Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/413
413 Toepassing van de aanpassingsbevoegdheid
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS370235:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit kader ook art. 2:8BW, 6:2 lid 2BW en 6:258 lid 1 BW.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2009, nr. 421.
Zie HR 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0165, r.o. 3.6.3. Zie tevens HR 9 januari 1998, NJ 1998, 363, HR 31 december 1993, NJ 1995, 389 en HR 25 februari 2000, NJ 2000, 471. Timmerman 2006. Zie hierover eveneens de conclusie van A-G Timmerman bij Hoge Raad 15 oktober 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP1664, JOR 2004/342.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2009, nr. 412 en 413.
Zie Parket bij de Hoge Raad, 15-10-2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP1664, JOR 2004/342; Hijma 2003, p. 78 e.v.
Zie bijvoorbeeld Rechtbank Limburg 11 juni 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:4936, r.o.3.11 e.v. waarin een beroep op aanpassing van een vertrekregeling van een voormalig bestuurder van APG op grond van art. 6:248 lid 2 BW wordt afgewezen. De voorzieningenrechter overweegt onder meer dat de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen tussen twee deskundige partijen die beiden goed geïnformeerd waren over de stand van zaken inzake de beloning in de financiële sector en die zich beiden ook bewust waren van de impact van een vertrekregeling die niet zou passen in de door APG reeds vrijwillig gevolgde codes en regelgeving.
Het hof merkt in de ABN AMRO-arresten op dat ABN AMRO weliswaar een grote organisatie is waarvan een daarbij behorende maatschappelijke verantwoordelijkheid verwacht mag worden. De gevolgen van het door haar in het verleden gehanteerde beloningsbeleid behoren echter eerder voor haar rekening dan voor die van de individuele werknemer te komen. Hof Amsterdam 28 september 2010, JAR 2010/270, r.o. 5.27.
In Hof Amsterdam 28 september 2010, JAR 2010/270, r.o. 5.20 overweegt het hof: “De omvang en de hevigheid van de kredietcrisis, zowel voor ABN AMRO als voor de economie als geheel, zijn niet door partijen verdisconteerd. De kredietcrisis heeft dermate verstrekkende gevolgen dat dit geen omstandigheid is waarvan partijen zijn uitgegaan bij het doen van de uitingen. Derhalve is op zichzelf genomen sprake van onvoorziene omstandigheden”.
Hof Amsterdam 28 september 2010, JAR 2010/270, r.o. 5.25. In de ABN Amro-zaken stond art. 6:258 BW centraal. Uit de memorie van toelichting wordt duidelijk, dat overwogen is om voor art. 2:135 lid 6 BW aan te sluiten bij de norm van de onvoorziene omstandigheden in art. 6:258 BW. Hiervoor is niet gekozen, omdat deze norm als uitwerking kan worden beschouwd van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Door in plaats daarvan aan te sluiten bij art. 6:248 lid 2 BW wordt dus impliciet ook aangesloten bij art. 6:258 BW, aldus de regering. Zie Kamerstukken II, 2009/10, 32 512, nr. 3 (MvT), p. 17.
In deze arresten ging het voornamelijk om afvloeiingsregelingen en retentiebonussen waarbij ook nog eens de problematiek speelde dat ABN AMRO net overgenomen was door het consortium met alle onduidelijkheden die deze overname met zich bracht.
Uit de ABN AMRO-arresten blijkt dat, indien het voortbestaan slechts gewaarborgd is doordat de Staat ingegrepen heeft, de toestand in beginsel al niet (meer) erg genoeg is om uitkering van de bonussen tegen te gaan. Deze benadering lijkt te verschillen van die in Duitsland.
Zie Kantonrechter Amersfoort, 1 juni 2005, JAR 2005/158; Kantonrechter 7 juli 2010, JAR 2010/226 (ASR/X). Opgemerkt dient wel te worden dat de kantonrechter bij ASR een beroep op art. 7:613 BW honoreerde. De vraag is of hetzelfde beroep op grond van art. 6:248 lid 2 BW ook gehonoreerd zou worden. De kantonrechter benadrukte expliciet dat de aanwezigheid van een eenzijdig wijzigingsbeding de werkgever hier de ruimte geeft om af te zien van betaling van de variabele beloning. Een beroep op de uitspraken van de Utrechtse kantonrechter in de ABN AMRO-zaken ging naar het oordeel van deze kantonrechter niet op, omdat in die zaken geen beroep kon worden gedaan op art. 7:613 BW.
Voormalig Minister Dijsselbloem wijst nadrukkelijk op deze mogelijkheid in zijn brief d.d. 19 juli 2017 aan de Tweede Kamer. Hij schrijft daarin: “In gevallen waarin sprake is van fraude, ernstige misdraging of nalatigheid van de bestuurder zal lid 6 een grondslag kunnen vormen voor verlaging van een toegezegde maar nog niet uitbetaalde bonus.”
In het laatste geval zal de bonus moeten worden teruggevorderd op grond van art. 2:135 lid 8 BW of 6:203 BW.
Spuijbroek en haar echtgenoot Huisman waren samen met Tiscali International B.V. bestuurder van Tiscali B.V. Enig aandeelhouder van Tiscali B.V. was Tiscali International B.V. Huisman was samen met twee andere personen bestuurder van Tiscali International B.V.
Hof Amsterdam 12 augustus 2008, JOR 2008/264 m.nt. Leijten (Tiscali), r.o. 4.9.
HR 17 december 1982, NJ 1983/480 (Bibolini). Zie tevens de noot van A.F.J.A Leijten bij dit arrest, JOR 2008/264.
De wetgever heeft bij de invulling van art. 2:135 lid 6 BW aansluiting gezocht bij de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zoals opgenomen in art. 6:248 lid 2 BW.1 Bij toetsing van de toepassing van art. 2:135 lid 6 BW dient dus gekeken te worden naar de maatstaf die geldt voor art. 6:248 lid 2 BW op grond waarvan het mogelijk is een regeling niet van toepassing te verklaren, indien naleving van een tussen partijen geldende regel in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Van belang is, dat slechts met succes een beroep gedaan kan worden op art. 6:248 lid 2 BW wanneer toepassing van de regel naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Een bonus kan dus niet aangepast worden op grond van de omstandigheid dat een lagere bonus redelijker of billijker zou zijn.2
In zijn arrest d.d. 24 januari 2003 heeft de Hoge Raad het onderscheid tussen de maatstaf ‘redelijkheid en billijkheid’ en ‘op basis van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ benadrukt. Volgens de Hoge Raad is het onwenselijk wanneer de rechter de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, zoals deze te vinden is in art. 6:248 lid 2 BW, ‘verder oprekt’ in de richting van een meer directe toets aan de redelijkheid en billijkheid.3
De formulering ’naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ brengt volgens Hartkamp en Sieburgh de bedoeling van de wetgever tot uitdrukking dat de rechter de beperkende werking terughoudend zal toepassen.4 De rechter zal een verzoek marginaal toetsen. Daar komt bij dat jegens een sterk te achten wederpartij meer geoorloofd zal zijn dan jegens een zwakkere: de onaanvaardbaarheidsgrens zal bij professionele partijen relatief laat worden bereikt.5
De hoge drempel die opgeworpen wordt vanwege het onaanvaardbaarheidsvereiste en de marginale toetsing door de rechter zorgen ervoor dat het niet snel geoorloofd zal zijn de bonus aan te passen. Daar komt bij dat raden van commissarissen van beursgenoteerde vennootschappen zich zonder uitzondering laten bijstaan door diverse deskundigen bij het vaststellen van de bezoldigingsovereenkomst met de bestuurder, waardoor zij aangemerkt kunnen worden als een sterk te achten wederpartij.6 Hierdoor slinkt de (reeds zeer beperkte) kans op toewijzing door de rechter van het aanpassen van een bonus aanzienlijk.
De rechtspraak bevestigt dit beeld. Zo leverden externe onvoorziene omstandigheden, een drastisch slechtere financiële situatie en de maatschappelijke kritiek op bonussen in de rechtszaken over de bezoldiging bij ABN AMRO op zichzelf geen reden op om tot aanpassing van beloningen van bestuurders over te gaan.7 Weliswaar kan de financiële crisis gezien worden als een onvoorziene omstandigheid,8 desondanks bleef ABN AMRO gehouden de bezoldigingsovereenkomsten na te komen, aangezien “de kredietcrisis niet tot gevolg heeft dat ABN AMRO de […] toegezegde vergoedingen niet kan betalen.”9 Deze arresten doen de vraag rijzen wanneer dan wel met succes op basis van art. 2:135 lid 6 BW achteraf een bonus kan worden aangepast.
Opgemerkt zij dat de gevallen bij ABN AMRO vrij specifiek waren.10 Desalniettemin kan uit deze arresten opgemaakt worden dat een beroep op art. 2:135 lid 6 BW alleen kans van slagen heeft, indien door het uitkeren van de bonus een dusdanig groot belang van de rechtspersoon in het geding komt, dat het belang van de bestuurder tot uitbetaling van de bonus moet wijken. Daarbij moet de onaanvaardbaarheid voor de rechtspersoon om de bonus uit te keren ook nog eens overduidelijk zijn, gezien de marginale toetsing door de rechter. Van een dergelijk geval lijkt pas sprake te zijn als de onderneming die de rechtspersoon drijft dusdanige verliezen heeft geleden dat nakoming van de bonusovereenkomst ertoe zal leiden dat het voortbestaan van de onderneming in gevaar komt.11 De enkele (schaarse) voorbeelden in de jurisprudentie, waarbij aanpassing van een bonus op basis van de slechte financiële omstandigheden waarin het bedrijf verkeerde door de rechter werd goedgekeurd, bevestigen dit beeld.12 Van het pacta sunt servanda-beginsel wordt dus pas afgestapt indien er sprake is van een ander beginsel: ad impossibile nemo tenetur.
De formulering van art. 2:135 lid 6 BW doet een bredere toepassing vermoeden. Immers, iedere uitkering van een bonus die op basis van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, komt voor aanpassing in aanmerking. Gedacht zou kunnen worden aan de situatie waarin de financiële situatie niet dusdanig is dat het uitkeren van de bonus het voortbestaan van de vennootschap bedreigt, maar uitkering van de bonus desalniettemin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is vanwege handelingen die aan de bestuurder zijn toe te rekenen, zoals bijvoorbeeld het plegen van fraude om de bonus ten koste van de vennootschap te bemachtigen.13 Een dergelijke situatie doet zich niet snel voor. Bij ontdekking van fraude zal veelal een correctie plaatsvinden van de onderliggende cijfers op basis waarvan de bonus wordt berekend welke correctie er in de regel toe leidt dat de bestuurder niet zal profiteren van zijn laakbaar handelen. De bonus wordt in dat geval ofwel niet uitgekeerd of is al uitgekeerd. In beide gevallen wordt niet toegekomen aan art. 2:135 lid 6 BW,14 tenzij aanpassing wordt gehonoreerd als bestraffing van de bestuurder. Het is maar zeer de vraag of een rechter in dat geval art. 2:135 lid 6 BW van toepassing zal verklaren.15
Er zijn uiteraard ook andere omstandigheden denkbaar die ertoe kunnen leiden dat een bezoldigingsovereenkomst op grond van art. 6:248 lid 2 BW mag worden aangepast. Een voorbeeld hiervan is het Tiscali-arrest waarin bestuurder Huisman een riante vertrekvergoeding met zijn echtgenote en mede-bestuurder, Spuijbroek, overeen was gekomen.16 Het hof overwoog dat de beëindigingsregeling op zichzelf een in het oog springende, voor Tiscali nadelige transactie was omdat deze Tiscali noopte tot betaling aan Spuijbroek van een aanzienlijk bedrag, terwijl (achteraf) vast is komen te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen Spuijbroek en Tiscali tegen een veel lager bedrag kon worden ontbonden. Nu Spuijbroek bovendien zelf statutair bestuurder van Tiscali was en ten tijde van het aangaan van de beëindigingsregeling was gehuwd met de statutair bestuurder van Tiscali die deze regeling met haar overeenkwam, mag worden aangenomen dat Spuijbroek zonder eigen onderzoek wist, althans behoorde te weten, dat die nadeligheid werd beïnvloed door een tegenstrijdig belang bij haar echtgenoot. Daar komt nog bij dat Spuijbroek, mede gelet op het gemotiveerde verweer van Tiscali op dit punt, niet, althans onvoldoende concreet heeft gesteld en evenmin anderszins is gebleken dat haar echtgenoot tevoren met zijn medebestuurder en enig aandeelhouder van Tiscali, Tiscali International, omtrent die regeling heeft overlegd en vooraf goedkeuring daarvoor heeft verkregen. Onder deze omstandigheden is het ingevolge artikel 6:248 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als Spuijbroek zich jegens Tiscali op nakoming van de beëindigingsregeling zou kunnen beroepen. De omstandigheid dat andere managers binnen Tiscali vergelijkbare beëindigingsregelingen aangeboden zouden hebben gekregen, zoals Spuijbroek aanvoert, kan – ook indien (veronderstellenderwijs) van de juistheid van dit feit wordt uitgegaan – aan het voorgaande niet afdoen, evenmin als de stelling van Spuijbroek dat de beëindigingsregeling werd aangeboden om – kort samengevat – haar gemotiveerd te houden.17 Het hof paste hier dus de Bibolini-correctie toe.18