Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/8.3:8.3 Tot slot
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/8.3
8.3 Tot slot
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200739:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een belangrijk uitgangspunt in dit onderzoek is dat in politiewerk, maar ook in de strafrechtspraktijk vaak ruimte is voor interpretatie van de wet, waardoor naast formele verplichtingen en eisen uiteenlopende doelstellingen, situationele en culturele factoren van invloed kunnen zijn (vgl. Dixon, 1997: 31; zie ook hoofdstuk 2). Dit hoofdstuk liet zien dat elk van de onderzochte groepen beschikt over een eigen bij de beroepsgroep en functie behorend perspectief dat van invloed is op de wijze waarop tegen het functioneren van het strafrecht wordt aangekeken.
Allereerst kwam naar voren hoe verschillende juridische verantwoordelijkheden en bevoegdheden, en daarnaast verschillen in opleiding en werksituatie, van invloed zijn op opvattingen over het strafrecht onder politiemensen, officieren van justitie en rechters. Uitvoerende politiemensen en leden van de rechterlijke macht zijn niet in staat op hetzelfde niveau juridische begrippen te hanteren. Maar belangrijker is dat de uitvoering van executieve taken aan de politie en deels aan het OM zijn opgedragen en dit geldt niet voor rechters, die in plaats daarvan meestal wel eindverantwoordelijk zijn voor strafrechtelijke beslissingen. Politie en OM zijn verantwoordelijk voor strafrechtelijke handhaving en daarnaast zijn handhaving van de openbare orde en hulpverlening wettelijk aan de politie opgedragen taken. Voor de laatstgenoemde organisaties geldt dat instrumentele doelen van veiligheidsbeleid tot hun takenpakket behoren en eerder dan in de rechtspraak het perspectief op het functioneren van het strafrecht bepalen. Dit leidt ertoe dat politiemensen en ook officieren van justitie het strafrecht vaak sterker dan rechters beoordelen op zijn instrumentele waarde bij het tegengaan van criminaliteit en overlast.
Het perspectief dat leden van de verschillende beroepsgroepen op het strafrecht ontwikkelen wordt verder sterk beïnvloed door de informatie waarmee zij in hun dagelijks werk in aanraking komen. Zo zien rechters geseponeerde zaken in principe niet, waardoor zij minder informatie hebben over (vermeende) criminelen dan politiemensen en officieren van justitie. In dit hoofdstuk werd in dit verband verwezen naar het ‘opsporingsperspectief’ zoals politiemensen en officieren dat kennen, maar waarin de strafrechter niet of maar beperkt deelt. Hierbij kan het onder meer gaan om informatie uit (eerder) opsporingsonderzoek, achtergrondinformatie over criminele delicten en mogelijke verbanden daartussen. Vanuit dit opsporingsperspectief ontstaan eerder kritische opvattingen over de instrumentele waarde die de strafrechtspleging heeft bij criminaliteitsbestrijding. Voor politiemensen is verder bepalend voor de wijze waarop zij tot hun opvattingen over strafrecht komen dat zij hun werk doen op basis van de informatie die voor hen beschikbaar is. De informatie die hen ter beschikking staat, gaat voornamelijk over de aard en ernst van het gepleegde delict en over gedrag en voorkomen van de verdachte, bijvoorbeeld bij zijn aanhouding. Echter een deel van de achtergrondinformatie over de verdachte (bijvoorbeeld over zijn psychische gesteldheid) is voor de politie vaak nog niet beschikbaar, maar kan verderop in een strafrechtelijke procedure wel het perspectief bepalen van officieren van justitie en rechters (vgl. Barton, 1976: 479), zeker wanneer zij de tijd hebben om deze informatie te gebruiken. Een andere oriëntatie op strafdoelen lijkt hiermee in verband gebracht te kunnen worden; politiemensen zien vaker dan de andere twee groepen een belangrijke rol weggelegd voor de ‘harde aanpak’ (zie hoofdstuk 2) in het strafrecht.
Geredeneerd vanuit Packers modellen (zie hoofdstuk 2) is het verrassend dat de beschreven opvattingen niet strikter samenhangen met de drie onderzochte instituties. Due process is in zijn modellen gekoppeld aan rechters, terwijl het volgens Packer vooral politiemensen en officieren van justitie zijn die bijdragen aan crime control. In het vorige hoofdstuk bleken opvattingen over de strafrechtspleging zich niet te houden aan de organisatorische demarcaties tussen de politie, OM en rechtspraak. Er zijn (nuance)verschillen tussen politiemensen, officieren van justitie en rechters, maar in geen van deze groepen is sprake van een homogene opvatting over hoe tegen aan het strafrecht onderliggende spanningen moet worden aangekeken: sommige opvattingen komen in alle drie onderzochte groepen voor. Om deze reden moest in dit hoofdstuk op zoek worden gegaan naar factoren die verschillen in opvattingen kunnen verklaren, maar ook naar de oorzaken van overeenkomsten moest worden gezocht.
Het is de taak van politiemensen, officieren en rechters steeds aan te sluiten bij wat in een individueel geval een specifieke context van hen vraagt (vgl. Lipsky, 1980). Verwacht wordt dat ze juridisch, moreel en sociaal ‘leiderschap’ tonen (vgl. Vinzant & Crothers, 1996) en daarbij desnoods verder gaan dan de gebruikelijke strafrechtelijke reacties; eventueel buiten juridische kaders. Hierin schuilen belangrijke overeenkomsten in de omstandigheden waaronder politiemensen, officieren van justitie en strafrechters hun werk moeten doen en deze dragen bij aan het ontwikkelen van een (deels gemeenschappelijk) ‘betrokken’ perspectief op het strafrecht, naast of zelfs in plaats van een in het strafrecht meer gebruikelijk rationeel, afstandelijk perspectief. Hiermee kunnen overeenkomsten in opvattingen tussen de onderzochte groepen deels worden verklaard.
Persoonlijke verhalen en invloedrijke ervaringen tijdens en voorafgaand aan de carrière van een functionaris in het strafrecht, lijken veel invloed te hebben op hoe tegen spanningen in het strafrecht wordt aangekeken. Een persoonlijke, emotionele betrokkenheid komt zo vaak tot stand; deze wat onvoorspelbare, menselijke reactie komt in alle drie onderzochte groepen naar voren. Verder doen de verschillende typen functionarissen in hun eigen specifieke werksituatie soms dezelfde ervaringskennis op. Vermoedelijk draagt ook dit bij aan soortgelijke opvattingen over het strafrecht. Daarnaast dragen instrumenten als het ‘sfeerverbaal’ en het requisitoir van de officier van justitie eraan bij dat politiemensen, officieren van justitie en rechters soms hetzelfde ‘betrokken’ perspectief gaan hanteren.
Afstandelijkheid en rationaliteit zijn niet vanzelfsprekend gekoppeld aan de rechtspraak (vgl. IJzermans, 2011). Dit onderzoek maakt duidelijk dat perspectieven en opvattingen tussen de drie belangrijkste strafrechtelijke instituties worden uitgewisseld, bijvoorbeeld wanneer een officier van justitie rechter wordt. Een officier van justitie die rechter wordt lijkt het ‘opsporingsperspectief’ mee te nemen in zijn nieuwe functie.
Interessant is ook de vraag welke rol (wetenschappelijke) kennis over effecten van straffen speelt. In alle drie onderzochte groepen lijkt de kennis hierover tamelijk beperkt. Opnieuw een factor die bijdraagt aan de verklaring van overeenkomstige opvattingen in die groepen over hoe het strafrecht dient te functioneren.
Voorafgaand aan deze studie werd verwacht dat ook maatschappelijke factoren invloed hebben op de wijze waarop politiemensen, officieren en rechters over strafrecht denken (zie hoofdstuk 2). Te denken valt aan (ervaren) ontwikkelingen in de criminaliteit, maatschappelijke en politieke onrust rond criminaliteit en strafrechtspleging, maar ook aan de reacties daarop in beleid, wetgeving en de media (zie hoofdstuk 1). Uit dit hoofdstuk is duidelijk geworden dat het maatschappelijk debat over de strafrechtspleging en de grote mate van media-aandacht voor strafzaken inderdaad door alle drie onderzochte beroepsgroepen worden herkend en invloed hebben op hun opvattingen. Voor (ervaren) ontwikkelingen in de criminaliteit en de reacties daarop in beleid lijkt dit overigens minder te gelden: politiemensen en officieren van justitie lijken hier meer mee bezig te zijn dan rechters. Opvallend tot slot is het streven strafrechtelijk optreden ook voor niet-juristen, dus voor gewone burgers begrijpelijk te laten zijn. In alle drie onderzochte groepen vormt dit streven mede het perspectief op het functioneren van het strafrecht en vormt ook weer een factor die gemeenschappelijke instrumentalistische opvattingen over het strafrecht helpt te verklaren.