Informatierechten van aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.2.4.2:5.2.4.2 Fuelplants (2020)
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.2.4.2
5.2.4.2 Fuelplants (2020)
Documentgegevens:
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971954:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Kort na Bosal, wees de Ondernemingskamer op 27 februari 2020 haar beschikking inzake Fuelplants.1 De Fuelplants-beschikking overlapt in belangrijke mate met de beschikking inzake Bosal. De casus kwam neer op het volgende. Drie partijen dreven samen een onderneming gericht op de veredeling van aardbeien en frambozen. Dit samenwerkingsverband was ondergebracht in Fuelplants B.V. Bijlmer c.s. hielden 20% van de aandelen in die vennootschap. Smaal en De Weert hielden ieder 40% van de aandelen en vormden (indirect) het bestuur.
Op enig moment zijn Smaal en De Weert echter het vertrouwen in Fuelplants verloren, waarop zij concurrerende ondernemingen zouden hebben opgezet, aldus Bijlmer c.s. Tegen die achtergrond klaagden Bijlmer c.s. – kort samengevat – dat Smaal en De Weert zich als (indirect) bestuurders van Fuelplants schuldig hebben gemaakt aan belangenverstrengeling en het onbenut laten van zakelijke kansen. Bijlmer c.s. hebben voorts betoogd dat Fuelplants haar bijzondere zorgplicht jegens hen als minderheidsaandeelhouders zou hebben geschonden, onder meer doordat te weinig transparantie zou zijn betracht. Tegen deze achtergrond kwam ook de informatieverstrekking aan Bijlmer c.s. aan bod. De Ondernemingskamer overwoog ter zake als volgt:
“Onder de in 3.12 genoemde omstandigheden [het verweten tegenstrijdig belang – toev. PH] geldt niet als uitgangspunt dat aandeelhouders buiten algemene vergaderingen van aandeelhouders geen recht hebben op het verstrekken van door hen afzonderlijk verlangde informatie (HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976 (ASMI)). In plaats daarvan dient in de gegeven omstandigheden de vennootschap uit hoofde van haar zorgplicht jegens de minderheidsaandeelhouder uit hoofde van artikel 2:8 BW (HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9857 (Zwagerman)), in beginsel uit eigen beweging en op vragen van de minderheidsaandeelhouder ook buiten het verband van een aandeelhoudersvergadering de nodige transparantie te betrachten. Met de wijze waarop en de mate waarin Fuelplants haar minderheidsaandeelhouder (…) heeft geïnformeerd heeft zij daar niet aan voldaan en ook dat levert een gegronde reden op om aan een juist beleid te twijfelen.”2
Net als in Bosal, waren in Fuelplants de relevante omstandigheden dat (i) sprake was van een geschil tussen de minderheids- en de meerderheidsaandeelhouders; waarbij (ii) de meerderheidsaandeelhouders – in tegenstelling tot de minderheidsaandeelhouders – waren vertegenwoordigd in het bestuur van de vennootschap; en (iii) er transacties waren verricht tussen de vennootschap en (entiteiten gelieerd aan) de meerderheidsaandeelhouder.