Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/3.8.5
3.8.5 De jaarrekeningprocedure
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS304959:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Beckman & Marseille 2013, p. 702.
Daarnaast is ook de Advocaat Generaal van het Hof Amsterdam bevoegd tot het doen van een dergelijk verzoek in het kader van het openbaar belang (artikel 2:448 lid 1 onder b BW). Zie in dit verband onder meer: HR 5 september 1990, NJ 1991, 62 m.nt. Maeijer (Nedlloyd).
HR 3 februari 1988, NJ 1989, 225 m.nt. Maeijer (Hurks-Naba).
Beckman & Marseille 2013, p. 711.
Zie kritisch over dit begrip: Storm 2014-1, p. 407 en in het bijzonder voetnoot 7.
HR 26 juni 1985, NJ 1986, 307 m.nt. Maeijer (Kernenergiecentrale); HR 25 november 1991, NJ 1992, 149 m.nt. Maeijer; HR 6 juni 2003, NJ 2003, 486 m.nt. Maeijer (Scheipar). Deze jurisprudentie heeft zich ontwikkeld onder het ‘oude recht’, toen de betreffende bepaling nog was neergelegd in artikel 999 Rv. Met de wetswijziging, waarbij dit artikel werd verplaatst naar artikel 2:448 BW, is niet beoogd om een wijziging in de ‘twee-kringenleer’ te brengen. Zie in dit verband: Kamerstukken II 2005/06, 30 336, nr. 3, p. 34.
HR 26 juni 1985, NJ 1986, 307 m.nt. Maeijer (Kernenergiecentrale). Deze formulering is door de Hoge Raad in latere arresten herhaald (Asser/Maeijer 2000, nr. 442).
Zie voor het overzicht van deze eerste kring ook: Storm 2014-1, p. 407.
HR 23 december 1987, NJ 1988, 680 m.nt. Maeijer (Vendex).
HR 20 mei 1987, NJ 1987, 973 m.nt. Maeijer (De Schelde).
Hof Amsterdam (OK) 26 juni 1986, NJ 1987, 976 m.nt. Maeijer (Howson-Algraphy); Hof Amsterdam (OK) 25 april 1991, NJ 1992, 237 (BAT Nederland).
Hof Amsterdam (OK) 25 september 1997, NJ 1998, 391 (Van Oord ACZ).
Hof Amsterdam (OK) 15 maart 1979, NJ 1979, 573 (Gerofabriek); Hof Amsterdam (OK) 21 juli 2005, ARO 2005, 133 (HMP).
Hof Amsterdam (OK) 29 juni 1989, NV 1989, p. 19 (KZIJ).
Hof Amsterdam 14 september 2009, ARO 2009, 147 (Currency Connect); Hof Amsterdam (OK) 15 september 2009, JOR 2009, 320 m.nt. Hijink (Perstorp Franklin). Zie voor een situatie waarin de Ondernemingskamer dit op zichzelf onvoldoende vond: Hof Amsterdam (OK) 9 februari 2006, JOR 2006, 151 (Womitex).
Hof Amsterdam (OK) 17 maart 2005, JOR 2005, 121 (Bingham); Hof Amsterdam (OK) 3 juni 2009, JOR 2009, 224 (Bouwbedrijf Sijm. de Koning).
Hof Amsterdam (OK) 15 maart 1979, NJ 1979, 573 (Gerofabriek); Hof Amsterdam (OK) 27 december 1979, NJ 1981, 255, m.nt. Maeijer (Hoogovens).
Hof Amsterdam (OK) 3 juli 2014, JOR 2014, 232 m.nt. Josephus Jitta (Dubbel).
Hof Amsterdam (OK) 18 augustus 2005, JOR 2005, 273 (Triavium). Zie kritisch hierover: Storm 2014-1, p. 408.
Zie: Storm 2014-1, p. 408.
Asser/Maeijer 2000, nr. 442; Beckman & Krens 2011, paragraaf 6.3.5; Beckman & Marseille 2013, p. 711; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 330.8. Wel worden binnen deze eerste kring in de literatuur soms nog een nader onderscheid gemaakt, bijvoorbeeld door Willems. Hij maakt een onderscheid tussen degenen die een constituerende rol hebben en degenen voor wie de jaarrekening een betekenis heeft vanwege hun betrekking tot de onderneming. Willems betoogt bovendien dat het bestuur en de raad van commissarissen ook tot de eerste kring behoren (Willems 2005, p. 225). Beckman en Krens alsmede Dortmond wijzen erop dat de positie voor de werknemers en Ondernemingsraad een andere is dan die van bijvoorbeeld aandeelhouders. Werknemers zijn wel belanghebbende, maar de vennootschap heeft de gelegenheid te bewijzen dat de werknemers (of Ondernemingsraad) geen belang heeft bij de gestelde tekortkoming. De basis hiervoor kan worden gevonden in HR 20 mei 1987, NJ 1987, 973 m.nt. Maeijer (De Schelde), aldus Beckman en Krens (Beckman & Krens 2011, paragraaf 6.3.5). Zie voor een vergelijkbaar onderscheid binnen de eerste kring ook: Beckman 2014. Anders hierover: Asser/Maeijer 2000, nr. 442. Maeijer betoogt dat deze beperking ook voor andere belanghebbenden uit de eerste kring geldt, al zal het daar lastiger te bewijzen zijn.De Ondernemingskamer maakt geen onderscheid tussen de verschillende belanghebbenden binnen de eerste kring (zie voor een situatie waarin de aandeelhouder geen belang had en niet-ontvankelijk werd verklaard: Hof Amsterdam (OK) 10 januari 2008, ARO 2008, 33). Ook het belang dat aandeelhouders worden verondersteld te hebben kan worden weerlegd, aldus de Ondernemingskamer (zie hierover: Storm 2014-1, p. 408; en kritisch over deze opvatting van de Ondernemingskamer: Beckman 2014).
Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 330.8.
Beckman & Marseille 2013, p. 711; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 330.8.
Willems 2005, p. 226.
Storm 2014-1, p. 409.
Willems 2005, p. 228. Willems gaat vervolgens uitgebreid op de vraag in welke situaties iemand kan worden aangemerkt als een belanghebbende onder artikel 2:448 lid 1 sub a BW.
Ten slotte wordt ook in het kader van de jaarrekeningprocedure het begrip ‘belanghebbende’ gehanteerd. Indien wordt getwijfeld aan de juistheid van de jaarrekening, het jaarverslag en/of aan de overige gegevens is het mogelijk om daarover een verzoekschrift in te dienen bij de Ondernemingskamer van het Hof Amsterdam.1 Op grond van artikel 2:448 lid 1 onder a BW is ‘iedere belanghebbende bevoegd tot het indienen van een dergelijk verzoek op grond van artikel 2:447 BW.2 De vraag die daarbij naar voren komt is wie dan als belanghebbende in de zin van artikel 2:448 BW kan worden gekwalificeerd. Hoewel in de wetsbepaling ‘iedere belanghebbende’ is opgenomen, betekent dit niet dat één ieder als belanghebbende kan worden gekwalificeerd;3 er moet wel sprake zijn van een belang.4 In de jurisprudentie en literatuur heeft zich een twee-kringen-leer5 ontwikkeld, waarbij twee groepen van belanghebbenden, die beiden als belanghebbende in de zin van het voornoemde artikel kunnen kwalificeren, van elkaar worden onderscheiden.6
Tot de eerste kring van belanghebbenden behoren ‘de bij de onderneming betrokkenen ter bescherming van wier belangen de jaarrekeningprocedure in het leven is geroepen’.7 Volgens de Hoge Raad en/of de Ondernemingskamer behoren de navolgende (categorieën van) belanghebbenden tot deze kring:8
aandeelhouders;9
werknemers;10
de Ondernemingsraad;11
deelgerechtigden in de winst;12
houders van certificaten met vergaderrecht/met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten;13
leden van een coöperatie;14
voormalig aandeelhouders, voor zover zij in het relevante boekjaar aandeelhouder waren15 of hun aandelen hebben overgedragen voor een prijs die afhankelijk was van de relevante jaarrekening;16
aandeelhouders17 en certificaathouders18 van de moedervennootschap met betrekking tot de jaarrekening van de dochtervennootschap;
crediteuren van de moedervennootschap met betrekking tot de jaarrekening van de dochtervennootschap;19 en
wellicht houders van converteerbare obligaties of warrants.20
Algemeen lijkt te worden aangenomen dat in ieder geval de aandeelhouders, certificaathouders, degenen die een aan de winst gerelateerd recht hebben en de Ondernemingsraad tot de eerste kring behoren. Deze belanghebbenden hoeven in het kader van de procedure hun belang in beginsel niet te bewijzen. Er wordt verondersteld dat zij een belang hebben. Wanneer de rechtspersoon stelt (en bij betwisting bewijst) dat de verzoeker geen belang heeft bij het achterwege laten van wijziging van de tekortkoming, kan een belanghebbende die in beginsel tot de eerste kring behoort alsnog buiten de kring van belanghebbenden in de zin van artikel 2:448 BW vallen en dus niet-ontvankelijk zijn in zijn of haar verzoek.21
Tot de tweede kring van belanghebbenden behoren degenen die niet tot de kring van ‘de bij de onderneming betrokkenen ter bescherming van wier belangen de jaarekeningprocedure in het leven is geroepen’.22 Zij dienen hun belang te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken.23 Dit belang moet gelegen zijn in een specifiek en concreet nadeel, verbonden aan de wijze van inrichting van de jaarrekening.24 Hierbij kan onder meer worden gedacht aan de bestuurder, schuldeisers, concurrenten, verzekerden of vakbonden.25 Ook de stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid kan een belanghebbende zijn, wanneer de vordering strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt.26 Willems merkt in dit verband op dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat er hoge drempels worden opgeworpen om aan de kwalificatie van belanghebbenden te voldoen.27
Opvallend voor het antwoord op de vraag wie de wetgever beschouwt als belanghebbende bij de vennootschap is in dit verband vooral de tweede kring van belanghebbenden. Het valt op dat door de acceptatie van deze kring van belanghebbenden een zeer ruime reikwijdte van het begrip wordt gecreëerd. In beginsel wordt blijkens het criterium verondersteld dat iedereen als belanghebbende kan worden gekwalificeerd, zolang deze maar een voldoende specifiek en concreet nadeel kan aantonen.