateriaal bestaande uit de betrokken gegevens, is de uitvaardiging van een EOB ook aan al deze voorwaarden onderworpen.
96
Artikel 6, lid 1, onder b), van richtlijn 2014/41 vereist evenwel niet, ook niet in een situatie zoals die in het hoofdgeding, waarin de betrokken gegevens door de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat zijn verzameld op het grondgebied en in het belang van de uitvaardigende staat, dat aan de uitvaardiging van een EOB ter fine van de overdracht van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat dezelfde materiële voorwaarden worden verbonden als die welke in de uitvaardigende staat op het gebied van de vergaring van dat bewijsmateriaal gelden.
97
Hoewel artikel 6, lid 1, onder b), van richtlijn 2014/41 tot doel heeft te voorkomen dat de door het recht van de uitvaardigende staat vastgestelde regels en waarborgen worden omzeild, blijkt in casu niet dat de vergaring en de overdracht, door middel van een EOB, van het aldus vergaarde bewijsmateriaal een dergelijke omzeiling tot doel of tot gevolg hadden, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
98
Aangezien richtlijn 2014/41 geen regels bevat die de regeling die van toepassing is op een EOB ter fine van de overdracht van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat afhankelijk stelt van de plaats waar dat bewijsmateriaal is vergaard, is de omstandigheid in de onderhavige zaak dat de uitvoerende staat het bewijsmateriaal heeft vergaard op het grondgebied en in het belang van de uitvaardigende staat bovendien irrelevant.
99
Voorts zij eraan herinnerd dat met name uit de overwegingen 2, 6 en 19 van richtlijn 2014/41 volgt dat het EOB een instrument is dat onder de in artikel 82, lid 1, VWEU bedoelde justitiële samenwerking in strafzaken valt, die berust op het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen. Dit beginsel, dat de hoeksteen van de justitiële samenwerking in strafzaken vormt, berust op zijn beurt op wederzijds vertrouwen en het weerlegbaar vermoeden dat de andere lidstaten het Unierecht en in het bijzonder de grondrechten naleven [arrest van 8 december 2020, Staatsanwaltschaft Wien (Vervalste overschrijvingsopdrachten), C-584/19, EU:C:2020:1002, punt 40].
100
Hieruit volgt dat het de uitvaardigende autoriteit, wanneer zij door middel van een EOB de overdracht wenst te verkrijgen van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat, niet is toegestaan de rechtmatigheid te controleren van de afzonderlijke procedure waarbij de uitvoerende lidstaat het bewijsmateriaal heeft vergaard waarvan zij om overdracht verzoekt. Een tegenovergestelde uitlegging van artikel 6, lid 1, van die richtlijn zou in de praktijk in het bijzonder leiden tot een complexer en minder doeltreffend stelsel, dat afbreuk zou doen aan het door die richtlijn nagestreefde doel.
101
Bovendien moet worden benadrukt dat richtlijn 2014/41 een rechterlijke toetsing waarborgt van de naleving van de grondrechten van de betrokkenen.
102
Ten eerste legt artikel 14, lid 1, van richtlijn 2014/41 de lidstaten de verplichting op om ervoor te zorgen dat op de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel rechtsmiddelen toepasselijk zijn die gelijkwaardig zijn met die welke in een vergelijkbare binnenlandse zaak mogelijk zijn. In die context staat het aan de bevoegde rechter om te toetsen of is voldaan aan de voorwaarden voor het uitvaardigen van een EOB, die zijn genoemd in artikel 6, lid 1, van die richtlijn en in herinnering zijn gebracht in de punten 87 tot en met 95 van het onderhavige arrest.
103
Indien de overdracht van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat onevenredig lijkt te zijn ten opzichte van het doel van de strafrechtelijke procedure die tegen de betrokkene in de uitvaardigende staat is gestart, bijvoorbeeld wegens de ernst van de inbreuk op diens grondrechten, of indien deze overdracht in strijd met de wettelijke regeling die van toepassing is op een soortgelijke binnenlandse procedure lijkt te zijn gelast, zou de rechter bij wie het beroep tegen het EOB ter fine van de overdracht aanhangig is gemaakt, daaraan dus de nodige uit het nationale recht voortvloeiende consequenties moeten verbinden.
104
Ten tweede verplicht artikel 14, lid 7, van richtlijn 2014/41 de lidstaten om ervoor te zorgen dat, bij het beoordelen van het middels het EOB verkregen bewijsmateriaal, de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedure tijdens de strafprocedure die in de uitvaardigende staat is ingeleid, worden gewaarborgd.
105
Wat in het bijzonder het recht op een eerlijk proces betreft, zij er met name aan herinnerd dat een rechterlijke instantie, wanneer zij van oordeel is dat een partij niet in de gelegenheid is om doeltreffend commentaar te leveren op bewijsmateriaal dat een doorslaggevende invloed kan hebben op de beoordeling van de feiten, moet vaststellen dat het recht op een eerlijk proces hierdoor wordt geschonden, en dat bewijsmateriaal moet uitsluiten om die schending te voorkomen [zie in die zin arrest van 2 maart 2021, Prokuratuur (Voorwaarden voor toegang tot elektronische-communicatiegegevens), C-746/18, EU:C:2021:152, punt 44].
106
Gelet op een en ander moet op de tweede en de derde prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2014/41 aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een officier van justitie een EOB uitvaardigt ter fine van de overdracht van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat wanneer dat bewijsmateriaal is verkregen nadat die autoriteiten op het grondgebied van de uitvaardigende staat telecommunicatie hebben geïntercepteerd van alle gebruikers van mobiele telefoons waarmee, dankzij speciale software en gewijzigde hardware, eind-tot-eind versleutelde communicatie mogelijk is, mits het EOB voldoet aan alle voorwaarden voor de overdracht van dergelijk bewijsmateriaal waarin het recht van de uitvaardigende staat in voorkomend geval voorziet in een zuiver binnenlandse situatie.
Vierde vraag, onder a) en b)
107
Met zijn vierde vraag, onder a) en b), wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 31 van richtlijn 2014/41 aldus moet worden uitgelegd dat een op de infiltratie van eindapparatuur betrekking hebbende maatregel voor de vergaring van verkeers-, locatie- en communicatiegegevens van een internet-gebaseerde communicatiedienst een ‘interceptie van telecommunicatie’ in de zin van dat artikel is en ter kennis moet worden gebracht van een rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich bevindt.
108
Artikel 31, lid 1, van die richtlijn richt zich op de situatie waarin de bevoegde autoriteit van een lidstaat ten behoeve van de uitvoering van een onderzoeksmaatregel toestemming heeft gegeven voor de interceptie van telecommunicatie van een persoon van wie het communicatieadres in gebruik is op het grondgebied van een andere lidstaat en de interceptie kan worden uitgevoerd zonder de technische bijstand van die lidstaat. In een dergelijk geval moet eerstgenoemde lidstaat, de ‘intercepterende lidstaat’ genoemd, de bevoegde autoriteit van laatstgenoemde lidstaat, de ‘in kennis gestelde lidstaat’ genoemd, van de interceptie in kennis stellen.
109
Wat in de eerste plaats het in deze bepaling gehanteerde begrip ‘telecommunicatie’ betreft, zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak met het oog op de eenvormige toepassing van het Unierecht en het beginsel van gelijke behandeling als algemene regel noodzakelijk is dat de termen van een Unierechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en reikwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, in de gehele Unie autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, waarbij niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de context ervan en met het doel van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [zie in die zin arresten van 18 januari 1984, Ekro, 327/82, EU:C:1984:11, punt 11, en 8 december 2020, Staatsanwaltschaft Wien (Vervalste overschrijvingsopdrachten), C-584/19, EU:C:2020:1002, punt 49].
110
Aangezien geen enkele bepaling van richtlijn 2014/41 een definitie bevat van het in artikel 31, lid 1, van deze richtlijn gebruikte begrip ‘telecommunicatie’, noch een uitdrukkelijke verwijzing naar het recht van de lidstaten om de betekenis en de reikwijdte van dit begrip te bepalen, moet worden geoordeeld dat dit begrip in het Unierecht autonoom en op eenvormige wijze moet worden uitgelegd volgens de in het vorige punt bedoelde methode.
111
Wat ten eerste de bewoordingen van artikel 31, lid 1, van richtlijn 2014/41 betreft, verwijst de term ‘telecommunicatie’, in zijn gebruikelijke betekenis, naar het geheel van procedés voor de overdracht van informatie op afstand.
112
Ten tweede moet met betrekking tot de context van artikel 31, lid 1, van richtlijn 2014/41 worden opgemerkt dat lid 2 van dat artikel bepaalt dat de in lid 1 van dat artikel bedoelde kennisgeving geschiedt middels het formulier in bijlage C bij die richtlijn. Onder het kopje ‘Doelwit van de interceptie’ noemt deel B, III, van deze bijlage zowel een telefoonnummer als een internetprotocoladres (‘IP-nummer’) of een e-mailadres. De ruime uitlegging van de term ‘telecommunicatie’ wordt bovendien bevestigd door artikel 31, lid 3, van richtlijn 2014/41, dat zonder onderscheid betrekking heeft op ‘materieel’ dat reeds is geïntercepteerd.
113
Wat betreft het doel van artikel 31 van richtlijn 2014/41, komt ten derde uit overweging 30 van die richtlijn naar voren dat de mogelijkheden tot samenwerking op grond van die richtlijn inzake de interceptie van telecommunicatie niet mogen worden beperkt tot de inhoud van de telecommunicatie, maar ook het verzamelen van de verkeers- en locatiegegevens in verband met deze telecommunicatie kunnen omvatten.
114
Hieruit volgt dat de infiltratie van eindapparatuur teneinde zowel communicatiegegevens als verkeers- en locatiegegevens van een internet-gebaseerde communicatiedienst te vergaren, een ‘interceptie van telecommunicatie’ in de zin van artikel 31, lid 1, van richtlijn 2014/41 is.
115
Wat in de tweede plaats de autoriteit betreft die overeenkomstig dit artikel in kennis moet worden gesteld, blijkt uit de bewoordingen van artikel 31, lid 1, van die richtlijn ten eerste dat de Uniewetgever zich ertoe heeft beperkt te verwijzen naar de ‘bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat’, zonder de administratieve of gerechtelijke aard van die autoriteit of haar taken te specificeren.
116
Ten tweede zij opgemerkt dat die autoriteit geen deel uitmaakt van de in artikel 33 van richtlijn 2014/41 opgesomde gegevens die door de lidstaten aan de Europese Commissie moeten worden verstrekt. Daarnaast hoeft op het formulier in bijlage C bij die richtlijn — dat, zoals in punt 112 van het onderhavige arrest is aangegeven, moet worden gebruikt voor de kennisgeving van de ‘interceptie van telecommunicatie’ in de zin van artikel 31, lid 1, van die richtlijn — alleen ‘de in kennis gestelde lidstaat’ te worden ingevuld.
117
Het staat derhalve aan elke lidstaat om de autoriteit aan te wijzen die bevoegd is om de in artikel 31, lid 1, van richtlijn 2014/41 bedoelde kennisgeving te ontvangen. Indien de intercepterende lidstaat niet in staat is te achterhalen wie de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat is, kan die kennisgeving worden gericht aan elke autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat die de intercepterende lidstaat daartoe geschikt acht.
118
In dit verband moet evenwel worden verduidelijkt dat de bevoegde autoriteit in de zin van artikel 31, lid 1, van richtlijn 2014/41 krachtens artikel 31, lid 3, van die richtlijn er met name op kan wijzen dat de interceptie niet mag worden uitgevoerd of dat zij moet worden beëindigd indien de interceptie in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou zijn toegestaan. Hieruit volgt dat de autoriteit die de kennisgeving ontvangt, indien zij niet de bevoegde autoriteit krachtens het recht van de in kennis gestelde lidstaat is, de kennisgeving ambtshalve aan de bevoegde autoriteit dient over te dragen teneinde de nuttige werking van artikel 31 van richtlijn 2014/41 te waarborgen.
119
Gelet op een en ander moet de vierde vraag, onder a) en b), in die zin worden beantwoord dat artikel 31 van richtlijn 2014/41 aldus moet worden uitgelegd dat een op de infiltratie van eindapparatuur betrekking hebbende maatregel voor de vergaring van verkeers-, locatie- en communicatiegegevens van een internet-gebaseerde communicatiedienst een ‘interceptie van telecommunicatie’ in de zin van dat artikel is en ter kennis moet worden gebracht van de autoriteit die daartoe is aangewezen door de lidstaat op het grondgebied waarvan de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich bevindt. Indien de intercepterende lidstaat niet in staat is te achterhalen wie de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat is, kan die kennisgeving worden gericht aan elke autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat die de intercepterende lidstaat daartoe geschikt acht.
Vierde prejudiciële vraag, onder c)
120
Met zijn vierde vraag, onder c), wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 31 van richtlijn 2014/41 aldus moet worden uitgelegd dat het strekt tot bescherming van de rechten van gebruikers op wie een maatregel tot ‘interceptie van telecommunicatie’ in de zin van dat artikel is gericht, en dat die bescherming zich ook uitstrekt tot het gebruik van de aldus vergaarde gegevens in het kader van een in de in kennis gestelde lidstaat ingeleide strafrechtelijke procedure.
121
Om te beginnen is er bij de ‘interceptie van telecommunicatie’ zoals bedoeld in artikel 31 van richtlijn 2014/41, dat wil zeggen een vorm van interceptie die kan worden uitgevoerd zonder de technische bijstand van de lidstaat op het grondgebied waarvan de persoon op wie die interceptie betrekking heeft, zich bevindt, anders dan bij de ‘interceptie van telecommunicatie met technische hulp van een andere lidstaat’, waarop artikel 30 van die richtlijn betrekking heeft, geen sprake van een EOB. Hieruit volgt dat de verschillende voorwaarden en waarborgen voor een EOB niet op eerstgenoemde interceptie van toepassing zijn.
122
Vervolgens komt uit de bewoordingen van artikel 31, lid 3, van richtlijn 2014/41, zoals is opgemerkt in punt 118 van het onderhavige arrest, naar voren dat de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat, indien de interceptie in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou zijn toegestaan, de bevoegde autoriteit van de intercepterende lidstaat ervan in kennis kan stellen dat die interceptie niet mag worden uitgevoerd of dat zij moet worden beëindigd, of zelfs in voorkomend geval dat materiaal dat reeds is geïntercepteerd niet mag worden gebruikt of alleen mag worden gebruikt op de voorwaarden die zij stelt.
123
Het gebruik van het werkwoord ‘mogen’ in die bepaling impliceert dat de in kennis gestelde lidstaat over een beoordelingsmarge beschikt die kan worden uitgeoefend door de bevoegde autoriteit van die staat, onder verwijzing naar het feit dat een dergelijke interceptie in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou zijn toegestaan.
124
Artikel 31 van richtlijn 2014/41 beoogt dus niet alleen te waarborgen dat de soevereiniteit van de in kennis gestelde lidstaat wordt geëerbiedigd, maar ook dat het in die lidstaat gewaarborgde beschermingsniveau met betrekking tot de interceptie van telecommunicatie niet in gevaar wordt gebracht. Aangezien een maatregel tot interceptie van telecommunicatie een inmenging vormt in het in artikel 7 van het Handvest verankerde recht op de eerbiediging van het privéleven en van de communicatie van de persoon op wie de interceptie betrekking heeft (zie in die zin arrest van 17 januari 2019, Dzivev e.a., C-310/16, EU:C:2019:30, punt 36), moet daarom worden overwogen dat met artikel 31 van richtlijn 2014/41 ook de bescherming wordt beoogd van de rechten van gebruikers op wie een dergelijke maatregel is gericht. Dit doel strekt zich uit tot het gebruik van de gegevens ten behoeve van strafvervolging in de in kennis gestelde lidstaat.
125
Gelet op een en ander moet op de vierde vraag, onder c), worden geantwoord dat artikel 31 van richtlijn 2014/41 aldus moet worden uitgelegd dat het ook strekt tot bescherming van de rechten van gebruikers op wie een maatregel tot ‘interceptie van telecommunicatie’ in de zin van dat artikel is gericht.
Vijfde prejudiciële vraag
126
Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het doeltreffendheidsbeginsel de nationale strafrechter verplicht om, in een strafrechtelijke procedure tegen personen die worden verdacht van strafbare feiten, geen rekening te houden met informatie en bewijzen die in strijd met de voorschriften van het Unierecht zijn verkregen.
127
Vooraf zij opgemerkt dat deze vraag alleen een antwoord behoeft indien de verwijzende rechter op basis van de antwoorden op de eerste tot en met de vierde prejudiciële vraag tot het oordeel komt dat de EOB's onrechtmatig zijn gelast.
128
Bovendien is het bij de huidige stand van het Unierecht uitsluitend een zaak van het nationale recht om de regels vast te stellen met betrekking tot de aanvaarding en de beoordeling van op een met het Unierecht strijdige wijze verkregen informatie en bewijzen in het kader van een strafrechtelijke procedure (zie in die zin arrest van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a., C-511/18, C-512/18 en C-520/18, EU:C:2020:791, punt 222).
129
Het is namelijk vaste rechtspraak dat het bij gebreke van Unieregelgeving ter zake krachtens het beginsel van procedurele autonomie een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de procedureregels vast te stellen voor rechtsvorderingen die ertoe strekken de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, te beschermen, op voorwaarde evenwel dat die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin arrest van 16 december 1976, Rewe-Zentralfinanz en Rewe-Zentral, 33/76, EU:C:1976:188, punt 5, en 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a., C-511/18, C-512/18 en C-520/18, EU:C:2020:791, punt 223).
130
Daarbij zij aangetekend dat er, zoals blijkt uit de punten 104 en 105 van het onderhavige arrest, niet mag worden voorbijgegaan aan het feit dat artikel 14, lid 7, van richtlijn 2014/41 de lidstaten uitdrukkelijk verplicht om er, onverminderd de toepassing van de nationale procedurele voorschriften, voor te zorgen dat bij het beoordelen van het middels het EOB verkregen bewijsmateriaal de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedure tijdens een strafprocedure in de uitvaardigende staat worden gewaarborgd, hetgeen betekent dat een bewijsstuk waarop een partij niet op doeltreffende wijze commentaar kan leveren, van de strafrechtelijke procedure moet worden uitgesloten.
131
Gelet op een en ander moet de vijfde prejudiciële vraag in die zin worden beantwoord dat artikel 14, lid 7, van richtlijn 2014/41 aldus moet worden uitgelegd dat het de nationale strafrechter verplicht om, in een strafrechtelijke procedure tegen personen die worden verdacht van strafbare feiten, informatie en bewijzen buiten beschouwing te laten indien die personen niet in de gelegenheid worden gesteld om doeltreffend commentaar te leveren op die informatie en die bewijzen en deze een doorslaggevende invloed kunnen hebben op de beoordeling van de feiten.
Kosten
132
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 1, lid 1, en artikel 2, onder c), van richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken
moeten aldus worden uitgelegd dat
een Europees onderzoeksbevel ter fine van de overdracht van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat niet noodzakelijkerwijs hoeft te worden uitgevaardigd door een rechter wanneer het krachtens het recht van de uitvaardigende staat in een zuiver binnenlandse procedure zo is dat de aanvankelijke bewijsgaring door een rechter had moeten worden gelast, maar een officier van justitie bevoegd is om de overdracht van dat bewijsmateriaal te gelasten.
- 2)
Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2014/41
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich er niet tegen verzet dat een officier van justitie een Europees onderzoeksbevel uitvaardigt ter fine van de overdracht van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat wanneer dat bewijsmateriaal is verkregen nadat die autoriteiten op het grondgebied van de uitvaardigende staat telecommunicatie hebben geïntercepteerd van alle gebruikers van mobiele telefoons waarmee, dankzij speciale software en gewijzigde hardware, eind-tot-eind versleutelde communicatie mogelijk is, mits het onderzoeksbevel voldoet aan alle voorwaarden voor de overdracht van dergelijk bewijsmateriaal waarin het recht van de uitvaardigende staat in voorkomend geval voorziet in een zuiver binnenlandse situatie.
- 3)
Artikel 31 van richtlijn 2014/41
moet aldus worden uitgelegd dat
een op de infiltratie van eindapparatuur betrekking hebbende maatregel voor de vergaring van verkeers-, locatie-en communicatiegegevens van een internet-gebaseerde communicatiedienst een ‘interceptie van telecommunicatie’ in de zin van dat artikel is en ter kennis moet worden gebracht van de autoriteit die daartoe is aangewezen door de lidstaat op het grondgebied waarvan de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich bevindt. Indien de intercepterende lidstaat niet in staat is te achterhalen wie de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat is, kan die kennisgeving worden gericht aan elke autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat die de intercepterende lidstaat daartoe geschikt acht.
- 4)
Artikel 31 van richtlijn 2014/41
moet aldus worden uitgelegd dat
het ook strekt tot bescherming van de rechten van gebruikers op wie een maatregel tot ‘interceptie van telecommunicatie’ in de zin van dat artikel is gericht.
- 5)
Artikel 14, lid 7, van richtlijn 2014/41
moet aldus worden uitgelegd dat
het de nationale strafrechter verplicht om, in een strafrechtelijke procedure tegen personen die worden verdacht van strafbare feiten, informatie en bewijzen buiten beschouwing te laten indien die personen niet in de gelegenheid worden gesteld om doeltreffend commentaar te leveren op die informatie en die bewijzen en deze een doorslaggevende invloed kunnen hebben op de beoordeling van de feiten.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 30‑04‑2024
Conclusie 26‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in strafzaken — Richtlijn 2014/41/EU — Europees onderzoeksbevel — Artikel 6, lid 1 — Voorwaarden voor het uitvaardigen van een Europees onderzoeksbevel — Overdracht van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van een andere lidstaat — Begrip ‘uitvaardigende autoriteit’ — Artikel 2, onder c), i) — Toelaatbaarheid van bewijsmateriaal
T. Ćapeta
Partij(en)
Zaak C-670/221.
Staatsanwaltschaft Berlin
tegen
M.N.
[verzoek van het Landgericht Berlin (rechter in eerste aanleg Berlijn, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Een Europees onderzoeksbevel (hierna: ‘EOB’) is een Unierechtelijk instrument dat grensoverschrijdende samenwerking in strafrechtelijke onderzoeken mogelijk maakt. Dit instrument wordt geregeld door de EOB-richtlijn2.. Met deze prejudiciële verwijzing wordt het Hof voor het eerst verzocht deze richtlijn uit te leggen in een situatie waarin een EOB is uitgevaardigd voor de overdracht van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit was van een andere staat.
2.
Ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek in Duitsland heeft de Generalstaatsanwaltschaft Frankfurt am Main (openbaar ministerie Frankfurt am Main, Duitsland) verschillende EOB's uitgevaardigd voor de overdracht van bewijsmateriaal dat was vergaard tijdens een gezamenlijk Frans-Nederlands strafrechtelijk onderzoek naar EncroChat-gebruikers. EncroChat was een versleutelde telecommunicatiedienst die de gebruikers ervan nagenoeg volledige anonimiteit bood.3.
3.
De onderhavige prejudiciële verwijzing vloeit voort uit een strafprocedure die voor het Landgericht Berlin (rechter in eerste aanleg Berlijn, Duitsland) is ingeleid tegen M.N. op basis van geïntercepteerde telecommunicatiegegevens die krachtens de bovengenoemde EOB's zijn overgedragen. Bij de verwijzende rechter is de vraag gerezen of de EOB's in strijd met de EOB-richtlijn zijn uitgevaardigd en, zo ja, welke gevolgen dit kan hebben voor het gebruik van dergelijk bewijsmateriaal in de strafprocedure.
II. Feiten, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
4.
De strafprocedure in het hoofdgeding vloeit voort uit een strafrechtelijk onderzoek dat in Frankrijk is gestart en dat is voortgezet als een gezamenlijk onderzoek van Frankrijk en Nederland, waarbij locatie-, verkeers- en communicatiegegevens, waaronder teksten en afbeeldingen die in lopende chats van gebruikers van het EncroChat-netwerk werden verzonden, zijn geïntercepteerd.
5.
In het kader van dit gezamenlijk onderzoek is software — een zogenoemd Trojaans paard — ontwikkeld die in het voorjaar van 2020 op een server in Roubaix (Frankrijk) werd geüpload en van daaruit via een valse update op de eindapparaten werd geïnstalleerd. De tribunal correctionnel de Lille (strafrechter in eerste aanleg Lille, Frankrijk) gaf toestemming om communicatiegegevens te vergaren. Wereldwijd werden berichten geïntercepteerd van EncroChat-gebruikers in 122 landen, onder wie ongeveer 4 600 gebruikers in Duitsland.
6.
In een videoconferentie op 9 maart 2020 verstrekte het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust) inlichtingen over de door de Franse opsporingsambtenaren geplande interceptiemaatregelen en de beoogde gegevensoverdracht aan andere landen. De vertegenwoordigers van het Bundeskriminalamt (federale recherche, Duitsland) en de Generalstaatsanwaltschaft Frankfurt am Main gaven blijk van hun belangstelling voor de van Duitse gebruikers vergaarde gegevens.
7.
De Generalstaatsanwaltschaft Frankfurt am Main heeft op 20 maart 2020 een vooronderzoek tegen onbekenden geopend. De door het Frans-Nederlandse onderzoeksteam vergaarde gegevens werden vanaf 3 april 2020 via een server van het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) aan onder andere de Duitse autoriteiten ter beschikking gesteld.
8.
Op 2 juni 2020 verzocht de Generalstaatsanwaltschaft Frankfurt am Main in het kader van het Duitse vooronderzoek tegen onbekende personen de Franse autoriteiten door middel van een EOB om toestemming voor het gebruik van de EncroChat-gegevens in strafprocedures. Dat verzoek was gebaseerd op de verdenking van illegale handel in aanzienlijke hoeveelheden verdovende middelen door personen van wie de identiteit nog niet was vastgesteld. Het vermoeden bestond echter dat zij deel uitmaakten van een criminele organisatie in Duitsland die EncroChat-telefoons gebruikte. De tribunal correctionnel de Lille gaf toestemming voor de uitvoering van het EOB waarbij werd verzocht om de overdracht en het gerechtelijk gebruik van de EncroChat-gegevens van de Duitse gebruikers. Daarna werden nog meer gegevens overgedragen op basis van twee aanvullende EOB's van 9 september 2020 en 2 juli 2021.
9.
Op basis van het ontvangen bewijsmateriaal heeft de Generalstaatsanwaltschaft Frankfurt am Main de uit te voeren onderzoeken uitgesplitst naar geïndividualiseerde EncroChat-gebruikers en plaatselijke openbare ministeries hiermee belast. Daaropvolgend heeft de Staatsanwaltschaft Berlin (openbaar ministerie Berlijn, Duitsland) de verdachte in de onderhavige zaak meervoudige verboden handel in en verboden bezit van verdovende middelen in aanzienlijke hoeveelheden in Duitsland ten laste gelegd.
10.
Deze strafprocedure is momenteel aanhangig bij de verwijzende rechter. De verwijzingsbeslissing spreekt zich hier weliswaar niet duidelijk over uit, maar het lijkt erop dat in die zaak de vraag is gerezen of de van de Generalstaatsanwaltschaft Frankfurt am Main afkomstige EOB's in strijd met de EOB-richtlijn zijn uitgevaardigd en, zo ja, of het op basis hiervan verkregen bewijsmateriaal toelaatbaar is in de strafprocedure tegen de verdachte.
11.
In het licht van deze feiten heeft de verwijzende rechter het Hof verzocht om beantwoording van de volgende prejudiciële vragen:
- ‘1)
Uitlegging van het begrip ‘uitvaardigende autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 1, van [de EOB-richtlijn], gelezen in samenhang met artikel 2, onder c), ervan:
- a)
Moet een [EOB] ter verkrijging van bewijsmateriaal dat zich reeds in de uitvoerende staat (in casu Frankrijk) bevindt, door een rechter worden uitgevaardigd wanneer naar het recht van de uitvaardigende staat (in casu Duitsland) in een vergelijkbare binnenlandse zaak de onderliggende bewijsgaring door de rechter had moeten worden bevolen?
- b)
Subsidiair, is dit althans het geval wanneer de uitvoerende staat de onderliggende maatregel op het grondgebied van de uitvaardigende staat ten uitvoer heeft gelegd teneinde de vergaarde gegevens vervolgens ter beschikking te stellen van de onderzoeksautoriteiten in de uitvaardigende staat die ter fine van strafvervolging in de gegevens zijn geïnteresseerd?
- c)
Moet een EOB ter verkrijging van bewijsmateriaal ongeacht de bevoegdheidsregels van de uitvaardigende staat steeds worden uitgevaardigd door een rechter (of een onafhankelijke instantie die niet met strafrechtelijk onderzoek is belast), wanneer met de maatregel ernstige inmenging in zwaarwegende grondrechten gemoeid is?
- 2)
Uitlegging van artikel 6, lid 1, onder a), van [de EOB-richtlijn]:
- a)
Staat artikel 6, lid 1, onder a), van [de EOB-richtlijn] in de weg aan een EOB ter fine van de overdracht van reeds in de uitvoerende staat ([in casu] Frankrijk) aanwezige gegevens die verkregen zijn uit interceptie van telecommunicatie — met name verkeers- en locatiegegevens en opnames van de inhoud van de communicatie —, wanneer de interceptie door de uitvoerende staat betrekking had op alle gebruikers van een communicatienetwerk, het EOB gericht is op de overdracht van de gegevens van alle op het grondgebied van de uitvaardigende staat gebruikte aansluitingen, en er noch bij de instelling en de uitvoering van de interceptiemaatregel, noch bij de uitvaardiging van het EOB concreet bewijsmateriaal bestond dat deze individuele gebruikers ernstige strafbare feiten pleegden?
- b)
Staat artikel 6, lid 1, onder a), van [de EOB-richtlijn] in de weg aan een dergelijk EOB, wanneer de integriteit van de door middel van de interceptiemaatregel verkregen gegevens vanwege omvattende geheimhouding door de overheidsinstanties in de uitvoerende staat niet kan worden geverifieerd?
- 3)
Uitlegging van artikel 6, lid 1, onder b), van [de EOB-richtlijn]:
- a)
Staat artikel 6, lid 1, onder b), van [de EOB-richtlijn] in de weg aan een EOB ter fine van de overdracht van reeds in de uitvoerende staat ([in casu] Frankrijk) aanwezige telecommunicatiegegevens, wanneer de interceptiemaatregel van de uitvoerende staat die aan de vergaring van de gegevens ten grondslag ligt naar het recht van de uitvaardigende staat ([in casu] Duitsland) in een vergelijkbare binnenlandse zaak onrechtmatig zou zijn geweest?
- b)
Subsidiair, geldt dit in ieder geval, wanneer de uitvoerende staat de interceptie op het grondgebied van de uitvaardigende staat en in diens belang heeft uitgevoerd?
- 4)
Uitlegging van artikel 31, leden 1 en 3, van [de EOB-richtlijn]:
- a)
Is een met de infiltratie van eindapparatuur verbonden maatregel voor de vergaring van verkeers-, locatie- en communicatiegegevens van een op het internet gebaseerde communicatiedienst een interceptie van telecommunicatie in de zin van artikel 31 van [de EOB-richtlijn]?
- b)
Moet de kennisgeving overeenkomstig artikel 31, lid 1, van [de EOB-richtlijn] altijd worden gericht aan een rechter, of geldt dit tenminste wanneer de door de intercepterende staat ([in casu] Frankrijk) voorgenomen maatregel naar het recht van de in kennis gestelde staat ([in casu] Duitsland) in een vergelijkbare binnenlandse zaak slechts door een rechter zou kunnen worden bevolen?
- c)
Voor zover artikel 31 van [de EOB-richtlijn] ook de eerbiediging van de individuele rechten van de betrokken telecommunicatiegebruikers ten doel heeft, strekt dit zich dan ook uit tot het gebruik van de gegevens ten behoeve van strafvervolging in de in kennis gestelde staat ([in casu] Duitsland) en, zo ja, is dit doel gelijkwaardig met de nevendoelstelling om de soevereiniteit van de in kennis gestelde lidstaat te beschermen?
- 5)
Rechtsgevolgen van de verkrijging van bewijsmateriaal die in strijd is met het Unierecht:
- a)
Kan, ingeval bewijsmateriaal wordt verkregen door middel van een EOB dat strijdig is met het Unierecht, de niet-toelaatbaarheid van dit bewijsmateriaal rechtstreeks voortvloeien uit het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel?
- b)
Leidt, ingeval bewijsmateriaal wordt verkregen door een EOB dat strijdig is met het Unierecht, het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel tot de niet-toelaatbaarheid van bewijsmateriaal, wanneer de maatregel die aan de bewijsvergaring in de uitvoerende staat ten grondslag ligt in een vergelijkbare binnenlandse zaak in de uitvaardigende staat niet had mogen worden bevolen en het op grond van een dergelijke onrechtmatige binnenlandse maatregel verkregen bewijsmateriaal naar het recht van de uitvaardigende staat niet zou kunnen worden gebruikt?
- c)
Is het strijdig met het Unierecht, en in het bijzonder met het doeltreffendheidsbeginsel, wanneer het gebruik in een strafprocedure van bewijsmateriaal waarvan de verkrijging in strijd was met het Unierecht juist omdat er geen verdenking bestond, in het kader van een belangenafweging wordt gerechtvaardigd door de ernst van de feiten die voor het eerst bij de analyse van het bewijsmateriaal aan het licht zijn gekomen?
- d)
Subsidiair, vloeit uit het Unierecht, en in het bijzonder het doeltreffendheidsbeginsel, voort dat schendingen van het Unierecht bij het verkrijgen van bewijsmateriaal ook in geval van ernstige strafbare feiten in een nationale strafprocedure niet geheel zonder gevolgen mogen blijven en dus op zijn minst bij de beoordeling van het bewijsmateriaal of bij de bepaling van de strafmaat ten gunste van de verdachte in aanmerking moeten worden genomen?’
12.
De Staatsanwaltschaft Berlin, Ierland, de Duitse, de Estse, de Franse, de Nederlandse, de Poolse en de Zweedse regering alsmede de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
13.
Ter terechtzitting van 4 juli 2023 hebben M.N., de Staatsanwaltschaft Berlin, Ierland, de Tsjechische, de Duitse, de Spaanse, de Franse, de Hongaarse, de Nederlandse en de Zweedse regering alsmede de Commissie hun standpunten naar voren gebracht.
III. Analyse
A. Opmerkingen vooraf
14.
De aanvechting van strafrechtelijke veroordelingen die zijn voortgevloeid uit geïntercepteerde EncroChat-gegevens zorgt bij verschillende hoogste rechters in Europa voor flinke deining4. en het Hof vormt geen uitzondering hierop.
15.
In de meeste van deze zaken worden de door Frankrijk genomen interceptiemaatregelen aangevochten. Ook al is die kwestie uiteraard relevant in de strafprocedures die zijn ingeleid op basis van bewijsmateriaal dat door middel van een dergelijke interceptie is vergaard, het is belangrijk te verduidelijken dat de onderhavige prejudiciële verwijzing geen betrekking heeft op de geldigheid van de Franse interceptiemaatregelen.
16.
In de onderhavige zaak gaat het veeleer om de mogelijke onverenigbaarheid van de door de Generalstaatsanwaltschaft Frankfurt am Main uitgevaardigde EOB's met de EOB-richtlijn en de gevolgen van die onverenigbaarheid. Deze EOB's waren niet de aanleiding voor de Franse maatregelen om telecommunicatie tussen EncroChat-gebruikers te intercepteren. De intercepties hebben onafhankelijk van de aan de orde zijnde EOB's plaatsgevonden. De aanvechting van deze interceptiemaatregelen moet voor de bevoegde Franse rechter plaatsvinden.
17.
De EOB's waar het in deze zaak om gaat, beoogden niet de vergaring in Frankrijk van gegevens door middel van interceptie van telecommunicatie, maar enkel de overdracht van het bewijsmateriaal dat reeds door middel van interceptie in Frankrijk was vergaard.
18.
Dit samenstel van feiten moet op de juiste wijze worden gekwalificeerd in het licht van de EOB-richtlijn. Artikel 1, lid 1, van die richtlijn bepaalt namelijk dat een EOB kan worden uitgevaardigd om, ten eerste, ‘in een andere lidstaat […] één of meer specifieke onderzoeksmaatregelen te laten uitvoeren’ en, ten tweede, ‘om bewijsmateriaal te verkrijgen dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat’5..
19.
Eenvoudig gezegd kan een EOB worden uitgevaardigd om hetzij nieuw bewijsmateriaal te vergaren, hetzij bestaand bewijsmateriaal te doen overdragen. Ik zal deze terminologie gebruiken om te verwijzen naar de twee verschillende soorten EOB's.
20.
In het hoofdgeding werden de EOB's met dat laatste doel uitgevaardigd. De Staatsanwaltschaft Berlin verzocht namelijk om overdracht van bewijsmateriaal dat Frankrijk al in zijn bezit had.
21.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter duidelijk dat de verwijzende rechter in de eerste plaats van mening is dat, ondanks het onderscheid tussen de twee soorten EOB's in artikel 1, lid 1, van de EOB-richtlijn, een EOB voor de overdracht van bestaand bewijsmateriaal niet kan worden uitgevaardigd zonder rekening te houden met de wijze waarop dat bewijsmateriaal oorspronkelijk is vergaard. In de tweede plaats trekt de verwijzende rechter de evenredigheid, en dus de rechtmatigheid, in twijfel van de oorspronkelijke maatregelen tot vergaring in Frankrijk van het bewijsmateriaal dat later aan Duitsland is overgedragen. Ten slotte is de verwijzende rechter het niet eens met het Bundesgerichtshof6., dat heeft geoordeeld dat de geïntercepteerde EncroChat-gegevens als bewijsmateriaal in Duitsland konden worden gebruikt7..
22.
Met dit in het achterhoofd moet het Hof verduidelijken of de voorwaarden voor het uitvaardigen van een EOB voor de overdracht van bestaand bewijsmateriaal vereisen dat er wordt gekeken naar de onderliggende maatregelen van bewijsgaring in de uitvoerende staat. Ik wil van meet af aan duidelijk maken, en ik zal daar later uitgebreid op ingaan, dat de uitvaardigende autoriteit in een dergelijk scenario de rechtmatigheid van de maatregelen op basis waarvan de uitvoerende staat bewijsmateriaal heeft vergaard niet in twijfel kan trekken. De evenredigheid van de Franse maatregel ter fine van de interceptie van EncroChat-telefoons, is daarom niet aan de orde in deze zaak.
B. Herschikking van de vragen van de verwijzende rechter en structuur van deze conclusie
23.
De verwijzende rechter is van mening dat de EOB's in strijd met de EOB-richtlijn zijn uitgevaardigd, aangezien zij i) in strijd waren met de voorwaarden van artikel 6, lid 1, ervan, en ii) zijn uitgevaardigd door een officier van justitie, en niet door een rechter. Bovendien hadden de Franse autoriteiten de bevoegde Duitse rechter overeenkomstig artikel 31 van de EOB-richtlijn in kennis moeten stellen van de interceptiemaatregelen. Ten slotte is de verwijzende rechter van mening dat het Unierecht, meer in het bijzonder de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, aldus moet worden uitgelegd dat in een strafprocedure geen gebruik mag worden gemaakt van bewijsmateriaal dat in strijd met de EOB-richtlijn is vergaard.
24.
De verwijzende rechter vraagt zich dus in wezen af of zijn interpretatie van de EOB-richtlijn en de daaruit voortvloeiende gevolgen juist is. De verwijzende rechter heeft zijn vragen ingedeeld in vijf groepen, die ik ten behoeve van mijn analyse op de navolgende wijze heb herschikt.
25.
De eerste drie groepen vragen gaan over de uitlegging van het begrip ‘uitvaardigende autoriteit’ die bevoegd is met betrekking tot een EOB voor de overdracht van bestaand bewijsmateriaal en de voorwaarden die gelden voor het uitvaardigen van een dergelijk EOB. De vragen over de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 6, lid 1, onder a) en b), van de EOB-richtlijn hangen samen met de vragen over de bevoegde uitvaardigende autoriteit. Ik zal ze daarom samen behandelen in onderdeel C.
26.
De vierde groep vragen, waarin het gaat om de uitlegging van artikel 31, leden 1 en 3, van de EOB-richtlijn, kan afzonderlijk worden behandeld. Ik zal dit doen in onderdeel D.
27.
Tot slot zal ik de laatste groep vragen, die betrekking heeft op de gevolgen van een eventuele schending van de EOB-richtlijn, in onderdeel E analyseren. Deze vragen kunnen als hypothetisch worden aangemerkt indien uit de antwoorden op de voorafgaande vragen geen schending van de EOB-richtlijn voortvloeit. Aangezien die slotsom echter afhangt van de uitlegging van het relevante nationale recht, hetgeen aan de verwijzende rechter staat, geef ik het Hof in overweging ook deze vragen te beantwoorden.
C. Voorwaarden voor het uitvaardigen van een EOB voor de overdracht van bestaand bewijsmateriaal en de bevoegde uitvaardigende autoriteit
28.
De voorwaarden die gelden voor het uitvaardigen van een EOB en waarvan de vervulling door de uitvaardigende autoriteit moet worden beoordeeld8., zijn te vinden in artikel 6, lid 1, van de EOB-richtlijn. Die bepaling luidt als volgt:
‘De uitvaardigende autoriteit kan een EOB alleen uitvaardigen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
het uitvaardigen van het EOB is noodzakelijk voor en staat in verhouding tot het doel van de in artikel 4 bedoelde procedure, daarbij rekening houdend met de rechten van de verdachte of beschuldigde persoon, en
- b)
de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel(en) had(den) in dezelfde omstandigheden in een vergelijkbare binnenlandse zaak bevolen kunnen worden.’
29.
De EOB-richtlijn verbindt dus twee voorwaarden aan het uitvaardigen van een EOB. Deze voorwaarden moeten ervoor zorgen dat het EOB niet in strijd met het recht van de uitvaardigende staat wordt uitgevaardigd.9. Aangezien het strafrechtelijk onderzoek of de daaropvolgende strafprocedure plaatsvindt in de uitvaardigende staat, zijn deze voorwaarden uiteindelijk gericht op de bescherming van de rechten van de verdachte of beschuldigde persoon. De naleving van deze voorwaarden kan ingevolge artikel 14, lid 2, van de EOB-richtlijn uitsluitend in de uitvaardigende staat worden aangevochten.
30.
Om die doelstellingen te bereiken, eist artikel 6, lid 1, van de EOB-richtlijn van de uitvaardigende autoriteit een abstracte en een concrete beoordeling.
31.
De abstracte beoordeling is geregeld in artikel 6, lid 1, onder b), van de EOB-richtlijn en schrijft voor dat de uitvaardigende autoriteit beoordeelt of de onderzoeksmaatregel waarop het EOB betrekking zal hebben, in haar nationale recht bestaat en onder welke voorwaarden deze kan worden bevolen.
32.
De concrete beoordeling in artikel 6, lid 1, onder a), van de EOB-richtlijn verplicht de uitvaardigende autoriteit te beoordelen of een bepaald EOB noodzakelijk is voor en in verhouding staat tot het doel van een concrete strafprocedure.
33.
Pas nadat de uitvaardigende autoriteit overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder b), van de EOB-richtlijn heeft vastgesteld dat het nationale recht een bepaalde onderzoeksmaatregel in beginsel toestaat, kan zij overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder a), van de EOB-richtlijn de noodzakelijkheid en evenredigheid van het concrete geval beoordelen. Ik vind het dan ook logischer om deze twee voorwaarden in omgekeerde volgorde tegen het licht te houden.
34.
Zowel de abstracte als de concrete voorwaarde hangt samen met de vraag hoe moet worden bepaald welke autoriteit bevoegd is om in een concreet geval een EOB uit te vaardigen. De verwijzende rechter is van mening dat de Generalstaatsanwaltschaft Frankfurt am Main in de omstandigheden van de onderhavige zaak niet de autoriteit was die bevoegd was om de EOB's uit te vaardigen voor de overdracht uit Frankrijk van bewijsmateriaal bestaande uit geïntercepteerde telecommunicatiegegevens.
35.
Artikel 2, onder c), van de EOB-richtlijn regelt welke autoriteiten een EOB kunnen uitvaardigen. Voor zover relevant luidt deze bepaling:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- c)
‘uitvaardigende autoriteit’:
- i)
een in de zaak bevoegde rechter, rechtbank, een onderzoeksrechter of officier van justitie, […]
[…]’10.
36.
In artikel 2, onder c), i), van de EOB-richtlijn worden dus autoriteiten opgesomd die zelfstandig, zonder toestemming van buitenaf, een EOB kunnen uitvaardigen. Anders dan in het EAB-kaderbesluit11. wordt in de EOB-richtlijn de officier van justitie expliciet genoemd als zijnde een dergelijke autoriteit.12. Bijgevolg heeft het Hof in het arrest Staatsanwaltschaft Wien (Vervalste overschrijvingsopdrachten) geoordeeld dat, anders dan bij het EAB-kaderbesluit, een officier van justitie de uitvaardigende autoriteit van een EOB kan zijn, ook al is hij niet volledig onafhankelijk van de uitvoerende macht.13.
37.
Het feit dat een officier van justitie in beginsel bevoegd is, betekent evenwel niet dat hij in elke zaak de bevoegde uitvaardigende autoriteit is. Dat hangt veeleer af van de omstandigheden van de zaak en houdt verband met de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van de EOB-richtlijn. Daarom zal ik niet alleen nagaan wat deze voorwaarden impliceren voor een uitvaardigende autoriteit, maar ook hoe zij gevolgen hebben voor de vraag welke autoriteit dat is.
1. Artikel 6, lid 1, onder b), van de EOB-richtlijn en een vergelijkbare binnenlandse zaak
38.
Artikel 6, lid 1, onder b), van de EOB-richtlijn schrijft voor dat een EOB wordt uitgevaardigd op voorwaarde dat de onderzoeksmaatregel in dezelfde omstandigheden in een vergelijkbare binnenlandse zaak bevolen kan worden.
39.
Bijgevolg moet worden nagegaan wat moet worden verstaan onder een vergelijkbare binnenlandse zaak wanneer een EOB wordt uitgevaardigd voor de overdracht van bestaand bewijsmateriaal.
40.
Voordat ik inga op het begrip ‘vergelijkbare binnenlandse zaak’, is een opmerking op zijn plaats. Deze vraag is gerezen en door de deelnemers aan deze procedure besproken vanwege het standpunt van het Bundesgerichtshof14., volgens hetwelk artikel 6, lid 1, onder b), van de EOB-richtlijn in het geheel niet van toepassing is op een EOB voor de overdracht van bestaand bewijsmateriaal. Volgens die rechterlijke instantie is de overdracht van bewijsmateriaal geen onderzoeksmaatregel als zodanig en is die bepaling hierop dus niet van toepassing.
41.
Ik deel dat standpunt niet. Artikel 6, lid 1, onder b), van de EOB-richtlijn bevat namelijk de voorwaarden voor het uitvaardigen van een EOB zonder onderscheid te maken tussen de twee soorten maatregelen die in artikel 1 van de EOB-richtlijn worden genoemd. De bewoordingen van deze bepaling sluiten onderzoeksmaatregelen waarbij om de overdracht van reeds bestaand bewijsmateriaal wordt verzocht, niet uit van de werkingssfeer ervan. Artikel 6, lid 1, onder b), van de EOB-richtlijn is derhalve ook van toepassing op een EOB dat wordt uitgevaardigd met het oog op de overdracht van bestaand bewijsmateriaal, zoals in de onderhavige zaak.15.
42.
Een vergelijkbare binnenlandse zaak die relevant is voor de beoordeling of een EOB kan worden uitgevaardigd, verschilt naargelang het gaat om de vraag of een EOB wordt uitgevaardigd voor de vergaring van nieuw bewijsmateriaal of voor de overdracht van reeds bestaand bewijsmateriaal. Zoals in overweging gegeven door de Commissie, de Staatsanwaltschaft Berlin en de Duitse regering, is een vergelijkbare binnenlandse zaak dus een zaak waarin bewijsmateriaal binnen Duitsland wordt overgedragen van de ene strafprocedure naar de andere (bijvoorbeeld van de Staatsanwaltschaft München naar de Staatsanwaltschaft Berlin).
43.
Die uitlegging vindt steun in de bewoordingen van artikel 6, lid 1, onder b), volgens welke het bij ‘de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel(en)’16. gaat om maatregelen die de autoriteit binnenlands moet kunnen bevelen. In het onderhavige geval is de in de EOB's aangegeven maatregel de overdracht van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit was van de Franse autoriteiten.
44.
Of het mogelijk is om bewijsmateriaal dat bestaat uit geïntercepteerde communicatie die vergaard is voor een bepaald strafonderzoek of een bepaalde strafprocedure over te dragen naar een ander strafonderzoek of een andere strafprocedure, is een vraag die naar Duits recht moet worden beantwoord. Dat is geen vraag waarop de EOB-richtlijn zelf een antwoord biedt; die richtlijn verwijst veeleer naar het recht van de uitvaardigende staat.
45.
Spelen de onderliggende maatregelen op basis waarvan het bewijsmateriaal in Frankrijk werd vergaard een rol in deze beoordeling?
46.
Voor zover het nationale recht voorwaarden bepaalt voor de overdracht van bewijsmateriaal tussen strafprocedures, kan de onderliggende maatregel relevant worden. Indien bijvoorbeeld naar Duits recht een binnenlandse overdracht van geïntercepteerde telecommunicatie van de ene strafprocedure naar de andere verboden zou zijn, zou de uitvaardigende autoriteit evenmin opdracht kunnen geven tot een dergelijke grensoverschrijdende overdracht.
47.
Dat lijkt in de onderhavige procedure echter niet het geval te zijn. Ter terechtzitting heeft de Duitse regering bevestigd dat de overdracht van bewijsmateriaal tussen twee strafprocedures naar Duits recht mogelijk is, met inbegrip van bewijsmateriaal dat is vergaard door de interceptie van communicatie. De voorwaarden voor een dergelijke overdracht zijn vastgelegd in de Strafprozessordnung (Duits wetboek van strafvordering; hierna: ‘StPO’). Het staat aan de verwijzende rechter om het Duitse recht uit te leggen, teneinde te bepalen of dit inderdaad het geval is.17.
48.
De uitvaardigende autoriteit is echter op grond van de EOB-richtlijn niet verplicht om te beoordelen of de onderliggende maatregelen op basis waarvan het bewijsmateriaal is vergaard, in de uitvoerende staat rechtmatig zijn genomen. Sterker nog, dit mag zelfs niet. Bij het uitvaardigen van een EOB voor de overdracht van bestaand bewijsmateriaal is de uitvaardigende autoriteit gebonden door het beginsel van wederzijdse erkenning, dat ten grondslag ligt aan de samenwerking in strafzaken in de Europese Unie. Tenzij de onderliggende maatregelen in een gerechtelijke procedure in Frankrijk, die de betrokkene moet kunnen inleiden18., onrechtmatig worden bevonden, kan de uitvaardigende autoriteit de rechtmatigheid ervan niet in twijfel trekken.
49.
M.N. heeft betoogd dat het maken van onderscheid tussen de overdracht van bewijsmateriaal en de maatregelen op basis waarvan het is vergaard, het mogelijk maakt de bescherming van een verdachte of een beschuldigde persoon krachtens het recht van de uitvaardigende staat te omzeilen. Volgens hem hebben de Duitse autoriteiten met hun verzoek aan hun Franse tegenhangers bewijsmateriaal verkregen dat strijdig is met het Duitse recht.
50.
De omstandigheden van deze zaak voeden geen vermoeden van misbruik van grensoverschrijdende onderzoeksprocedures. Frankrijk kwam in het bezit van het betrokken bewijsmateriaal in de loop van zijn eigen strafrechtelijk onderzoek. Ook al is dat bewijsmateriaal toevallig ook voor Duitsland van belang, Frankrijk is niet ten behoeve van het Duitse strafrechtelijke onderzoek met de vergaring ervan begonnen. Dus ook al zou een Duitse rechter geen toestemming hebben gegeven voor een dergelijke interceptie indien deze in Duitsland zou hebben plaatsgevonden, dan nog hebben de Franse autoriteiten die interceptiemaatregelen genomen in overeenstemming met het Franse recht en met toestemming van een bevoegde Franse rechter.
51.
Het feit dat er aanzienlijke verschillen tussen de strafrechtsstelsels van de lidstaten bestaan19., betekent niet dat het ene stelsel de grondrechten van verdachten of beschuldigde personen beschermt, terwijl het andere deze grondrechten schendt. De justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie berust veeleer op de aanname dat alle lidstaten de grondrechten eerbiedigen. Dat die aanname in een bepaalde zaak voor de bevoegde rechter kan worden weerlegd, mag het beginsel van wederzijds vertrouwen dat aan het EOB en andere instrumenten voor samenwerking in strafzaken ten grondslag ligt, niet op losse schroeven zetten.
52.
Daarom moet de uitvaardigende autoriteit overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder b), van de EOB-richtlijn beoordelen of de gegevens die door de interceptie van telecommunicatie ten behoeve van een strafprocedure zijn vergaard, binnen Duitsland mogen worden overgedragen naar een andere strafprocedure. Als dat het geval is, kan deze autoriteit een EOB uitvaardigen voor de overdracht van bewijsmateriaal dat is vergaard door de interceptie van telecommunicatie in een andere lidstaat. Bij het uitvaardigen van een dergelijk EOB mag de uitvaardigende autoriteit de rechtmatigheid van de maatregelen op basis waarvan het bewijsmateriaal in de uitvoerende lidstaat is vergaard, niet in twijfel trekken.
53.
Ten slotte wenst de verwijzende rechter met zijn subsidiaire derde vraag, onder b), te vernemen of het van belang is dat de door de uitvoerende staat verrichte interceptie gegevens over gebruikers van mobiele telefoons in Duitsland omvatte, dan wel dat een dergelijke interceptie in het belang van strafvervolging in die staat was. Ik ben van mening dat deze omstandigheden, ook al zouden zij juist zijn, niet relevant zijn voor de uitlegging van artikel 6, lid 1, onder b), van de EOB-richtlijn.
54.
In de eerste plaats is het feit dat de interceptie plaatsvond met betrekking tot mobiele telefoons van gebruikers op Duits grondgebied niet relevant voor de toepasselijkheid van artikel 6, lid 1, onder b), van de EOB-richtlijn. Ongeacht waar het bewijsmateriaal werd vergaard, moet er, om dat bewijsmateriaal van Frankrijk naar Duitsland te kunnen overdragen door middel van een EOB, namelijk worden voldaan aan de Duitse regels die van toepassing zijn op een vergelijkbare binnenlandse zaak.
55.
In de tweede plaats is de veronderstelling dat de Franse autoriteiten de communicatie in het belang van Duitsland hebben geïntercepteerd een veronderstelling omtrent de feiten waarvoor in de verwijzingsbeslissing geen bewijs te vinden is en waarover het Hof zich niet kan uitspreken. Belangrijker nog, niets in artikel 6, lid 1, onder b), van de EOB-richtlijn leidt tot de slotsom dat het belang van de uitvaardigende staat relevant is voor de uitlegging ervan.
Voorlopige conclusie
56.
Wordt een EOB uitgevaardigd voor de overdracht van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van een andere staat, dan impliceert de verwijzing in artikel 6, lid 1, onder b), van de EOB-richtlijn naar een vergelijkbare binnenlandse zaak dat de uitvaardigende autoriteit beoordeelt of en onder welke voorwaarden het relevante nationale recht de overdracht van door interceptie van communicatie verkregen bewijsmateriaal tussen strafprocedures in eigen land toestaat.
57.
Wanneer de uitvaardigende autoriteit beslist of zij een EOB kan uitvaardigen voor de overdracht van bestaand bewijsmateriaal, mag zij niet nagaan of het bewijsmateriaal waarvan zij de overdracht door middel van een EOB verzoekt, rechtmatig in de uitvoerende staat is vergaard.
58.
Het feit dat de onderliggende maatregelen ten uitvoer werden gelegd op het grondgebied van de uitvaardigende staat of in het belang van die staat waren, is niet relevant voor het voorafgaande antwoord.
2. Artikel 6, lid 1, onder b), van de EOB-richtlijn en de bevoegde uitvaardigende autoriteit
59.
De verwijzende rechter is van mening dat de EOB's in casu hadden moeten worden uitgevaardigd door een rechter, en niet door een officier van justitie. Dienaangaande wenst de verwijzende rechter in de eerste plaats te vernemen of een dergelijke slotsom voortvloeit uit de gecombineerde lezing van artikel 2, onder c), i), en artikel 6, lid 1, onder b), van de EOB-richtlijn, en in de tweede plaats of het feit dat de Franse autoriteiten mobiele telefoons op Duits grondgebied hebben geïntercepteerd gevolgen heeft voor het antwoord op die vraag.
60.
Het Hof heeft reeds verklaard dat artikel 6, lid 1, onder b), van de EOB-richtlijn wel degelijk relevant is voor de vraag wie in een bepaald geval de uitvaardigende autoriteit is. In het arrest Spetsializirana Prokuratura (Verkeers- en locatiegegevens) heeft het Hof een verband gelegd tussen artikel 2, onder c), i), van de EOB-richtlijn en artikel 6, lid 1, onder b), van die richtlijn.20. Het Hof heeft verklaard dat een EOB door een rechter moet worden uitgevaardigd indien het recht van de uitvaardigende lidstaat dit voorschrijft met betrekking tot dezelfde maatregel in een binnenlandse context.21. In een dergelijk geval is de rechter de bevoegde uitvaardigende autoriteit, ook al vermeldt artikel 2, onder c), i), van de EOB-richtlijn ook de officier van justitie.22.
61.
Kortom, een officier van justitie kan in beginsel een uitvaardigende autoriteit zijn, maar het nationale recht dat van toepassing is in een vergelijkbare binnenlandse zaak bepaalt welke uitvaardigende autoriteit bevoegd is in een concreet geval.
62.
Rekening houdend met mijn voorafgaande analyse van wat moet worden verstaan onder een vergelijkbare binnenlandse zaak overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder b), van de EOB-richtlijn wanneer een EOB wordt uitgevaardigd voor de overdracht van bestaand bewijsmateriaal, had het EOB moeten worden uitgevaardigd door een rechter indien het Duitse recht dit vereist bij een binnenlandse overdracht van geïntercepteerde telecommunicatiegegevens.
63.
Voor het bepalen van de bevoegde uitvaardigende autoriteit is het dus niet relevant of naar Duits recht een rechter toestemming moet geven voor de interceptiemaatregelen. De enige vraag is of bij een vergelijkbare binnenlandse overdracht een rechter toestemming zou moeten verlenen. Dat lijkt naar Duits recht niet het geval te zijn.
64.
Niettemin blijft een belangrijk punt van zorg over. Als de overdracht van bestaand bewijsmateriaal in het binnenland had plaatsgevonden, van één officier van justitie naar een andere (bijvoorbeeld van München naar Berlijn), dan had de onderliggende maatregel van de interceptie van telecommunicatie naar Duits recht door een rechter moeten zijn bevolen. De evenredigheid van de inmenging in de grondrechten zou dan door een rechter zijn gecontroleerd. Dat maakt het vanuit het oogpunt van de bescherming van de rechten van verdachten of beschuldigde personen aanvaardbaar om het gebruik van dat bewijsmateriaal in een andere strafprocedure toe te staan zonder dat daar opnieuw een rechter aan te pas hoeft te komen.
65.
Wordt de onderliggende maatregel evenwel door een ander rechtsstelsel beheerst, dan werkt een regel die geen rechterlijke controle op de overdracht van bestaand bewijsmateriaal vereist, in een andere, niet-vergelijkbare context.23.
66.
In casu heeft de Franse rechter evenwel toestemming gegeven voor de interceptie van telecommunicatie.24. Het beginsel van wederzijdse erkenning, waarop het EOB-stelsel is gebaseerd, vereist dat de Duitse autoriteiten aan die procedurele stap dezelfde waarde toekennen als zij zouden doen in geval van een binnenlandse procedurele stap. Dit geldt zelfs dan wanneer in een concrete zaak een Duitse rechter anders zou beslissen.
67.
Maar wat als het Franse recht niet zou vereisen dat de rechter toestemming geeft voor de interceptiemaatregelen? Ter terechtzitting heeft de Commissie verklaard dat de situatie in een dergelijk geval anders zou zijn, waarbij zij heeft betoogd dat het EOB waarin om de overdracht van bestaand bewijsmateriaal wordt verzocht als strijdig met het Unierecht kan worden beschouwd wanneer de Franse rechter geen toestemming zou hebben gegeven voor de onderliggende maatregel. Dit doet vermoeden dat artikel 6, lid 1, onder b), van de EOB-richtlijn niet geheel neutraal is ten opzichte van de onderliggende maatregel wanneer een EOB wordt uitgevaardigd voor de overdracht van bestaand bewijsmateriaal.
68.
Wanneer het nationale recht een officier van justitie de bevoegdheid geeft te verzoeken om de overdracht van bewijsmateriaal omdat de rechter toestemming heeft gegeven voor de oorspronkelijke vergaring van dat bewijsmateriaal, wordt die nationale regel mijns inziens relevant met het oog op artikel 6, lid 1, onder b), van de EOB-richtlijn. Dat betekent dat de uitvaardigende autoriteit moet nagaan of de rechter toestemming heeft gegeven voor de onderliggende maatregel, zoals het nationale recht vereist. De uitvaardigende autoriteit zou zich dan evenwel niet mogen afvragen of een dergelijke toestemming wel voldoet, maar zou in plaats daarvan de toestemming van de rechter in de uitvoerende staat op dezelfde wijze moeten aanvaarden als een binnenlandse toestemming.
69.
Heeft de uitvoerende staat evenwel geen rechter ingeschakeld om toestemming voor de onderliggende maatregel te verkrijgen, terwijl de uitvaardigende staat dat wel zou eisen in een vergelijkbare binnenlandse zaak, dan kan laatstgenoemde staat toestemming van de rechter verlangen voor het uitvaardigen van een EOB voor de overdracht van bestaand bewijs. Dat is zelfs het geval wanneer deze staat een dergelijke toestemming niet vereist bij een binnenlandse overdracht van bewijsmateriaal.
70.
In het onderhavige geval heeft de bevoegde Franse rechter voor alle stappen voor de vergaring van gegevens via de EncroChat-server in Frankrijk toestemming gegeven.25. Ik zie daarom geen reden waarom het Duitse openbaar ministerie geen EOB zou kunnen uitvaardigen voor de overdracht van dat bewijs.
71.
De verwijzende rechter stelt subsidiair de eerste vraag, onder b), die berust op de premisse dat de Duitse autoriteiten de aanzet hebben gegeven tot de vergaring op Duits grondgebied van gegevens door Frankrijk in het belang van Duitsland.26.
72.
Die vraag is gedeeltelijk hypothetisch van aard, aangezien het bij de vergaring van bewijsmateriaal ging om een Frans initiatief ten behoeve van het eigen onderzoek. De ontdekking van de Duitse EncroChat-gebruikers was het gevolg, en niet de reden, van de interceptie van telecommunicatie.
73.
De omstandigheid dat sommige EncroChat-gebruikers zich op Duits grondgebied bevonden, is naar mijn mening niet relevant voor wat onder een ‘uitvaardigende autoriteit’ moet worden verstaan. Omdat een EOB alleen kan worden uitgevaardigd voor maatregelen die in een vergelijkbare binnenlandse zaak kunnen worden bevolen, zijn dezelfde nationale regels betreffende de uitvaardigende autoriteit van toepassing, ongeacht waar en door wie de onderzoeksmaatregel is uitgevoerd. Het enige verschil is of een EOB of een binnenlands onderzoeksbevel wordt gebruikt.27.
Voorlopige conclusie
74.
Heeft een rechter toestemming gegeven voor een onderliggende maatregel in de uitvoerende staat, dan hoeft een EOB voor de overdracht van het vergaarde bewijsmateriaal niet ook door een rechter te worden uitgevaardigd, ook al zou de onderliggende bewijsgaring naar het recht van de uitvaardigende staat door een rechter moeten worden bevolen.
75.
Het feit dat de interceptie is uitgevoerd op het grondgebied van een andere lidstaat maakt geen verschil voor de vraag wie de uitvaardigende autoriteit is.
3. Artikel 6, lid 1, onder a), van de EOB-richtlijn en het evenredigheidsbeginsel
76.
Volgens artikel 6, lid 1, onder a), van de EOB-richtlijn moet een EOB noodzakelijk zijn voor en in verhouding staan tot het doel van de strafprocedure, daarbij rekening houdend met de rechten van de verdachte of beschuldigde persoon.28.
77.
Deze evenredigheidsbeoordeling vindt plaats op basis van zowel het Unierecht als het recht van de uitvaardigende staat.29.
78.
De uitvaardigende autoriteit moet de overtuiging hebben dat het EOB noodzakelijk en evenredig is gezien de omstandigheden van het moment waarop het EOB wordt uitgevaardigd. In dat verband stelt M.N. terecht dat het voor de beoordeling van de evenredigheid van een EOB absoluut irrelevant is of het strafrechtelijk onderzoek zeer vruchtbaar is geweest en heeft geresulteerd in talrijke veroordelingen voor ernstige misdrijven.
79.
De relevante vraag is veeleer of de mate van inmenging in het privéleven die de toegang van de officier van justitie tot het overgedragen bewijsmateriaal met zich brengt, kan worden gerechtvaardigd door het openbaar belang bij het betrokken strafrechtelijk onderzoek of de betrokken strafprocedure, rekening houdend met de omstandigheden van de specifieke zaak.
80.
In dat verband heeft het Hof in zijn rechtspraak met betrekking tot de e-privacyrichtlijn30. geoordeeld dat de toegang van overheidsinstanties tot verkeers- en locatiegegevens altijd een ernstige inmenging in het privéleven van de betrokken personen vormt.31.
81.
Hoewel de e-privacyrichtlijn als zodanig niet van toepassing is op de onderhavige zaak32., zijn de bevindingen met betrekking tot de ernstige inmenging in de grondrechten door het toegankelijk maken van verkeers- en locatiegegevens ook relevant voor de onderhavige zaak. De toegang van de Duitse overheidsinstanties tot uit Frankrijk overgedragen communicatiegegevens kan immers worden gekarakteriseerd als een ernstige inmenging in de grondrechten. Niettemin kan zelfs een ernstige inmenging worden gerechtvaardigd door een net zo zwaarwegend algemeen belang.33.
82.
Dat belang kan alleen door de uitvaardigende autoriteit (of de toetsende nationale rechter als bedoeld in artikel 14, lid 2, van de EOB-richtlijn) worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van de zaak, welke beoordeling eerst en vooral overeenkomstig het nationale recht plaatsvindt.34. Zoals ik reeds heb uiteengezet, is het relevante nationale recht het recht dat de overdracht van bewijsmateriaal van de ene strafprocedure naar de andere regelt.
83.
Het Hof kan wat betreft de evenredigheidsbeoordeling van een concreet EOB niet op de stoel gaan zitten van de uitvaardigende autoriteit of de toetsende nationale rechter. Het Hof is daartoe niet alleen niet bevoegd, maar heeft ook niet de volledige kennis van alle relevante wetgeving en feiten rond een bepaald strafrechtelijk onderzoek. Daarom staat het niet aan het Hof om te beslissen of het bij gebreke van concreet bewijs van de gepleegde misdrijven onevenredig is om de overdracht van gegevens van alle EncroChat-gebruikers in Duitsland te bevelen.
84.
Met de tweede vraag, onder b), wenst de verwijzende rechter te vernemen of de geheimhouding wat betreft de methode voor de interceptie van gegevens in aanmerking moet worden genomen bij de evenredigheidsbeoordeling, wanneer de integriteit van de vergaarde gegevens niet kan worden geverifieerd door de autoriteiten in de uitvaardigende staat.
85.
Mijns inziens kan deze geheimhouding inderdaad van invloed zijn op de mogelijkheid van een verdachte of een beschuldigde persoon om zich te verdedigen. Dat is echter relevant voor de toelaatbaarheid van bewijsmateriaal, hetgeen in de vijfde groep vragen van de verwijzende rechter aan de orde komt.
Voorlopige conclusie
86.
De beoordeling of een EOB waarin om overdracht van bestaand bewijsmateriaal wordt verzocht, noodzakelijk en evenredig is, staat aan de uitvaardigende autoriteit, waarbij toetsing door de bevoegde nationale rechter mogelijk is. Bij die beoordeling moet er rekening mee worden gehouden dat de toegang van de nationale autoriteiten tot de geïntercepteerde communicatiegegevens een ernstige inmenging in het privéleven van de betrokken personen vormt. Tegenover deze inmenging moet een zwaarwegend algemeen belang bij het onderzoek en de vervolging van misdrijven staan.
4. Vereist het Unierecht een evenredigheidstoetsing door de rechter in geval van ernstige inmenging in de grondrechten?
87.
Met de eerste vraag, onder c), wenst de verwijzende rechter te vernemen of het Unierecht, niettegenstaande het toepasselijke nationale recht, vereist dat een rechter toestemming geeft voor de toegang van een officier van justitie tot bewijsmateriaal dat is verkregen door interceptie van communicatie.
88.
De verwijzende rechter geeft in overweging dat voor het uitvaardigen van een EOB voor de overdracht van bewijsmateriaal dat bestaat uit geïntercepteerde telecommunicatie altijd toestemming van de rechter vereist is. Deze rechter verwijst naar het arrest Prokuratuur.
89.
In dat arrest heeft het Hof verklaard dat de toegang van nationale instanties tot gegevens die worden bewaard door aanbieders van elektronische-communicatiediensten onderworpen is aan voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie of een andere onafhankelijke entiteit.35. Het Hof heeft zich gebaseerd op het overtuigende argument van de advocaat-generaal36. dat het openbaar ministerie, dat partij is in de strafprocedure, niet als onpartijdig kan worden beschouwd. Daarom is het de vraag of een dergelijk orgaan de evenredigheid kan beoordelen zonder de belangen van de vervolging zwaarder te laten wegen dan de belangen van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de gegevensbescherming van de verdachte of beschuldigde persoon.
90.
Aangezien ook artikel 6, lid 1, onder a), van de EOB-richtlijn vereist dat een EOB evenredig is, kan men zich afvragen of het openbaar ministerie volgens de redenering van het arrest Prokuratuur überhaupt kan worden belast met een dergelijke beoordeling van de evenredigheid.
91.
De EOB-richtlijn laat de vraag of een officier van justitie een EOB kan uitvaardigen over aan de nationale rechtsorden. Dat is logisch gezien de verschillen in de organisatie van de strafrechtsstelsels in de lidstaten. Bij de beantwoording van die vraag binnen de nationale rechtsorden gaat het erom of de officier van justitie de evenredigheid onpartijdig kan beoordelen. Zou de officier van justitie, doordat hij partij is in de strafprocedure, niet geschikt zijn om een EOB uit te vaardigen, dan zou artikel 2, onder c), i), van de EOB-richtlijn een lege huls worden.
92.
De verwijzende rechter heeft evenwel in overweging willen geven dat enkel wanneer maatregelen een ernstige inmenging op de grondrechten vormen, het Unierecht van toepassing is en de toestemming van de rechter voorschrijft. Dat was inderdaad het geval in de zaak die heeft geleid tot het arrest Prokuratuur en in andere zaken met betrekking tot de e-privacyrichtlijn.
93.
Het korte antwoord is dat de e-privacyrichtlijn en de desbetreffende rechtspraak niet van toepassing zijn in de onderhavige situatie. Deze richtlijn en rechtspraak zijn alleen relevant wanneer aanbieders van telecommunicatiediensten op grond van nationaal recht verplicht zijn verkeers- en locatiegegevens in verband met telecommunicatie te bewaren en wanneer overheidsinstanties toegang eisen tot de aldus bewaarde gegevens. Wordt de interceptie rechtstreeks door de lidstaten uitgevoerd zonder dat aan de aanbieders van telecommunicatiediensten verplichtingen worden opgelegd, dan is de e-privacy-richtlijn niet van toepassing, maar de nationale wetgeving wel.37.
94.
Wordt evenwel, zoals in overweging is gegeven door de verwijzende rechter, preciezer naar de redenering van het arrest Prokuratuur gekeken, dan rijst niettemin de vraag waarom het Hof heeft geoordeeld dat het openbaar ministerie door de aard van zijn taken niet in staat is om de evenredigheid onpartijdig te beoordelen wanneer het gaat om het verzoeken om toegang tot telecommunicatiegegevens van aanbieders van netwerkdiensten.
95.
In de context van de e-privacyrichtlijn zijn de gegevens waartoe een officier van justitie toegang krijgt, altijd de gegevens die in het bezit zijn van telecommunicatie-exploitanten die krachtens de nationale wetgeving verplicht zijn verkeers- en locatiegegevens van het algemene publiek te bewaren. Bij de gegevens die op die manier worden bewaard, gaat het niet om een specifiek geval, maar veeleer om grootschalig toezicht. Het verzoek om toegang door een officier van justitie in het kader van een concreet strafrechtelijk onderzoek is de eerste gelegenheid waarbij rekening kan worden gehouden met individuele omstandigheden. Daarom was het gerechtvaardigd om beoordeling door de rechter van een dergelijke toegang te eisen. De inschakeling van de rechter is namelijk noodzakelijk om te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van de toegang tot gegevens die op grote schaal en algemeen worden bewaard.
96.
Dat onderscheidt de bevindingen in het arrest Prokuratuur van de situatie in de onderhavige zaak. In casu worden de over te dragen gegevens niet zonder onderscheid vergaard bij het algemene publiek, maar ten behoeve van een concreet strafrechtelijk onderzoek in Frankrijk. In die eerste stap, waardoor deze gegevens beschikbaar zijn geworden, werd de vergaring ervan door een rechter gecontroleerd.
97.
Daarom is de zwaarte van de inmenging in de fundamentele rechten van de bescherming van de privacy en gegevens, die de aanleiding vormde voor het arrest in de zaak Prokuratuur, niet dezelfde als die van de inmenging waarvan in het kader van de onderhavige zaak sprake is. De gegevens waarvan de overdracht werd verzocht door middel van de drie EOB's van de Generalstaatsanwaltschaft Frankfurt am Main, waren — in een context waarin werd vermoed dat EncroChat voornamelijk werd gebruikt voor het plegen van strafbare feiten — beperkt tot gebruikers van deze dienst in Duitsland.
98.
Daarmee is niet gezegd dat de inmenging in het privéleven van deze personen niet zwaar weegt. Zij is evenwel nog lang niet vergelijkbaar met grootschalig toezicht op het algemene publiek.
99.
Behalve de verplichting voor de uitvaardigende autoriteit om de evenredigheid te beoordelen en te motiveren, bevat de EOB-richtlijn nog verdere waarborgen. Voor het geval dat een officier van justitie grondrechten schendt, moeten de lidstaten ingevolge artikel 14, lid 1, van de EOB-richtlijn erop toezien dat rechtsmiddelen toepasselijk zijn die gelijkwaardig zijn met die welke in een vergelijkbare binnenlandse zaak mogelijk zijn. Daarom moet een verdachte of een beschuldigde persoon de evenredigheidsbeoordeling kunnen aanvechten die de officier van justitie maakt wanneer hij voor de overdracht van bewijsmateriaal een EOB uitvaardigt.38. Dat is niet het geval in de context van de e-privacyrichtlijn.
100.
Tot slot wil ik kort ingaan op de relevantie van de richtlijn gegevensbescherming bij rechtshandhaving39. voor de vraag wie de uitvaardigende autoriteit is. Deze vraag is gerezen omdat het Hof in het arrest La Quadrature du Net heeft verklaard dat de e-privacyrichtlijn niet van toepassing is op de rechtstreekse interceptie van gegevens; in plaats daarvan is het nationale recht van toepassing ‘behoudens de toepassing van [de richtlijn gegevensbescherming bij rechtshandhaving]’.40. De vraag is dus of uit de richtlijn gegevensbescherming bij rechtshandhaving de verplichting voortvloeit dat een EOB voor de overdracht van bestaand bewijsmateriaal door de rechter wordt uitgevaardigd wanneer het bewijsmateriaal bestaat uit geïntercepteerde gegevens.
101.
De richtlijn gegevensbescherming bij rechtshandhaving, die persoonsgegevens beschermt in het kader van strafrechtelijke onderzoeken, kan inderdaad worden toegepast op de omstandigheden van deze zaak.41. Mijns inziens bevat deze richtlijn echter geen regel op grond waarvan het Hof tot de slotsom zou kunnen komen dat het Unierecht de lidstaten verplicht om te zorgen voor voorafgaande toestemming van de rechter wil een officier van justitie rechtstreeks toegang krijgen tot gegevens die zijn verkregen door de interceptie van communicatie.
102.
Deze richtlijn regelt de verplichtingen van overheidsinstanties die optreden als verwerkingsverantwoordelijken en die onder meer een evenredigheidsbeoordeling moeten uitvoeren42., maar bepaalt niet welke instanties dat kunnen zijn.
Voorlopige conclusie
103.
Het Unierecht vereist niet dat een EOB voor de overdracht van bestaand bewijsmateriaal dat is vergaard door middel van interceptie van telecommunicatie, wordt uitgevaardigd door een rechter, wanneer het nationale recht bepaalt dat een officier van justitie een dergelijke overdracht kan bevelen in een vergelijkbare binnenlandse zaak.
D. Artikel 31 van de EOB-richtlijn en het kennisgevingsvereiste
104.
Met zijn vierde groep vragen wenst de verwijzende rechter te vernemen of de interceptie van communicatie door de Franse autoriteiten onderworpen had moeten zijn aan het in artikel 31 van de EOB-richtlijn bedoelde kennisgevingsvereiste. Zo ja, dan wenst de verwijzende rechter tevens te vernemen of die kennisgeving aan een rechter had moeten worden gericht, aangezien naar Duits recht alleen de rechter toestemming voor de interceptie van communicatie had kunnen geven.
105.
Voor zover relevant bepaalt artikel 31 van de EOB-richtlijn het volgende:
- ‘1.
Indien de bevoegde autoriteit van één lidstaat (de ‘intercepterende lidstaat’) ten behoeve van de uitvoering van een onderzoeksmaatregel toestemming heeft gegeven voor interceptie van telecommunicatie, en het communicatieadres van de in de interceptieopdracht genoemde persoon op wie de interceptie betrekking heeft, in gebruik is op het grondgebied van een andere lidstaat (de ‘in kennis gestelde lidstaat’) en de interceptie kan worden uitgevoerd zonder de technische bijstand van die lidstaat, stelt de intercepterende lidstaat de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat van de interceptie in kennis, en wel:
- a)
voorafgaand aan de interceptie in de gevallen waarin de bevoegde autoriteit van de intercepterende lidstaat op het tijdstip van het geven van de interceptieopdracht weet dat de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich op het grondgebied van de in kennis gestelde lidstaat bevindt of zal bevinden;
- b)
tijdens of na de interceptie, zodra de intercepterende lidstaat te weten komt dat de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich tijdens de interceptie op het grondgebied van de in kennis gestelde lidstaat bevindt of heeft bevonden.
- 2.
De in lid 1 bedoelde kennisgeving geschiedt middels het formulier in bijlage C.
[…]’
106.
Artikel 31 van de EOB-richtlijn heeft betrekking op situaties waarin een lidstaat telecommunicatie intercepteert op het grondgebied van een andere lidstaat, zonder dat technische bijstand van laatstgenoemde staat nodig is.43.
107.
Deze bepaling dient twee doelen. In de eerste plaats is het vereiste van kennisgeving, als voortzetting van het comitas-gentiumbeginsel van eerdere regelingen inzake wederzijdse rechtshulp44., bedoeld om het wederzijdse vertrouwen tussen de deelnemers aan de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te versterken.45. In de tweede plaats moet de kennisgeving de in kennis gestelde lidstaat in staat stellen de grondrechten van personen op zijn grondgebied te beschermen.46.
108.
Artikel 31 van de EOB-richtlijn is van toepassing op een situatie waarin er sprake is van een grensoverschrijdende maatregel, zij het zonder een EOB omdat deze maatregel eenzijdig door een lidstaat wordt uitgevoerd.47.
109.
Die uitlegging volgt uit de bewoordingen van artikel 31 van de EOB-richtlijn, waarin in het geheel geen sprake is van het uitvaardigen van een EOB, in tegenstelling tot artikel 30 van die richtlijn. Ook worden in artikel 31 niet de begrippen ‘uitvaardigende’ en ‘uitvoerende’ lidstaat gebruikt, maar de begrippen ‘intercepterende’ en ‘in kennis gestelde’ lidstaat.48.
110.
Mijns inziens richt deze bepaling zich precies op situaties zoals de interceptie door Frankrijk van telecommunicatiegegevens van mobiele telefoons in Duitsland in het kader van een Frans strafrechtelijk onderzoek. Daarom had Frankrijk de Duitse autoriteiten in kennis moeten stellen zodra het besefte dat een deel van de geïntercepteerde gegevens afkomstig was van mobiele telefoons in Duitsland.49.
111.
Aan welke Duitse autoriteit had Frankrijk de kennisgeving moeten richten? Anders dan in sommige andere situaties50., verplicht de EOB-richtlijn de lidstaten niet om aan te geven welke nationale autoriteiten bevoegd zijn om dergelijke kennisgevingen te ontvangen. Daarom kan de intercepterende staat niet weten welke instantie in de in kennis gestelde lidstaat bevoegd is om de kennisgeving te ontvangen.
112.
Frankrijk was dus niet verplicht om de bevoegde Duitse rechter in kennis te stellen, maar had bijvoorbeeld ook een officier van justitie in kennis kunnen stellen. Het staat aan de in kennis gestelde lidstaten om een dergelijke kennisgeving in ontvangst te nemen en door te geven aan de naar nationaal recht bevoegde autoriteit.
Voorlopige conclusie
113.
Een lidstaat die in de loop van een eenzijdig strafrechtelijk onderzoek of een eenzijdige strafprocedure telecommunicatie intercepteert op het grondgebied van een andere lidstaat, moet die andere staat van die interceptie in kennis stellen.
114.
Deze kennisgeving kan worden gedaan aan elke autoriteit die de intercepterende lidstaat geschikt acht, aangezien deze staat niet kan weten welke autoriteit bevoegd is in een vergelijkbare binnenlandse zaak.
115.
Artikel 31 van de EOB-richtlijn heeft tot doel zowel de betrokken individuele telecommunicatiegebruikers als de soevereiniteit van de in kennis gestelde lidstaat te beschermen.
E. Toelaatbaarheid van het bewijsmateriaal
116.
Met zijn vijfde groep vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de vaststelling dat een EOB in strijd met de EOB-richtlijn is uitgevaardigd, tot gevolg heeft dat het vergaarde bewijsmateriaal in de strafprocedure in de uitvaardigende lidstaat ontoelaatbaar is. Deze rechter verwijst naar de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid. Naar dit laatste beginsel wordt in die zin verwezen dat indien het in strijd met de EOB-richtlijn verkregen bewijsmateriaal in de uitvaardigende staat toch zou worden gebruikt, dit afbreuk zou doen aan het nuttig effect van die richtlijn.
117.
Het antwoord op deze groep vragen kan kort zijn: het Unierecht regelt niet de toelaatbaarheid van bewijsmateriaal in strafprocedures.
118.
Hoewel de Unie krachtens artikel 82, lid 2, onder a), VWEU bevoegd is om minimumvoorschriften vast te stellen met betrekking tot de wederzijdse toelaatbaarheid van bewijsmateriaal tussen de lidstaten, is dit nog niet gebeurd.51.
119.
De enige vermelding van een beoordeling van het door middel van een EOB verkregen bewijsmateriaal is te vinden in de tweede volzin van artikel 14, lid 7, van de EOB-richtlijn: ‘Onverminderd de nationale procedurele voorschriften zorgen de lidstaten ervoor dat, bij het beoordelen van het door middel van het EOB verkregen bewijsmateriaal, de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedures tijdens een strafprocedure in de uitvaardigende staat worden gewaarborgd.’52.
120.
Ter terechtzitting heeft de Commissie op de vraag of deze bepaling gevolgen heeft voor de regels inzake de toelaatbaarheid van bewijsmateriaal in de lidstaten geantwoord dat het komen tot die slotsom te ver zou gaan. Zij heeft uiteengezet dat die volzin er alleen aan herinnert dat de rechten die door de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) worden beschermd, moeten worden geëerbiedigd. Ik voel wel iets voor deze zienswijze die erkent dat het politieke proces van de Unie wat betreft het regelen van de toelaatbaarheid van bewijs op dit moment geen vooruitgang boekt.
121.
Voor zover ik weet, komt het Unierecht het dichtst in de buurt van een regeling van de toelaatbaarheid van bewijsmateriaal in artikel 37, lid 1, van de EOM-verordening53.: ‘Bewijsmateriaal dat door de aanklagers van het EOM of de verdediging is voorgelegd aan de rechter kan niet wegens het enkele feit dat het in een andere lidstaat of overeenkomstig het recht van een andere lidstaat is vergaard, ontoelaatbaar worden verklaard.’
122.
Deze bepaling zegt echter alleen dat bewijsmateriaal niet ontoelaatbaar mag worden verklaard omdat het in het buitenland of naar het recht van een andere lidstaat is vergaard. Zij legt de nationale rechter geen verdere beperkingen op met betrekking tot de wijze van beoordeling van de toelaatbaarheid van bewijsmateriaal.
123.
Dezelfde benadering kan worden gevonden in de rechtspraak van het EHRM. Dat Hof heeft ondubbelzinnig verklaard dat de toelaatbaarheid van bewijsmateriaal een kwestie van nationaal recht is54., terwijl bij de beoordeling van de mogelijke schending van artikel 6 EVRM ‘het Hof de procedure in haar geheel zal bezien, rekening houdend met de rechten van de verdediging, maar ook met het belang van het publiek en de slachtoffers bij een adequate vervolging van het misdrijf en, waar nodig, met de rechten van getuigen’55..
124.
Ook al is de rechtsliteratuur kritisch wat betreft de ontoereikendheid van een dergelijke norm, met name in het licht van de verschillen tussen de procesrechtelijke regels van de lidstaten56., dit laat het feit onverlet dat er op het niveau van Unie momenteel geen regeling omtrent de toelaatbaarheid van bewijsmateriaal is.
125.
Kortom, bij de huidige stand van de ontwikkeling van het Unierecht beheerst het recht van de lidstaten de vraag of bewijsmateriaal dat is vergaard in strijd met het nationale recht of het Unierecht, toelaatbaar is.
126.
De EOB-richtlijn verbindt weinig tot geen gevolgen aan het feit dat mogelijk niet is voldaan aan de voorwaarden voor de uitvaardiging van een EOB. Artikel 6, lid 3, van de EOB-richtlijn bepaalt enkel dat indien de uitvoerende autoriteit redenen heeft om aan te nemen dat niet is voldaan aan de in artikel 6, lid 1, van die richtlijn bedoelde voorwaarden, zij met de uitvaardigende autoriteit in overleg kan treden over het belang van de tenuitvoerlegging van het EOB en dat na dat overleg de uitvaardigende autoriteit kan besluiten het EOB in te trekken.
127.
Samenvattend is de toelaatbaarheid van bewijsmateriaal vooralsnog een zaak van nationaal recht. In zaken waarin het Unierecht van toepassing is, mogen de betrokken nationale bepalingen echter niet in strijd zijn met de artikelen 47 en 48 van het Handvest.57.
128.
De procedurele beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid zijn van toepassing op situaties waarin het Unierecht justitiabelen rechten toekent zonder rechtsmiddelen. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat een door het Unierecht toegekend recht onder dezelfde voorwaarden kan worden uitgeoefend als een vergelijkbaar nationaal recht, en de toepasselijke procedureregels mogen de handhaving van dergelijke rechten niet nagenoeg onmogelijk maken.58.
129.
Het Unierecht kent aan de justitiabelen evenwel geen rechten toe met betrekking tot de (on)toelaatbaarheid van bewijs. De beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid zijn niet van toepassing.
130.
Ten slotte, ook al zou het nuttig effect van de EOB-richtlijn (wellicht) vergroten als bewijsmateriaal ontoelaatbaar is indien er sprake is van schending van die richtlijn, dit geeft het Hof niet de bevoegdheid om een dergelijke regel in het leven te roepen.
Voorlopige conclusie
131.
Het Unierecht regelt in de huidige stand van zijn ontwikkeling niet de toelaatbaarheid van bewijsmateriaal dat is vergaard door middel van een EOB dat in strijd met de voorschriften van de EOB-richtlijn is uitgevaardigd. De toelaatbaarheid van bewijsmateriaal is een zaak van nationaal recht, maar het nationale recht moet voldoen aan de vereisten van de rechten van de verdediging als bedoeld in de artikelen 47 en 48 van het Handvest.
IV. Conclusie
132.
In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Landgericht Berlin als volgt te beantwoorden:
- ‘1)
In antwoord op de eerste groep prejudiciële vragen:
Heeft een rechter toestemming gegeven voor een onderliggende maatregel in de uitvoerende staat, dan hoeft een Europees onderzoeksbevel (EOB) voor de overdracht van het vergaarde bewijsmateriaal niet ook door een rechter te worden uitgevaardigd, ook al zou de onderliggende bewijsgaring naar het recht van de uitvaardigende staat door een rechter moeten worden bevolen.
Het feit dat de interceptie is uitgevoerd op het grondgebied van een andere lidstaat maakt geen verschil voor de vraag wie de uitvaardigende autoriteit is.
Het Unierecht vereist niet dat een EOB voor de overdracht van bestaand bewijsmateriaal dat is vergaard door middel van interceptie van telecommunicatie, wordt uitgevaardigd door een rechter, wanneer het nationale recht bepaalt dat een officier van justitie een dergelijke overdracht kan bevelen in een vergelijkbare binnenlandse zaak.
- 2)
In antwoord op de tweede groep prejudiciële vragen:
De beoordeling of een EOB waarin om overdracht van bestaand bewijsmateriaal wordt verzocht, noodzakelijk en evenredig is, staat aan de uitvaardigende autoriteit, waarbij toetsing door de bevoegde nationale rechter mogelijk is. Bij die beoordeling moet er rekening mee worden gehouden dat de toegang van de nationale autoriteiten tot de geïntercepteerde communicatiegegevens een ernstige inmenging in het privéleven van de betrokken personen vormt. Tegenover deze inmenging moet een zwaarwegend algemeen belang bij het onderzoek en de vervolging van misdrijven staan.
- 3)
In antwoord op de derde groep prejudiciële vragen:
Wordt een EOB uitgevaardigd voor de overdracht van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van een andere staat, dan impliceert de verwijzing in artikel 6, lid 1, onder b), van richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken naar een vergelijkbare binnenlandse zaak dat de uitvaardigende autoriteit beoordeelt of en onder welke voorwaarden het relevante nationale recht de overdracht van door interceptie van communicatie verkregen bewijsmateriaal tussen strafprocedures in eigen land toestaat.
Wanneer de uitvaardigende autoriteit beslist of zij een EOB kan uitvaardigen voor de overdracht van bestaand bewijsmateriaal, mag zij niet nagaan of het bewijsmateriaal waarvan zij de overdracht door middel van een EOB verzoekt, rechtmatig in de uitvoerende staat is vergaard.
Het feit dat de onderliggende maatregelen ten uitvoer werden gelegd op het grondgebied van de uitvaardigende staat of in het belang van die staat waren, is niet relevant voor het voorafgaande antwoord.
- 4)
In antwoord op de vierde groep prejudiciële vragen:
Een lidstaat die in de loop van een eenzijdig strafrechtelijk onderzoek of een eenzijdige strafprocedure telecommunicatie intercepteert op het grondgebied van een andere lidstaat, moet die andere staat van die interceptie in kennis stellen.
Deze kennisgeving kan worden gedaan aan elke autoriteit die de intercepterende lidstaat geschikt acht, aangezien deze staat niet kan weten welke autoriteit bevoegd is in een vergelijkbare binnenlandse zaak.
Artikel 31 van richtlijn 2014/41 heeft tot doel zowel de betrokken individuele telecommunicatiegebruikers als de soevereiniteit van de in kennis gestelde lidstaat te beschermen.
- 5)
In antwoord op de vijfde groep prejudiciële vragen:
Het Unierecht regelt in de huidige stand van zijn ontwikkeling niet de toelaatbaarheid van bewijsmateriaal dat is vergaard door middel van een EOB dat in strijd met de voorschriften van richtlijn 2014/41 is uitgevaardigd. De toelaatbaarheid van bewijsmateriaal is een zaak van nationaal recht, maar het nationale recht moet voldoen aan de vereisten van de rechten van de verdediging als bedoeld in de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑10‑2023
Oorspronkelijke taal: Engels.
Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (PB 2014, L 130, blz. 1; hierna: ‘EOB-richtlijn’).
Deze dienst omvatte een dubbel besturingssysteem (met een niet-detecteerbare versleutelde interface), waarbij de gebruikte apparaten geen camera, microfoon, GPS of USB-poort hadden. Berichten konden automatisch worden verwijderd. Gebruikers konden met een speciale pincode onmiddellijk alle gegevens op het apparaat wissen, wat ook gebeurde na herhaaldelijk gebruik van een verkeerd wachtwoord. Tot slot kon tevens een helpdeskmedewerker of een verkoper op afstand indien nodig alle gegevens op het apparaat wissen. Meer informatie is beschikbaar op het volgende internetadres: https://www.europol.europa.eu/media-press/newsroom/news/dismantling-of-encrypted-network-sends-shockwaves-through-organised-crime-groups-across-europe.
Zo heeft de Conseil constitutionnel (grondwettelijk hof, Frankrijk) in april 2022 geoordeeld dat de Franse wetgeving, op basis waarvan de onderliggende maatregel ter interceptie van communicatie in deze zaak werd bevolen, verenigbaar is met de Franse grondwet (beslissing nr. 2022-987 QPC van 8 april 2022); het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) heeft geoordeeld dat de interceptie rechtmatig was naar Duits recht (arrest van 2 maart 2022, 5 StR 457/21), en tot slot buigt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaken nr. 44715/20 (A.L. tegen Frankrijk) en nr. 47930/21 (E.J. tegen Frankrijk) zich momenteel over het gebruik van uit Frankrijk afkomstige EncroChat-gegevens waartegen bij verschillende rechters in het Verenigd Koninkrijk is opgekomen. Op 3 januari 2022 heeft het EHRM onder andere aan de betreffende partijen gevraagd of zij de mogelijkheid hadden (maar niet hadden gebruikt) om de interceptiemaatregelen aan te vechten voor de bevoegde Franse rechter.
Vóór de EOB-richtlijn werd de overdracht van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit was van een andere lidstaat geregeld door kaderbesluit 2008/978/JBZ van de Raad van 18 december 2008 betreffende het Europees bewijsverkrijgingsbevel ter verkrijging van voorwerpen, documenten en gegevens voor gebruik in strafprocedures (PB 2008, L 350, blz. 72). In de overwegingen 4 tot en met 7 van de EOB-richtlijn valt te lezen dat het vorige systeem te gefragmenteerd en te ingewikkeld was en dat daarom het EOB werd ontworpen als één enkel instrument voor het verkrijgen van nieuw en reeds bestaand bewijsmateriaal.
Zie het in voetnoot 4 hierboven aangehaalde arrest van deze rechterlijke instantie.
Deze verwijzing is dus een schoolvoorbeeld van de bekende gang van zaken waarin de prejudiciële verwijzingsprocedure heeft geleid tot een versterking van de rechtsmacht van gewone nationale rechterlijke instanties ten opzichte van hogere rechterlijke instanties, zoals het best beschreven in Alter, K. J., ‘The European Court's Political Power’, West European Politics, deel 19(3), 1996, blz. 452. Zie voor de empirische demonstratie van de omgekeerde dynamiek, waarbij hogere nationale rechterlijke instanties vragen aan het Hof voorleggen om lagere rechterlijke instanties ervan te weerhouden dit te doen, Pavone, T., en Kelemen, D. R., ‘The Evolving Judicial Politics of European Integration: The European Court of Justice and national courts revisited’, European Law Journal, deel 25(4), 2019, blz. 352.
Zie artikel 6, lid 2, van de EOB-richtlijn.
Zie dienaangaande arrest van 16 december 2021, Spetsializirana prokuratura (Verkeers- en locatiegegevens) (C-724/19, EU:C:2021:1020, punt 44). Zie ook Csúri, A., ‘Towards an Inconsistent European Regime of Cross-Border Evidence: The EPPO and the European Investigation Order’, in Geelhoed, W. e.a., Shifting Perspectives on the European Public Prosecutor's Office, T.M.C. Asser Press, Den Haag, 2018, blz. 146.
Ingevolge artikel 2, onder c), ii), van de EOB-richtlijn mag ook een andere autoriteit die naar nationaal recht bevoegd is een EOB uitvaardigen, mits een dergelijk EOB vervolgens door een van de rechterlijke autoriteiten die worden opgesomd in artikel 2, onder c), i), van die richtlijn wordt gevalideerd.
Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 tot wijziging van kaderbesluit 2002/584/JBZ, kaderbesluit 2005/214/JBZ, kaderbesluit 2006/783/JBZ, kaderbesluit 2008/909/JBZ en kaderbesluit 2008/947/JBZ en tot versterking van de procedurele rechten van personen, tot bevordering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen gegeven ten aanzien van personen die niet verschenen zijn tijdens het proces (PB 2009, L 81, blz. 24; hierna: ‘EAB-kaderbesluit’).
In het arrest van 2 maart 2023, Staatsanwaltschaft Graz (Dienst voor belastingstrafzaken van Düsseldorf) (C-16/22, EU:C:2023:148, punten 33–36), was het Hof van oordeel dat de punten i) en ii) van artikel 2, onder c), van de EOB-richtlijn elkaar uitsluiten.
Arrest van 8 december 2020, Staatsanwaltschaft Wien (Vervalste overschrijvingsopdrachten) (C-584/19, EU:C:2020:1002, punten 57–63). In het arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456, punten 88–90), heeft het Hof daarentegen verklaard dat de Duitse officieren van justitie in de zaken die tot dat arrest hebben geleid, niet voldeden aan het vereiste van onafhankelijkheid om een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit te vaardigen. Hieruit zou volgen dat een officier van justitie die niet volledig onafhankelijk is van de uitvoerende macht, geen EAB kan uitvaardigen, maar wel een EOB. Het is goed om te benadrukken dat in deze twee arresten een rechtsmiddel tegen de officier van justitie voldoende werd geacht voor de bescherming van de grondrechten in de context van het uitvaardigen van een EOB, maar onvoldoende in de context van het uitvaardigen van een EAB.
Zie het in voetnoot 4 hierboven aangehaalde arrest van het Bundesgerichtshof.
Hieraan moet worden toegevoegd dat ter terechtzitting de vraag is gerezen of het feit dat Duitsland via Europol in real time toegang heeft gekregen tot de geïntercepteerde communicatie (in ieder geval vanaf 3 april 2020), betekent dat Duitsland een EOB had moeten uitvaardigen met het verzoek om vergaring van die gegevens. Zoals de Staatsanwaltschaft Berlin en de Duitse regering hebben uiteengezet, werd die rechtstreekse toegang niet mogelijk gemaakt met het oog op strafrechtelijke vervolging, maar alleen voor preventieve politiedoeleinden. Zij hebben betoogd dat de EOB's vervolgens vereist waren voor het gebruik van het verkregen bewijsmateriaal in de Duitse strafprocedure. Een EOB om de in real time via Europol toegankelijk gemaakte gegevens te vergaren zou daarentegen niet nodig (of zelfs niet mogelijk) zijn geweest, aangezien die toegang tot gegevens niet plaatsvond met betrekking tot de in artikel 4 van de EOB-richtlijn opgesomde procedures. Die richtlijn zou dus niet van toepassing zijn geweest op de toegang in real time van de politie tot gegevens.
Cursivering van mij.
Volgens mijn eigen, noodzakelijkerwijs oppervlakkige, onderzoek van de StPO staat § 477, lid 2, ervan de ambtshalve overdracht van persoonsgegevens van de ene strafprocedure naar de andere toe en bepaalt § 480, lid 1, ervan dat dit in de voorbereidende procedure en na de definitieve beëindiging van die procedure wordt bevolen door de officier van justitie; in elke andere situatie staat het aan de met de zaak belaste rechter om dit te bevelen. Een verplichting tot overdracht van bewijsmateriaal kan worden afgeleid uit het in § 152, lid 2, neergelegde legaliteitsbeginsel. Overdracht is in beginsel alleen mogelijk als het relevante bewijsmateriaal een strafbaar feit betreft voor de vervolging waarvan een dergelijke maatregel had kunnen worden bevolen; anders is de toestemming van de betrokken persoon nodig. Vogel, B., Köppen, P., en Wahl, T., ‘Access to Telecommunication Data in Criminal Justice: Germany’, in Sieber, U., en von zur Mühlen, N., (red.), Access to Telecommunication Data in Criminal Justice. A Comparative Analysis of European Legal Orders, Duncker & Humblot, Berlijn, 2016, blz. 518, en Gieg, G., in Barthe, C., en Gericke, J., (red.), Karlsruher Kommentar zur Strafprozessordnung, § 477, lid 1; § 479, lid 3, C. H. Beck, München, 2023.
Of personen die zijn geraakt door de EncroChat-intercepties deze in Frankrijk konden aanvechten, is een kwestie die bij het EHRM aanhangig is. Zie voetnoot 4.
De nationale strafprocedures van de lidstaten lopen sterk uiteen, niet alleen wat betreft de beschikbare onderzoeksmaatregelen (Armada, I., ‘The European Investigation Order and the Lack of European Standards for Gathering Evidence: Is a Fundamental Rights-Based Refusal the Solution?’, New Journal of European Criminal Law, deel 6(1), 2015, blz. 9), maar ook wat betreft de voorwaarden die aan hun bruikbaarheid worden verbonden [Bachmaier, L., ‘Mutual Recognition and Cross-Border Interception of Communications: The Way Ahead for the European Investigation Order’, in Brière, C., en Weyembergh, A., (red.), The Needed Balances in EU Criminal Law: Past, Present and Future, Hart Publishing, Oxford, 2018, blz. 317]. Als het bijvoorbeeld gaat om interceptie van communicatie, kennen sommige lidstaten een lijst van strafbare feiten voor het onderzoek waarvan een dergelijke maatregel kan worden bevolen (bijvoorbeeld Duitsland); andere gaan uit van het vereiste van een minimumstraf (bijvoorbeeld Frankrijk); weer andere gebruiken een mengvorm van beide benaderingen. Daarnaast staan verschillende nationale wetten een dergelijke onderzoeksmaatregel toe op voorwaarde dat er sprake is van een bepaalde mate van verdenking of dat er wordt gekeken naar de noodzaak (de vraag of een minder ingrijpende maatregel tot hetzelfde resultaat zou leiden). Ten slotte verschillen de lidstaten wat betreft de maximale duur van de interceptiemaatregel en de mogelijkheid tot verlenging ervan [zie Tropina, T., ‘Comparative Analysis’, in Sieber, U., en von zur Mühlen, N., (red.), Access to Telecommunication Data in Criminal Justice. A Comparative Analysis of European Legal Orders, Duncker & Humblot, Berlijn, 2016, blz. 67–72 en 77–79].
Arrest van 16 december 2021, Spetsializirana prokuratura (Verkeers- en locatiegegevens) (C-724/19, EU:C:2021:1020, punten 35 en 44). Zie ook arrest van 8 december 2020, Staatsanwaltschaft Wien (Vervalste overschrijvingsopdrachten) (C-584/19, EU:C:2020:1002, punt 52).
Arrest van 16 december 2021, Spetsializirana prokuratura (Verkeers- en locatiegegevens) (C-724/19, EU:C:2021:1020, punten 35 en 45).
Dit is ook zinvol vanuit het oogpunt van het voorkomen van forumshopping. Als het nationale recht de tussenkomst van een binnenlandse rechter vereist, mag het gebruik van een EOB namelijk niet in de weg staan aan dat vereiste. Mangiaracina, A., ‘A New and Controversial Scenario in the Gathering of Evidence at the European Level: The Proposal for a Directive on the European Investigation Order’, Utrecht Law Review, deel 10(1), 2014, blz. 126.
Niettemin spelen de inspanningen die zijn geleverd om te zorgen voor een minimale harmonisatie op het gebied van strafprocesrecht een belangrijke rol bij het nader tot elkaar brengen van de verschillende rechtsstelsels van de lidstaten. Ik denk aan instrumenten zoals richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1), of richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB 2012, L 142, blz. 1).
In dat verband heb ik reeds vermeld dat het Franse grondwettelijk hof in april 2022 heeft geoordeeld dat de Franse wetgeving op grond waarvan de opdracht tot de EncroChat-interceptie is gegeven, in overeenstemming is met de Franse grondwet. Zie voetnoot 4.
Volgens de verwijzingsbeslissing heeft de tribunal correctionnel de Lille hiervoor toestemming gegeven.
Aangezien de mobiele telefoons van Duitse gebruikers waarop gegevens waren opgeslagen, zich in Duitsland bevonden.
Het belang van de interceptie op het grondgebied van de uitvaardigende staat zal worden behandeld in het kader van de vierde groep vragen, betreffende de uitlegging van artikel 31 van de EOB-richtlijn. Zie onderdeel D hieronder.
Overweging 11 van de EOB-richtlijn verduidelijkt deze bepaling verder door te zeggen dat ‘[d]e uitvaardigende autoriteit […] derhalve [moet] nagaan of het verlangde bewijsmateriaal noodzakelijk is voor de procedure, en in verhouding staat tot het doel ervan, of de gekozen onderzoeksmaatregel noodzakelijk en proportioneel is voor het verkrijgen van het bewijs in kwestie, en of een andere lidstaat door middel van de uitvaardiging van het EOB bij de bewijsgaring moet worden betrokken’. Zoals uit de bewoordingen ervan blijkt, is die overweging vooral gericht op het eerste type EOB, namelijk dat voor de vergaring van nieuw bewijsmateriaal.
Het formulier waarmee een EOB wordt uitgevaardigd, biedt ruimte voor de uitvaardigende autoriteit om in detail uit te leggen waarom het EOB in de omstandigheden van een bepaald geval noodzakelijk is (bijlage A bij de EOB-richtlijn, deel G). Zie wat betreft het belang van dat formulier voor de beoordeling van de evenredigheid, Bachmaier Winter, L., ‘The Role of the Proportionality Principle in Cross-Border Investigations Involving Fundamental Rights’, in Ruggeri, S. (red.), Transnational Inquiries and the Protection of Fundamental Rights in Criminal Proceedings: A Study in Memory of Vittorio Grevi and Giovanni Tranchina, Springer, Berlijn, 2013, blz. 318.
Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB 2002, L 201, blz. 37; hierna: ‘e-privacyrichtlijn’).
Zie onder andere arresten van 2 maart 2021, Prokuratuur (Voorwaarden voor toegang tot elektronische-communicatiegegevens) (C-746/18, EU:C:2021:152, punt 39), en 5 april 2022, Commissioner of An Garda Síochána e.a. (C-140/20, EU:C:2022:258, punt 44).
Die richtlijn is alleen van toepassing op situaties waarin de autoriteiten van een staat toegang hebben tot de verkeers- en locatiegegevens die door telecommunicatie-exploitanten worden bewaard. Wanneer die autoriteiten rechtstreeks telecommunicatiegegevens intercepteren, is zij daarentegen niet van toepassing. Zie in dat verband arrest van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a. (C-511/18, C-512/18 en C-520/18, EU:C:2020:791, punt 103).
Zie naar analogie arrest van 21 juni 2022, Ligue des droits humains (C-817/19, EU:C:2022:491, punt 122).
Bijvoorbeeld als het gaat om de mate van verdenking die nodig is om een bepaalde onderzoeksmaatregel te bevelen.
Arrest van 2 maart 2021, Prokuratuur (Voorwaarden voor toegang tot elektronische-communicatiegegevens)(C-746/18, EU:C:2021:152, punten 51, 53, en 54).
Conclusie van advocaat-generaal Pitruzzella in de zaak Prokuratuur (Voorwaarden voor toegang tot elektronische-communicatiegegevens) (C-746/18, EU:C:2020:18, punten 103–123).
Arrest van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a. (C-511/18, C-512/18 en C-520/18, EU:C:2020:791, punt 103).
In de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat het recht op privacy garandeert, zijn schendingen vastgesteld in gevallen waarin de wet geen evenredigheidsbeoordeling vereiste en geen toetsing door de rechter voorschreef. Zie onder andere arrest van 12 januari 2016, Szabó en Vissy tegen Hongarije (CE:ECHR:2016:0112JUD003713814, § 89).
Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB 2016, L 119, blz. 89; hierna: ‘richtlijn gegevensbescherming bij rechtshandhaving’).
Arrest van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a. (C-511/18, C-512/18 en C-520/18, EU:C:2020:791, punt 103).
Bezien in het licht van de richtlijn gegevensbescherming bij rechtshandhaving kan de onderhavige zaak worden omschreven als twee gevallen van verwerking van persoonsgegevens: in de eerste plaats waren de bevoegde Franse autoriteiten de verwerkingsverantwoordelijken toen zij elektronische communicatiegegevens intercepteerden en vergaarden met het oog op het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten; in de tweede plaats werd door de overdracht van die gegevens aan de Generalstaatsanwaltschaft Frankfurt am Main, die daarom had verzocht op basis van de EOB's ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek in Duitsland, dat openbaar ministerie de verwerkingsverantwoordelijke.
Het Hof heeft verklaard dat, in de context van de verwerking voor een ander doel overeenkomstig artikel 4, lid 2, van de richtlijn gegevensbescherming bij rechtshandhaving, de beoordeling of er is voldaan aan de beginselen inzake de binnen de werkingssfeer van die richtlijn vallende gegevensverwerking specifiek en afzonderlijk moet plaatsvinden voor elke gegevensverwerking [zie arrest van 8 december 2022, Inspektor v Inspektorata kam Visshia sadeben savet (Doeleinden van de verwerking van persoonsgegevens — Strafrechtelijk onderzoek) (C-180/21, EU:C:2022:967, punt 56)].
In situaties waarin technische bijstand nodig is van de lidstaat op het grondgebied waarvan de interceptie plaatsvindt, is artikel 30 van de EOB-richtlijn van toepassing.
De bewoordingen van artikel 31 van de EOB-richtlijn komen grotendeels overeen met artikel 20 van de Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (PB 2000, C 197, blz. 3).
Bachmaier, L., op. cit., voetnoot 19, blz. 330.
Meer in het bijzonder staat artikel 31, lid 3, van de EOB-richtlijn het de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde staat toe om na te gaan of de interceptie in een soortgelijke binnenlandse zaak zou zijn toegestaan, en de intercepterende lidstaat binnen 96 uur na ontvangst van de kennisgeving mee te delen dat de interceptie niet mag plaatsvinden, moet worden beëindigd, of dat de verkregen gegevens in het geheel niet of alleen onder bepaalde voorwaarden mogen worden gebruikt.
Ik ben het dan ook niet eens met de Franse regering, die heeft betoogd dat artikel 31 van de EOB-richtlijn niet van toepassing is op de onderhavige zaak omdat de interceptie van communicatie niet is uitgevoerd met het oog op de uitvoering van een EOB, maar heeft plaatsgevonden voordat een EOB werd uitgevaardigd.
Bachmaier, L., op. cit., voetnoot 19, blz. 331.
Om te voldoen aan het kennisgevingsvereiste van artikel 31 van de EOB-richtlijn had Frankrijk het formulier in bijlage C bij die richtlijn moeten gebruiken.
Zie artikel 33, lid 1, van de EOB-richtlijn.
Ligeti, K. e.a. merken op dat lidstaten weigeren die stap te zetten vanwege bezorgdheid over de subsidiariteit en de evenredigheid, alsmede over de invloed op het stelsel van checks and balances op nationaal niveau (Ligeti, K., Garamvölgy, B., Ondrejová, A., en von Galen, M., ‘Admissibility of Evidence in Criminal Proceedings in the EU’, Eucrim, deel 3, 2020, blz. 202 en voetnoot 14.
In overweging 34 van de EOB-richtlijn valt te lezen dat ‘[o]m dezelfde reden […] het de uitvaardigende autoriteit [is] die zal oordelen of een element als bewijsmateriaal zal worden gebruikt en of daarvoor dus een EOB wordt uitgevaardigd’.
Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees openbaar ministerie (‘EOM’) (PB 2017, L 283, blz. 1; hierna: ‘EOM-verordening’).
EHRM, arresten van 12 juli 1988, Schenk tegen Zwitserland (CE:ECHR:1988:0712JUD001086284, §§ 45–46); 11 juli 2017, Moreira Ferreira tegen Portugal (nr. 2) (CE:ECHR:2017:0711JUD001986712, § 83), en 1 maart 2007, Heglas tegen Tsjechische Republiek (CE:ECHR:2007:0301JUD000593502, § 84).
EHRM, arrest van 17 januari 2017, Habran en Dalem tegen België (CE:ECHR:2017:0117JUD004300011, § 96).
Hecker, B., ‘Mutual Recognition and Transfer of Evidence. The European Evidence Warrant’, in Ruggeri, S. (red.), Transnational Inquiries and the Protection of Fundamental Rights in Criminal Proceedings: A Study in Memory of Vittorio Grevi and Giovanni Tranchina, Springer, Berlijn, 2013, blz. 277, en Armada, I., voetnoot 19, blz. 30.
Arrest van 7 september 2023, Rayonna prokuratura Lovech, teritorialno otdelenie Lukovit (Fouillering) (C-209/22, EU:C:2023:634, punten 58 en 61).
Zie arresten van 16 december 1976, Rewe-Zentralfinanz en Rewe-Zentral (33/76, EU:C:1976:188, punt 5), en 16 december 1976, Comet (45/76, EU:C:1976:191, punt 13). Meer recentelijk onder andere arrest van 13 juli 2023, CAJASUR Banco (C-35/22, EU:C:2023:569, punt 23).