Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.2.3.1
6.3.2.3.1 Fataal karakter
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS493050:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook HR 19 december 1990, BNB 1991/58, r.o. 4.3: ‘Ingevolge het tweede lid [art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017); BH] wordt de omzetbelasting in ieder geval verschuldigd twee jaren na de opeisbaarheid van de vergoeding, voor zover deze op dat tijdstip nog niet is betaald (...)’.
Dit volgt ook uit het advies van de Raad van State, opgenomen in Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 4, p. 2.
Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 3, p. 34 en Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 7, p. 18 (NV): ‘Het gaat hier inderdaad om twee aspecten van dezelfde vordering.’
Anders dan art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (vanaf 2017) is de éénjaarstermijn niet vormgegeven als een fictie. Daar waar art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (vanaf 2017) voorschrijft dat het recht op teruggaaf geacht wordt te zijn ontstaan uiterlijk één jaar na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden, bepaalt art. 29 lid 7 Wet OB 1968 dat de belasting in ieder geval verschuldigd wordt één jaar na het opeisbaar worden van de vergoeding.1 Hiermee lijkt de éénjaarstermijn van lid 7 een meer dwingend karakter te hebben dan de éénjaarstermijn van lid 2. Art. 29 lid 7 Wet OB 1968 lijkt tekstueel weinig ruimte te bieden voor de opvatting dat de herzieningsverplichting feitelijk kan ontstaan nadat de éénjaarstermijn is verstreken, daar waar dit wat betreft het recht op teruggaaf onder lid 2 wel kan worden betoogd (paragraaf 4.3.2.2.1). Toch meen ik dat de éénjaarstermijn ook in art. 29 lid 7 Wet OB 1968 moet worden beschouwd als een bewijsvermoeden c.q. fictie.2 In de parlementaire geschiedenis wordt namelijk meermaals expliciet overwogen dat de correctie voor de afnemer op één lijn staat met de correctie voor de leverancier.3 Ten aanzien van de verkorting van de termijn van twee jaren naar één jaar voor de afnemer wordt bovendien expliciet overwogen:4
“Hiermee wordt de regeling voor de correctie van door de afnemer in aftrek gebrachte btw op één lijn gebracht met de regeling voor het recht op teruggaaf van de ondernemer die de niet-betaalde prestatie heeft verricht.”
Dat er geen inhoudelijk verschil beoogd is, kan ook worden opgemaakt uit de door de wetgever gehanteerde bewoordingen ten aanzien van de éénjaarstermijn voor het recht op teruggaaf. In de memorie van toelichting wordt over art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (vanaf 2017) opgemerkt ‘dat de oninbaarheid van de vordering in ieder geval ontstaat op het moment dat de vordering één jaar nadat deze opeisbaar is geworden nog niet is betaald’.5 Hoewel deze overweging betrekking heeft op het ontstaan van het recht op teruggaaf sluit deze qua bewoordingen (‘ontstaat in ieder geval’) aan op de tekst van art. 29 lid 7 Wet OB 1968. Ik kan mij derhalve niet aan de indruk onttrekken dat de éénjaarstermijnen in art. 29 Wet OB 1968 op dezelfde wijze moeten worden geïnterpreteerd.
Zoals reeds in paragraaf 4.3.2.2.1 opgemerkt is de éénjaarstermijn wel (vormgegeven als) een fatale termijn. Ondanks het feit dat het recht op teruggaaf en de verplichting tot herziening feitelijk ná het verstrijken van de éénjaarstermijn kunnen ontstaan, betekent dit dat de correcties juridisch bezien niet op een later tijdstip kunnen ontstaan. Een inspecteur die over een later tijdvak vanwege de feitelijke oninbaarheid van de vordering een naheffingsaanslag oplegt aan de niet-betalende debiteur, zal dan ook te laat zijn. Het is voor de inspecteur daarom van belang de termijn goed te monitoren. Hierna kom ik te spreken over de vraag of dit niet anders had moeten zijn vormgegeven.