Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/3.3.3
3.3.3 Toepassingsbereik
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955498:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hof Den Haag 29 maart 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BP9443, IER 2011/45, m.nt. F.W.E. Eijsvogels (X/Thuiskopie), rov. 8.5, verduidelijkend dat onder ‘houder van een intellectuele-eigendomsrecht’ [sic] mede de andere in art. 4 van Richtlijn 2004/48 genoemde personen moet worden verstaan en met ‘vermeende inbreukmaker’ ook is gedoeld op tussenpersonen ex art. 9 lid 1 sub a en art. 11 Handhavingsrichtlijn en personen die op grond van art. 47 Sr als dader kunnen worden aangemerkt.
Hof Den Haag 29 maart 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BP9443, IER 2011/45 (X/Thuiskopie); Rb. Amsterdam 24 juli 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:5392, NJF 2019/511 (Mij. Tandheelkunde/BUMA).
HvJ EU 15 november 2012, C-180/11, ECLI:EU:C:2012:717 (Bericap/Plastinnova).
Hof Den Haag 29 maart 2011,ECLI:NL:GHSGR:2011:BP9443, IER 2011/45(X/Thuiskopie), Hof Den Haag 26 februari 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ1902, IER 2013/35, rov. 8.5, m.nt. F.W.E. Eijsvogels (Danisco/Novozymes).
Par. 1.5.1.
Bently 2013, p. 60-92. Zie ook Rb. Amsterdam (vzr.) 5 december 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BC4567, IER 2008/18 (Van Basten/Dutch Filmworks) en Rb. Midden-Nederland 9 januari 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:24, NJF 2020/86 (Spec Entertainment).
Van der Laan, IER 2007/96, afl. 6, p. 358-368.
Zie Visser, IEF 3284. Anders: Van der Laan, IER 2007/96, afl. 6, p. 358-368; Ploeger, IEF 3281.
Zie Chalmers Hoynck van Papendrecht 2020, p. 42-43, p. 142-143.
Kamerstukken II 2005/06, 30392, nr. 3 (MvT), p. 8. Dit onderscheid is overgenomen door de Hoge Raad: HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3477, BIE 2016/61, m.nt. R. Chalmers Hoynck van Papendrecht (LR Advocaten/LMR Advocaten), rov. 6.2.2.
HvJ EU 17 november 2022, C-175/21, ECLI:EU:C:2022:895 (Harman/AB), rov. 59-72.
Het toepassingsbereik van de Handhavingsrichtlijn is in meerdere opzichten ruim. Allereerst volgt uit art. 2 lid 1 van de richtlijn dat zij van toepassing is op alle geschillen omtrent inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten. De richtlijn heeft dus betrekking op alle procedures tussen de rechthebbende en de vermeende inbreukmaker waarin de vraag aan de orde is of de laatste zonder toestemming handelingen (heeft) verricht of dreigt te verrichten die zijn voorbehouden aan de houder van het recht.1 Onder deze omschrijving vallen tevens procedures waarin een verklaring voor recht van niet-inbreuk (anti-suit injunction) wordt gevraagd, executiegeschillen waarin het gaat om de naleving van een eerder uitgevaardigd inbreukverbod en gedingen waarin een wapperverbod wordt gevorderd.2 De richtlijn heeft geen betrekking op nietigheids- en oppositieprocedures.3 Dit is anders als zulke procedures samenhangen met een (voorgenomen) inbreukactie, omdat in zulke gevallen sprake is van een vooruitgeschoven inbreukverweer.4
De Handhavingsrichtlijn hanteert eveneens een ruime bandbreedte ten aanzien van de rechten waarop zij betrekking heeft. Deze rechten kwamen hiervoor al aan de orde.5 Bedrijfsgeheimen en portretrechten worden gewoonlijk niet beschouwd als rechten van intellectuele eigendom en vallen daarom buiten de reikwijdte van de richtlijn.6 Ook aanspraken voortvloeiend uit slaafse nabootsing, misleidende en vergelijkende reclame en oneerlijke handelspraktijken vallen buiten haar toepassingsgebied.7 Vermoedelijk geldt zulks ook voor de auteursrechtelijke persoonlijkheidsrechten zoals het naamsvermeldingsrecht en het droit au respect. Deze rechten vallen niettemin binnen de reikwijdte van Titel 15 Boek 3 Rv, omdat daaromtrent geen voorbehoud is gemaakt.8
De nadruk op het exclusieve karakter van de handelsnaam doet de vraag rijzen of de richtlijn van toepassing is op nationale handelsnaamgeschillen. Er bestaat immers discussie over de vraag of een handelsnaam kan worden beschouwd als een uitsluitend recht.9 De Nederlandse wetgever heeft het zinvol geacht de richtlijn gedeeltelijk te implementeren door titel 15 Rv van toepassing te verklaren op geschillen ex art. 5 en 5a Hnw. Procedures op grond van art. 3, 4 en 5b Hnw vallen buiten het toepassingsbereik van de implementatie.10
Voor procesrechtelijke aspecten (waaronder regels over tenuitvoerlegging) geldt het beginsel van nationale procedurele autonomie. Deze autonomie is echter in die zin beperkt dat procesrechtelijke regels van nationale origine moeten voldoen aan de vereisten van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid en het beginsel van effectieve rechtsbescherming.11
3.3.3.1 Minimumharmonisatie3.3.3.2 Verhouding tot andere regelgeving