Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/201
201 Hervorming van het Aktienrecht
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS370202:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer de opmerking van Napthali (p. 197 e.v.) in Schubert & Hommelhoff 1986.
Zie de verschillende bijdragen aan het debat van Eggert, p. 170 e.v., Cohen, p. 218 e.v. Hachenburg, p. 246 en 692, Silverberg, p. 696 en Tarnow, p. 698 in: Schubert & Hommelhoff 1986.
Protokol 2. Sitzung des Vorläufigen Reichswirtschaftrat, 22 september 1932 in Schubert en Hommelhoff 1986, p. 197 en Protokol 3. Sitzung des Vorläufigen Reichswirtschaftrat, 23 september 1932 in: Schubert & Hommelhoff 1986, p. 255.
Schubert & Hommelhoff 1986, p. 78.
Schubert & Hommelhoff 1986, p. 255.
Ten tijde van de invoering van voornoemde noodverordeningen wordt er tevens nagedacht over een algemene hervorming van het ‘Aktienrecht’. Uit de beraadslaging van de hiertoe opgezette ‘Vorläufigen Reichswirtschaftsrat’ blijkt dat ook de bezoldiging van bestuurders een belangrijk onderwerp is tijdens de debatten. De overtuiging leeft dat het eigen belang van de bestuurders steeds vaker de boventoon voert en het belang van de vennootschap op de achtergrond geraakt.1 Als gevolg daarvan wordt er unaniem gepleit voor een regeling, waarin wordt bepaald dat bij een verlies van de helft van het kapitaal of bij insolventie een ongepast hoge bezoldiging dient te worden verlaagd tot een gepast niveau. Ten grondslag aan deze regeling ligt de gedachte, dat als een vennootschap of de daarmee verbonden onderneming ten gronde gaat of dreigt te gaan, de vennootschap niet verplicht is aanzienlijke bezoldigingen aan bestuurders te betalen. Ook de werknemers en aandeelhouders hebben een recht te delen in hetgeen overblijft, zelfs in het geval waarin het bestuur niet schuldig is aan de ondergang.2 Als ongepast wordt een bezoldiging gezien die niet voldoet aan de economische situatie of het rendement van de vennootschap.3 Door de commissie die het vennootschapsrecht moet herzien wordt unaniem ingestemd met de gedachte dat een bestuurder in tijden van nood vanzelfsprekend genoegen moet nemen met een bescheidener bezoldiging.4 Er wordt besloten een gelijksoortige bepaling, zoals de regeling in de noodverordening van 6 oktober 1931, te verankeren in de wet.
Een ander debat dat wordt gevoerd, heeft te maken met de inkomsten die bestuurders van een vennootschap krijgen vanwege hun positie als commissaris bij andere ondernemingen. Een deel van de commissieleden pleit ervoor deze inkomsten regelrecht naar de onderneming te laten gaan. Onder meer in het geval waarin de bestuurder van de moedervennootschap q.q. zitting heeft in de raad van commissarissen van de dochtervennootschappen en daarvoor een vergoeding ontvangt. Deze regeling stuit op verzet. De bestuurder dient als commissaris zitting te nemen als zelfstandig persoon. Met de aanstelling van de commissaris rust op de bestuurder een zware verantwoordelijkheid die op lichte wijze tot aansprakelijkheid kan leiden. Daarom acht een andere deel van de commissie het onjuist de bestuurder de commissarisvergoeding te ontnemen. Deze argumenten overtuigen een nipte meerderheid van de commissieleden, waardoor een verplichte afdracht van de commissarisvergoeding van een bestuurder aan de vennootschap wordt afgewezen.5