RAV 2016/44
Bestuurdersaansprakelijkheid. Welke eisen worden gesteld aan de motivering van de weerlegging van het vermoeden van art. 2:248 lid 2 BW dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is?
HR 12-02-2016, ECLI:NL:HR:2016:233
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12 februari 2016
- Magistraten
Mrs. E.J. Numann, C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot
- Zaaknummer
14/06102
- Conclusie
A-G mr. J.B.M.M. Wuisman
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS923489:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Burgerlijk procesrecht / Hoger beroep
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2016:233, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑02‑2016
ECLI:NL:PHR:2015:2290, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑11‑2015
- Wetingang
Art. 2:248 BW
Essentie
Bestuurdersaansprakelijkheid. Onbehoorlijke taakvervulling. Incidenteel appel. Kostenveroordeling.
Welke eisen worden gesteld aan de motivering van de weerlegging van het vermoeden van art. 2:248 BW dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is? Is sprake van een onbelangrijk verzuim?
Samenvatting
Advocaten X en Y oefenen hun advocatenpraktijk uit in respectievelijk B B.V. (B) en C B.V. (C). B en C zijn in februari 2008 – met terugwerkende kracht per 1 juni 2007 – een (kosten)maatschap aangegaan. De maatschap heeft met E Holding B.V. (E) een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot een pand waarin B en C ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.