Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/1.1.4
1.1.4 Rechters
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS361960:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Corstens 2008.
Corstens 2013, p. 90.
Buruma 2011, p. 7, 8.
Jensma 2016, p. 18-20.
Hij geeft daarbij zelfs aan, op de vraag of de politiek ‘nog gezag binnen de rechtspraak’ heeft, dat ‘het inhoudelijk gezag van de wetgever (…) tanende’ is. ‘Als je dan ziet dat de rechter zich iets meer vrijheid veroorlooft, iets meer z’n eigen weg kiest, in wat hij als een logische invulling van het wetsysteem en ons recht in brede zin ziet, dan kan ik dat billijken.’ Dit houdt verband met de constitutionele eisen aan billijkheidsuitzonderingen (hoofdstuk 3).
Rechter in civiele zaken en strafzaken in Den Haag.
‘Kijken in de ziel van rechters. Wachters van de wet’, NTR NPO, 20 juli 2015 (te bekijken via www.ntr.nl).
Voormalig kantonrechter en ‘Rijdende Rechter’.
‘Kijken in de ziel van rechters. Wachters van de wet’, NTR NPO, 20 juli 2015 (te bekijken via www.ntr.nl).
Niet alleen door Aristoteles en in de rechtswetenschap is gewezen op de wenselijkheid van billijkheidsuitzonderingen – ook rechters zelf laten wel eens (buiten de context van uitspraken) weten deze als onderdeel van hun ambt te zien.
Corstens schreef dat wanneer de rechter moet oordelen over een door de wetgever niet-voorzien geval, de rechter vrijheid heeft en argumenten moet zoeken voor beslissingen in verschillende richtingen. Hij moet een afweging maken tussen belangen van de ‘direct betrokkenen, van de procespartijen, in strafzaken dat van het slachtoffer en zijn omgeving, van de samenleving als geheel, van derden die op termijn door de uitspraak kunnen worden getroffen’. Hij moet daarbij ‘zichzelf in zekere zin wegcijferen’; hij ‘moet vormgeven aan rechtvaardigheid in het buiten hem staande, aan hem voorgelegde concrete geval’.1 Later herhaalde hij dat de rechter steeds moet streven naar een rechtvaardige uitspraak. ‘Rechtsregels behoren het bereiken van die rechtvaardige oplossing te faciliteren en moeten daaraan vooral niet in de weg staan.’2
Buruma acht een rechterlijke uitspraak die tot stand is gekomen door toepassing van een wettelijk voorschrift niet noodzakelijkerwijs juist. De rechter moet steeds beoordelen of een beslissing ‘niet volstrekt onbillijk is uit het oogpunt van diepere rechtsbeginselen’. Weliswaar is het lastig te zeggen wanneer een uitspraak rechtvaardig is, maar het is meestal niet moeilijk om onrecht te herkennen.3
Oud-rechter Hofhuis antwoordde op de vraag hoeveel vrijheid een rechter heeft om van de regels af te wijken, dat rechters ook moeten bezien of het volgen van de regels wel tot een rechtvaardige uitkomst leidt.4
‘En er kunnen omstandigheden zijn waarin je zegt: ik ga de andere kant uit. In principe volgen rechters natuurlijk de regels wél – dat zit in onze genen. Maar het denken houdt dan niet op.
Is dat een persoonlijke gewetenskwestie?
Nee, dat zou hachelijk zijn. Er zijn zoveel rechters, met net zoveel gewetens. Het moet blijven gaan om toepassing van het recht – je moet kunnen beargumenteren dat hoewel doorgaans de uitkomst A is, in dit bijzondere geval B het meest gerechtvaardigd is – een uitzondering dus. Dat kan alleen gelegitimeerd zijn als je vindt dat het recht zo hoort te zijn. Dat het dan rechtvaardiger is. En als je dat niet kan uitleggen maar toch een andere kant op wil gaan, ben je niet geschikt als rechter.’5
Van Rens6 wist dat ze rechter wilde worden toen haar vader vertelde over een zaak die hij als jurist in een beroepscommissie voor zich kreeg over een mijnwerker die volgens de wet ‘geen geld zou krijgen’. De commissie kende hem dat toch toe omdat ze ‘voelde dat hij daar recht op had’.
‘Toen dacht ik: dat lijkt me mooi om te doen.’7
En Visser:8
‘Een rechter moet stronteigenwijs zijn. [...] Als het zo is: we passen enkel de wet toe; daar hebben we helemaal geen rechters voor nodig, dat kan iedereen doen. Door ervaring word je verstandiger en leer je op een gegeven ogenblik dat de wet een uitgangspunt – een heel belangrijk uitgangspunt – is, maar de wet mag nooit een excuus zijn om iets te doen waarvan je zegt: dit deugt niet.’
[...] ‘Het is nooit een excuus dat je zegt: ik heb de wet gevolgd. Ik dacht vroeger: als je de wet volgt, dan doe je het goed. Maar dat is te weinig.’9
Deze rechters beschouwen het maken van billijkheidsuitzonderingen als hun taak. Uit de citaten blijken niet (alleen) idealistische motieven hiervoor. Rechters vinden dat toepassing van het recht méér inhoudt dan toepassing van wetgeving.