Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/5.2.2:5.2.2 Schorsen van voorlopige hechtenis
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/5.2.2
5.2.2 Schorsen van voorlopige hechtenis
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200829:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De rechter kan in het kader van een vordering of verlenging van de voorlopige hechtenis beslissen de voorlopige hechtenis te schorsen (tijdelijk op te heffen). Veel officieren van justitie zijn het niet eens met de hen uit hun eigen praktijk bekende klacht van politiemensen dat de voorlopige hechtenis te vaak geschorst zou worden (zie hoofdstuk 4).
‘Schorsende voorwaarden’ gericht op voorkomen van recidive, hebben in de ogen van politiemensen weinig te betekenen. Vaak is er onder hen geen vertrouwen (meer) dat recidive door middel van schorsende voorwaarden voorkomen kan worden. Volgens een officier van justitie ervaren politiemensen schorsing van voorlopige hechtenis vooral als een mogelijkheid voor de verdachte weer strafbare feiten te gaan plegen. Terwijl in de ogen van de meeste officieren deze voorwaarden wel zinvol kunnen zijn, vanwege het belang van resocialisatie van de verdachte, waarmee al tijdens de voorlopige hechtenis een begin gemaakt kan worden (vgl. Kelk, 2013: 605). Een officier:
‘Schorsing zien ze [politiemensen] vaak als een invrijheidsstelling zonder meer. Dat is misschien wel het grootste verschil tussen OM en politie: de politie zit op repressie en wij zijn al meer gericht op het voorkomen van recidive.’
Zoals al in hoofdstuk 4 werd gesuggereerd ligt aan het verschil in opvatting tussen veel politiemensen en officieren van justitie ten grondslag dat ze niet in gelijke mate op speciale preventie zijn gericht. Hierbij gaat het om een verschil in oriëntatie op strafdoelen, in plaats van op due process of crime control waarden. Later in dit hoofdstuk zal hierop nader worden ingegaan.
Soms zijn officieren van justitie net als veel politiemensen kritisch over de beslissing van rechters om de voorlopige hechtenis van verdachten te schorsen. Daarbij gaat het hen vaak specifiek om de werkwijze van bepaalde rechters, waarin te veel rekening zou worden gehouden met het belang van speciale preventie, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de manier waarop deze op de rechter overkomt. Een behoefte aan acute normering, ofwel aan voorlopige hechtenis als voorschot op de straf, speelt ook hier een rol.
‘Milde rechters schorsen de verdachte sneller. Die krijgen ermee te doen als ze iemand sympathiek vinden. Dat weet je bij sommigen. Ik zeg niet dat het voortdurend onterecht is, maar ik ben het er soms niet mee eens.’
‘Er wordt wel veel geschorst door de rechter-commissaris. Bijvoorbeeld omdat iemand zegt: “Ik heb een vrouw, een baan en een huis. Ik ben daar zo blij mee en straks ben ik alles kwijt.” Jammer dan, dat had je van tevoren moeten bedenken. Zo werkt het bij het OM wel, maar de rechtbank vindt sneller dat iemand toch nog een kans verdient. Soms hebben ze daar ook wel gelijk in, als iemand zijn huis kwijtraakt gaat het vaak van kwaad tot erger, maar aan de andere kant hebben we ook niets aan pappen en nathouden.’
In de ogen van een deel van de officieren van justitie wordt de voorlopige hechtenis van minderjarigen regelmatig te snel geschorst. Ondanks het feit dat volgens het jeugdstrafrecht een andere afweging gemaakt moet worden dan bij volwassenen, ‘voor jeugdofficieren een vanzelfsprekendheid’, vinden sommige officieren ook hier dat rechters soms een fout maken door tot schorsing te besluiten. Daarbij wordt de voorlopige hechtenis dan vaak als een voorschot op de straf beschouwd.
‘Bij minderjarigen vind ik dat ze erg snel geschorst worden. (…) Een jongere die in een paar maanden tijd drie keer wordt opgepakt voor een woninginbraak moet toch maar even vastzitten. Dat leidt bij ons tot onbegrip en dan gaan we in hoger beroep.’
Hoewel officieren van justitie tegenwoordig weinig bij de voorgeleiding van de verdachte aan de rechter-commissaris aanwezig zijn, hebben ze vaak wel een opvatting over de werkwijze die de laatste hierbij toepast. Vaak gaat het hierbij om de wijze waarop de rechter-commissaris omgaat met de door de verdachte weergegeven persoonlijke omstandigheden. Zo hebben meerdere officieren van justitie het beeld dat de rechter-commissaris weleens een ‘loopje met zich laat nemen’ of als ‘wereldvreemd’ beschouwd kan worden, bijvoorbeeld door niet altijd te vragen om bewijsstukken die de verklaring van de verdachte ondersteunen.
‘Heeft hij het gedaan? Nee, hij heeft het niet gedaan. Gaat het goed? Ja. (…) Wij zien ook hoe [verdachten] hier weer weg gaan. Dan is het hoera, handen in de lucht, haha. Dat zien de rechters niet. De meeste doen het prima, beter dan ik zou kunnen. Maar er zijn er een aantal die gewoon wereldvreemd zijn. Van ons zullen ze wel zeggen dat we crimefighters zijn.’
Ook worden rechter-commissarissen wel ‘door de wol geverfd’ genoemd, maar zouden ze toch eerder geneigd zijn om de verdachte op zijn woord te geloven dan officieren van justitie: ‘Ik geloof nooit verdachten als ze zeggen dat ze op school zitten of medische problemen hebben. Ik wil het allemaal op papier zien, bel met de school of wil het van de reclassering zien.’ Rechters die vaak (of erg) afwijkende beslissingen nemen worden overigens bij leidinggevenden van de rechtbank gemeld.
‘We hebben hier een RC die vaak beslissingen neemt waar we het niet mee eens zijn: daartegen gaan we duidelijk vaker in beroep. Ook de politie kent de naam van die RC. Is de verdachte bij die rechter voorgeleid, dan wordt het vast niks. Ik bespreek die geluiden met de coördinator van het kabinet RC. Misschien dat er in de kennis iets valt bij te spijkeren. De RC heeft ook jarenlang als kinder-RC gewerkt en heeft heel veel jongens naar huis gestuurd. Ook daar zijn we vaak tegen in beroep gegaan. Tegelijkertijd ken ik van deze RC moedige beslissingen, waarbij iemand wordt vastgezet zonder ook maar een spat bewijs.’