Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/6.5.3
6.5.3 Medium
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Voor de stelling echter dat een onmiddellijke procedure (al dan niet gefaciliteerd door de audiovisuele techniek) beter geëquipeerd is voor waarheidsvinding ontbreekt empirische onderbouwing.
Zie bijvoorbeeld het onderzoek van Goodman en collega’s uit 2006 en 2008.
Deze vorm komt in het Nederlandse strafproces nog niet zoveel voor. Soms treffen we in het dossier een brief aan van een getuige, maar in veruit de meeste gevallen wordt de verklaring opgetekend door de politie. Niettemin zal deze vorm in de toekomst mogelijk belangrijker worden. Het concept Wetsvoorstel rechtsbijstand en politieverhoor voorziet in de mogelijkheid om achter het proces-verbaal een geschreven verklaring van de verdachte op te nemen.
Feigenson 2010, p. 149 e.v.
Goodman e.a. 2006, p. 363. Zie ook Goodman e.a. 2008, p. 199.
Landström, Granhag & Hartwig 2005, p. 928
Landström, Granhag & Hartwig 2005, p. 930
Vrij & Winkel 2002, p. 640.
Vrij 2008, p. 145 en 180-181.
Burgoon & Newton 1991, p. 155.
Zie voor onderzoek naar camera perspective bias: Lassiter e.a. 2006, p. 192-210 en Lassiter, Ware & Ratcliff 2009, p. 157-170.
Malsch e.a. 2010. Zie meer in detail hoofdstuk 11.
De vorm waarin de beoordelaar van bepaalde informatie kennisneemt blijkt van invloed op de wijze waarop die informatie wordt gewaardeerd. Een belangrijke vraag is hoe het gekozen medium van invloed is op de manier waarop de rechter en juryleden zich informatie eigen maken en de inhoud van die informatie toetsen op accuratesse. Deze vraag heeft aan actualiteit gewonnen als gevolg van de ontwikkelingen in de audiovisuele techniek. De courtroom technology maakt het onder meer mogelijk om (meer) rechtstreeks getuigen te horen of video-opnamen op de terechtzitting af te spelen.1 Ook uit sociaalwetenschappelijke en rechtspsychologische hoek is steeds meer interesse gekomen voor de zogenaamde modes of presentation, mede in relatie tot de controverse rondom de auditu-verklaringen (van horen zeggen) en de invloed op het rechterlijk beslissingsproces.2
Er zijn verschillende vormen waarin de rechter of jury kennis kan nemen van de inhoud van een getuigenverklaring, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen de wijze van kennisoverdracht (middellijke versus onmiddellijk) en het type informatiedrager. In de categorie onmiddellijke kennisname kan een tweetal vormen worden onderscheiden: rechtstreekse overbrenging door het horen van de getuige op de terechtzitting of rechtstreekse overbrenging met behulp van audiovisuele techniek zoals videoconferentie. Met betrekking tot de middellijke overbrenging bestaat een aantal mogelijkheden, namelijk overbrenging door proces-verbaal van een politieambtenaar; overbrenging via een andere persoon die ter terechtzitting verklaart over wat hij heeft gehoord, de zogenoemde mondelinge de auditu-verklaring; overbrenging door in een eerder stadium vastgelegd beeld- of geluidsmateriaal en overbrenging door een in een eerder stadium zelf opgetekende verklaring.3 In Nederland is de geverbaliseerde verklaring dominant, zoals in het tweede deel van dit boek duidelijk zal worden.
Het onderzoek dat reeds in internationaal verband is verricht naar de invloed van de vorm van de informatieoverdracht op de oordeelsvorming in de juridische context, is nog bescheiden in omvang en richt zich vooral op de inzet van de audiovisuele techniek ten behoeve van de vastlegging van verhoren en de communicatie in de rechtszaal. Er bestaat nog veel onduidelijkheid over hoe en in welke omstandigheden de oordeelsvorming in de juridische procedure wordt beïnvloed als gevolg van de techniek.4 Een complicatie is daarbij dat de verschillende studies zich niet op precies hetzelfde richten. Er zijn verschillen voor wat betreft de persoon die de verklaring aflegt (minderjarige getuigen versus volwassen slachtoffers of verdachten), de aard van het delict waarover wordt verklaard (seksuele delicten versus andersoortige delicten), de vorm waarin de verklaring wordt overgebracht, zowel voor wat betreft de informatiedrager als de wijze van kennisname (live presentatie, videoconferencing, opgenomen beelden) en de mogelijkheid om actief vragen te stellen. Deze verschillen maken dat de resultaten niet uniform zijn en lastig te vergelijken. Niettemin valt wel een aantal voorzichtige conclusies te trekken.
Experimentele studies waarin de terechtzitting in het geheel wordt nagebootst in zogenaamde mock trials laten zien dat de vorm van overbrenging een wezenlijk onderdeel is van het bericht. Zo vonden Goodman en collega’s dat kinderen die verklaarden met behulp van een videoconferentie werden gezien als minder geloofwaardig, accuraat, aantrekkelijk, intelligent en zeker dan de kinderen die live ter terechtzitting een verklaring aflegden. Als de verklaring wel in persoon was afgelegd, verhoogde dit de geloofwaardigheid van het kind en had de jury meer sympathie voor het kind, hetgeen een voorspellende factor bleek te zijn voor de overtuiging van de jury van de schuld van de verdachte.5 Een soortgelijk verschil was ook zichtbaar in een onderzoek waarin door volwassenen in persoon afgelegde verklaringen werden vergeleken met videoverklaringen. Het optreden van een getuige werd in meer positieve zin gewaardeerd indien de getuige ter terechtzitting een verklaring aflegde, dan wanneer diens verklaring in een eerder stadium op video werd vastgelegd en ter terechtzitting werd getoond.6 In beide studies is ook gekeken in hoeverre de presentatievorm invloed had op het vermogen om vast te stellen of de getuige al dan niet de waarheid spreekt. Er werden op dat punt geen verschillen gevonden, in die zin dat juryleden daar moeite mee hadden ongeacht de vorm waarin de verklaring tot hen kwam (live dan wel met behulp van de techniek). Niettemin zou de meer kritische houding die gepaard lijkt te gaan met vormen van middellijke overbrenging, in echte zaken wel degelijk een rol kunnen spelen, zoals ook door Landström en collega’s wordt beargumenteerd.7 Deze veronderstelling lijkt ook te worden ondersteund door de resultaten van onderzoek specifiek gericht op de prestaties in leugendetectie. Er werd hiervoor al gerefereerd aan de studies verricht naar de verschillen in accuratesse van het detecteren van bedrog in interactieve en non-interactieve context, waarbij naar voren kwam dat actieve ondervragers minder goed presteren en een meer geprononceerde waarheidsbias hebben dan passieve waarnemers.8 Een verklaring hiervoor is dat passieve waarnemers niet zijn beïnvloed door de fysieke nabijheid van de gehoorde persoon en minder ontvankelijk zijn voor conventies die voorschrijven dat iemand niet te kritisch mag zijn ten opzichte van een conversatiepartner.9 Het oog in oog staan met de gehoorde persoon vertoont meer gelijkenis met een conversatie dan het kijken naar een op video opgenomen verklaring met dezelfde persoon. Dit zorgt er wellicht voor dat live-waarnemers hun conversatiepartner met grotere welwillendheid waarderen dan videowaarnemers. Een andere verklaring is dat de fysieke nabijheid ervoor zorgt dat de beoordelaar zich meer identificeert met de getuige en daardoor meer sympathie voor hem voelt, hetgeen uitmondt in een meer positieve indruk van de getuige.10
Naast verschillen tussen uiteenlopende vormen van presentatie kan ook de wijze waarop een bepaald middel wordt ingezet van invloed zijn op de waardering. Zo blijkt de cameraopstelling bij de registratie van (vooral verdachten) verhoren van groot belang voor de waardering van die verklaring. Voor de mate waarin een verdachte schuldig wordt geacht, maakt het verschil of de verdachte alleen of met de ondervrager in beeld is gebracht. Indien uitsluitend de verdachte in beeld wordt gebracht, dan wordt een door de camera geregistreerde bekentenis eerder als vrijwillig aangeduid en de verdachte schuldig bevonden, een fenomeen dat in de literatuur wel wordt aangeduid als camera perspective bias.11
Het hiervoor beschreven onderzoek ziet vrijwel uitsluitend op de overdracht van informatie in een juryproces. De vraag is of de perceptie van de beroepsrechter ten aanzien van de geloofwaardigheid van de getuige ook op dergelijke wijze wordt beïnvloed. Zij zijn immers meer geroutineerd in het waarderen van verklaringen. Het verschil tussen leken- en beroepsrechters hoeft echter niet zo groot te zijn, nu het gaat om algemeen menselijke competenties en beroepsrechters ook gewoon mensen zijn. Het punt is echter dat in het onderzoek nauwelijks aandacht wordt besteed aan overbrenging met behulp van schriftelijke verklaringen, terwijl die in het Nederlandse strafproces juist de hoofdmoot vormen. Er is in dit verband in Nederland zelf wel enig onderzoek verricht. Dit onderzoek laat zien dat de wijze waarop een verklaring wordt opgetekend van invloed is op de juridische oordeelsvorming en het oordeel over de aannemelijkheid van de verklaring.12 Echter, er zijn nog geen vergelijkingen gemaakt tussen beoordelen van de geloofwaardigheid van verklaringen door het horen in persoon (al dan niet met behulp van een videoverbinding) en het lezen van een schriftelijk verslag opgemaakt door een verbaliserend ambtenaar.