Einde inhoudsopgave
Raad zonder raadgevers? (SteR nr. 42) 2018/3.1
3.1 Inleiding
drs. J.W.M.M.J. Hessels, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
drs. J.W.M.M.J. Hessels
- JCDI
JCDI:ADS576762:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het wetsvoorstel ‘Nieuwe bepalingen met betrekking tot gemeenten (Gemeentewet)’ met Kamerstuknummer 19403 werd op 11 februari 1992 door de Eerste Kamer aangenomen.
Stb. 1992, 96.
Stb. 1993, 611.
Het valt buiten het bestek van deze studie om de discussie rondom monisme en dualisme uitputtend te behandelen. Voor een indruk van deze discussie wordt verwezen naar een tweetal artikelen van Dölle uit 1980 en 2008 en van Broeksteeg uit 2010 (zie de bibliografie).
Kamerstukken II 1995/1996, 21427, 136. Ingediend op 1 april 1996.
Bedoeld worden gemeenteraden en Provinciale Staten.
Regeerakkoord 1998, p. 70.
Bijvoorbeeld ‘Voor de boekenkast’, column in NRC Handelsblad van 18 januari 2000 of ‘Rapport Elzinga wisselend ontvangen’ in de Volkskrant van diezelfde dag.
Hans van Mierlo tijdens de Thorbeckelezing in Amsterdam op de avond van de aanbieding van het rapport van de Staatscommissie Dualisme en lokale democratie.
Dat de herziening van de Gemeentewet eind 1992 – en de inwerkingtreding daarvan in 1994 – niet uitputtend is, is al geruime tijd voor de aanvaarding van deze wet door Tweede en Eerste Kamer duidelijk. Misschien dat het zicht op een snelle volgende aanpassing van de staatsrechtelijke structuur in Nederland juist mede de doorslag geeft om het langjarige wetgevingsproces voor deze herziening van de Gemeentewet eindelijk af te ronden. Van februari 1986 tot februari 19921 maar liefst duurt de parlementaire behandeling van deze herziening. Maar daarmee is de nieuwe Gemeentewet nog niet ingevoerd. Na de publicatie van de wet op 12 maart 1992 in het Staatsblad,2 dient de regering op 4 november 1992 het wetsvoorstel ‘Invoeringswet Gemeentewet’3 in, waarin de doorwerking van de wijzigingen in de nieuwe Gemeentewet wordt geregeld, inclusief de bepaling dat de Gemeentewet pas in werking zal treden vier maanden na publicatie in het Staatsblad van deze Invoeringswet. Dit4 verschijnt op 7 december 1993, waardoor de wet per 1 mei 1994 daadwerkelijk in werking treedt. Twee dagen later vinden er Tweede Kamerverkiezingen plaats, die de gevestigde politieke orde op haar grondvesten zal doen schudden. Met het aantreden van de ‘paarse’ kabinetten, waarin sociaaldemocraten, liberalen en liberaal-democraten elkaar juist op het thema van de vernieuwing van de staatsrechtelijke structuur vinden, wordt de weg vrijgemaakt voor een nieuwe, meer ingrijpende herziening van de Gemeentewet.
Zoals gezegd is deze volgende stap al jaren eerder in gang gezet.5 Tijdens het debat over de regeringsverklaring van het kabinet Lubbers III in september 1989, dienen de fractievoorzitters van D66, CDA, PvdA, VVD en Groen Links gezamenlijk een motie6 in met de oproep aan het presidium van de Kamer met een procedurevoorstel te komen om de staatkundige, bestuurlijke en staatsrechtelijke vernieuwing binnen Nederland aan te pakken. Het gevolg hiervan is de nota7 ‘Staatkundige, bestuurlijke en staatsrechtelijke vernieuwing’, die de Commissie Vraagpunten uit de Tweede Kamer op 16 november 1990 aan de Kamer voorlegt. Deze commissie is samengesteld uit de Kamervoorzitter, de vijf ondertekenaars van de eerdergenoemde motie, nog vijf leden uit de fracties van de ondertekenaars en één lid uit één van de overige fracties. Dit alles leidt bijna zes jaar later tot het indienen van een motie8 door de Kamerleden Te Veldhuis (VVD), Rehwinkel (PvdA) en Scheltema-De Nie (D66) met als dictum:
‘verzoekt de regering om een analyse te maken van het huidige functioneren van deze organen9 en om alle pro’s en contra’s van monisme en dualisme op provinciaal en gemeentelijk niveau te inventariseren en te voorzien van een beleidsmatig oordeel’.
De discussie over de staatkundige vernieuwing leidt in de jaren daarna tot een veelvoud aan voorstellen, nota’s en debatten over uiteenlopende onderwerpen. Schaalgrootte, kiesstelsel, financiële verhoudingen, herindeling van gemeenten en provincies, aantal bestuurslagen, allemaal passeren ze de revue en allemaal smoren ze in het moeras van de parlementaire democratie. Totdat in de kabinetsformatie voor het tweede kabinet Kok (‘Paars II’) in 1998 één onderwerp, waar de meeste partijen het – tenminste op hoofdlijnen – over eens zijn, eruit gelicht wordt. Onder de kop ‘Democratisering en dualisering van het lokale bestuursmodel’ formuleert het regeerakkoord een belangrijke opdracht10 voor het nieuwe kabinet:
‘Het lokale bestuursmodel is op een aantal punten aan herziening toe. De huidige wijze van aanstelling van de burgemeester is onbevredigend en de taak- en bevoegdhedenverdeling tussen college en gemeenteraad is in theorie nog monistisch, maar in de praktijk steeds meer dualistisch. Dit leidt er onder meer toe dat gemeenteraadsleden in een onduidelijke positie verkeren. Het kabinet kiest in principe voor een – in de praktijk reeds in gang gezette – ontwikkeling naar meer dualisme op lokaal niveau. Omdat het bij de dualisering van het lokale bestuursmodel om een ingrijpende wijziging gaat, is het van groot belang dat de verschillende aspecten in samenhang diepgaand worden onderzocht, afgewogen en uitgewerkt. Hiervoor wordt een Staatscommissie ingesteld die de opdracht krijgt te onderzoeken op welke wijze de dualisering van het lokale bestuursmodel vormgegeven kan worden en daarover vóór 1 januari 2000 voorstellen te doen (juridische aspecten en overige consequenties).’
Het zal een enorme klus worden, waarbij – zeker bij de parlementaire behandeling van de voorstellen – tijdsdruk een grote rol zal spelen. De regering laat er geen gras over groeien en al op 30 september 1998 wordt bij Koninklijk Besluit de Staatscommissie Dualisme en lokale democratie ingesteld onder voorzitterschap van de Groningse hoogleraar staatsrecht Elzinga. Elzinga haalt de in het regeerakkoord gestelde deadline bijna: op 17 januari 2000 presenteert hij het rapport van zijn commissie en dat krijgt meteen veel kritiek. De kranten11 schrijven dat de goede bedoelingen van een kloeke staatshervorming gesmoord zijn in het compromis van de polder. Of om het met de peetvader van het onderwerp staatskundige vernieuwing, D66-leider Van Mierlo, te zeggen: ‘de staatsrechtelijke vernieuwing is een lijdensweg geweest’.12
Het rapport van de staatscommissie Dualisme en lokale democratie zal leiden tot veel discussie over de nieuwe inrichting van het lokale (en provinciale) bestuur en het zal de basis vormen voor een ingrijpende wijziging van de Gemeentewet.