Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/315
315 De benoeming, aanstelling en bezoldiging van bestuurders
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS364157:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
§ 84 AktG.
§ 84 Abs. 1 AktG. Lange tijd werd de bevoegdheidsverdeling opgenomen in de statuten en konden naast de raad van commissarissen ook de AVA of derden deze bevoegdheid toebedeeld krijgen. In 1937 werd deze bevoegdheidsverdeling wettelijk verankerd in §75 Abs. 1 en 4 AktG 1937 waarin stond opgenomen: “Vorstandmitglieder bestellt der Aufsichtsrat auf höchstens fünf jahre. […] Dies gilt sinnegemäâ für den Anstellungsvertrag”.
De zogenaamde ‘Trennungstheorie’. Hupka 2012, p. 198 e.v.
Schlegelberger & Quassowski, AktG 1937, § 75, nr. 3. “Der Aufsichtrat ist für die Bestellung der Vorstandsmitglieder ausschlieâlich zuständig. Dieses Recht kann ihm durch die Satzung nicht genommen werden. Eine Bestellung durch die Hauptversammlung oder einen Dritten würde nichtig sein.”
Hupka 2012, p. 193 e.v.
Duitsland kent een dualistisch bestuursmodel bestaande uit een raad van commissarissen (Aufsichtrat) en een raad van bestuur (Vorstand). De bevoegdheid tot het benoemen en ontslaan van bestuurders ligt in Duitsland opvallend genoeg niet bij de algemene vergadering, maar bij de raad van commissarissen.1 Dat geldt overigens ook voor het aangaan van het ‘Anstellungsvertrag’.2
In het Duitse vennootschapsrecht wordt onderscheid gemaakt tussen ‘Bestellung’ en het ‘Anstellungvertrag’. Op basis van zijn ‘Bestellung’ ontstaat de vennootschapsrechtelijke band tussen de bestuurder en de vennootschap. Hij treedt toe tot de vennootschapsrechtelijke rechtsorde, waaruit de vertegenwoordigings- en beslissingsbevoegdheid van de bestuurder voortvloeit. Daarnaast bestaat er tevens een civielrechtelijke verbintenis tussen de bestuurder en de vennootschap. Op basis van deze verbintenis kan de bestuurder, als derde, recht hebben op bezoldiging. De dienstbetrekking tussen de bestuurder en de vennootschap wordt geregeld in het ‘Anstellungsvertrag’. Het recht op bezoldiging berust op deze overeenkomst waarin de wederzijdse aanspraken tussen vennootschap en bestuurder worden geregeld. Anstellung en Bestellung worden gezien als onafhankelijk van elkaar en kunnen verschillende juridische gevolgen hebben.3
Vorengenoemde bevoegdheidsverdeling is dwingend, waardoor hiervan in de statuten niet mag worden afgeweken.4 De wetgever heeft al in het begin van de twintigste eeuw uit praktische overwegingen gekozen voor het bij de raad van commissarissen neerleggen van de bevoegdheid tot benoemen en aangaan van de aanstellingsovereenkomst. Volgens de wetgever ontbrak het de aandeelhouders aan expertise om geschikte bestuursleden te selecteren. Deze bevoegdheid behoorde te liggen bij een orgaan dat nauw betrokken is bij de onderneming en zodoende kan inschatten wie de juiste kandidaten zijn.5 Tijdens de hervorming van het vennootschapsrecht in 1965 werd de bevoegdheidstoedeling onveranderd overgenomen in § 84 Abs. 1 AktG 1965. Tot op heden bepaalt § 84 Abs. 1 AktG dat de raad van commissarissen het bevoegde orgaan is om een bestuurder te benoemen én de overeenkomst met de bestuurder aan te gaan.6 In §112 AktG is daarnaast bepaald dat de raad van commissarissen exclusief bevoegd is de vennootschap te vertegenwoordigen in haar verhouding tot de bestuurders. Op grond van §87 AktG berust de bevoegdheid tot het vaststellen van de bezoldiging van bestuurders in Duitsland eveneens bij de raad van commissarissen. Aandeelhouders hebben van oudsher dus geen bevoegdheid wanneer het aankomt op het vaststellen van de bezoldiging van bestuurders.