Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/4.2.1.2
4.2.1.2 Codificatie in Nederland
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972021:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 6 mei 1971 (Stb. 1971, 289).
Zie hierover Timmerman 2018, p. 79 e.v.; Overkleeft (diss.) 2017, p. 71 e.v.
Zie over deze discussie ook Overkleeft (diss.) 2017, p. 72 e.v.
Zie ter illustratie onder meer Van der Grinten (oratie) 1951; Sanders 1952; Brezet 1952, p. 192-197; Dorhout Mees 1952, p. 197-199; Grosheide 1959, p. 18-20; en Haardt 1961, p. 85-88. Die kritiek was niet nieuw (aldus ook Van der Grinten (oratie) 1951, p. 323). Zie bijvoorbeeld Polak (oratie) 1931, p. 68 e.v., waarin kritiek werd geuit op de teruglopende macht en controle van aandeelhouders in grote vennootschappen, onder meer als gevolg van de toenemende spreiding van het aandelenbezit en de beperkte band die deze investeerders hebben met de vennootschap; en, in meer algemene zin, Tekenbroek (diss.) 1923 en Cobbenhage (diss.) 1927.
Zie Sanders 1952. Zie hierover ook Van Overkleeft (diss.) 2017, p. 72-73.
Zie Sanders 1952, p. 337-338: “Men leide uit het voorgaande dan ook niet af, dat ik tegen oligarchische regelen als zodanig zou zijn en de klok terug zou willen zetten in die zin, dat ik de aandeelhoudersvergadering als controlerende instantie tegen wil en dank weer zou willen invoeren. Ik geloof niet, dat dit de juiste weg zou zijn. Waar ik echter in het kader van dit opstel op zou willen wijzen is, dat door het uitvallen van de algemene vergadering van aandeelhouders als controlerende instantie een zekere lacune is ontstaan.”
Zie Sanders 1952, p. 350 e.v.
Vgl. al eerder Volmer 1927, p. 34.
Zie Grosheide 1959, p. 18-20.
Vgl. eerder al Bloembergen (diss.) 1944, p. 187 e.v.
Zie Grosheide 1959, p. 20.
Vgl. Kamerstukken I 1959/1960, 3769, nr. 63, p. 11; en Handelingen I 1959/1960, p. 2275-2276, waarbij de toegang tot informatie overigens in belangrijke mate in het kader van financiële verslaglegging wordt geplaatst.
De Commissie Ondernemingsrecht, doorgaans aangeduid als de Commissie Verdam, werd voorgezeten door prof. mr. P.J. Verdam en had zestien leden, waaronder prof. mr. Van der Grinten en prof. mr. Sanders.
Zie over het rapport van de Commissie Verdam ook De Jongh (diss.) 2014, p. 352 e.v.; en Overkleeft (diss.) 2017, p. 73 e.v.
Zie Rapport Commissie Verdam, p. 76.
Rapport Commissie Verdam, p. 81.
Zie Rapport Commissie Verdam, p. 76.
Rapport Commissie Verdam, p. 76.
Zie Rapport Commissie Verdam, p. 13.
Zie over dit advies van de SER ook De Jongh (diss.) 2014, p. 354 e.v.; en Overkleeft (diss.) 2017, p. 77 e.v.
Zie SER-Advies 1969, p. 12 e.v.
Zie SER-Advies 1969, p. 13: “Bij een sterke spreiding van het aandelenkapitaal van grote ondernemingen is de invloed die de individuele aandeelhouder via de aan hem in de jaarstukken gegeven verantwoording zou kunnen uitoefenen, gering. De beleidsbepalende functie die de aandeelhouders eertijds aan hun eigendomsrechten ontleenden, is in de open en daarmede – door de spreiding van het aandelenbezit – vergelijkbare grote, besloten n.v.’s weggevallen. De wettelijke bevoegdheden van de aandeelhoudersvergadering vormen nu veeleer basis voor controle dan voor beleid.”
Zie SER-Advies 1969, p. 19.
Artikel IV onder E van de Structuurwet. Zie Rapport Commissie Verdam, p. 81; en SER-Advies 1969, p. 19.
Zie Kamerstukken II 1969/70, 10 751, nr. 3 (MvT), p. 18.
Zie Kamerstukken II 1970/71, 10 751, nr. 4, p. 25-26.
Vgl. Kamerstukken II 1970/71, 10 751, nr. 4, p. 25: “Deze bepaling komt overeen met het voorstel van de Commissie Ondernemingsrecht, waarbij de S.E.R. zich heeft aangesloten, echter met dien verstande dat anders dan in het voorstel van de Commissie Ondernemingsrecht niet wordt gesproken van de bestuurders en de commissarissen, doch van het bestuur en de raad van commissarissen.” De introductie van het ‘zwaarwichtig belang’-criterium wordt hier niet genoemd.
Zie Kamerstukken II 1969/70, 10 751, nr. 3 (MvT), p. 18: “De verplichting is niet onbeperkt: een zwaarwichtig belang van de vennootschap kan zich b.v. tegen voortijdige openbaarmaking van bepaalde gegevens verzetten. Het uitlekken van gegevens kan met name de concurrentiepositie van de onderneming schaden. Een beroep op deze omstandigheid voor het weigeren van inlichtingen behoort echter uitzondering te blijven.”
Zie Sanders 1972, p. 41-42: “Om met een buitenbeentje te beginnen: het recht op inlichtingen is zo ongemerkt in ons vennootschapsrecht binnengeslopen dat Dorhout Mees in het zojuist verschenen Aanhangsel op zijn Kort Begrip (De vennootschapswetgeving van 1971) er zelfs geen woord aan wijdt. (…) Toch ben ik er dankbaar voor. Het geven van inlichtingen is nu een wettelijke plicht geworden: (…).”
Het recht op inlichtingen werd uiteindelijk in 1971 wettelijk verankerd met de inwerkingtreding van de Structuurwet.1 Aanleiding voor de Structuurwet was het na de Tweede Wereldoorlog ontstane voornemen om het vennootschapsrecht te herzien.2 Eén van de aandachtspunten daarbij was de positie van aandeelhouders, met name bij grotere vennootschappen met een gespreid aandelenkapitaal.3 In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw zwol de kritiek op de rol en het functioneren van de algemene vergadering aan.4 De algemene vergadering zou haar controlerende taak zijn verloren, waardoor er feitelijk geen tegenwicht werd geboden aan de vennootschapsleiding. De discussie spitste zich onder meer toe op de vraag hoe die controle op de vennootschapsleiding zou kunnen worden teruggebracht. Opvallend is dat niet iedereen de oplossing zocht bij de algemene vergadering zelf. Ik wijs bijvoorbeeld op de invloedrijke bijdrage van Sanders aan de Cleveringa-bundel uit 1952.5 Sanders zag geen heil in het vergroten van de macht van de algemene vergadering,6 maar bepleitte – geïnspireerd door onder meer de Amerikaanse Securities and Exchange Commission – de introductie van een publiekrechtelijke toezichthouder die van buitenaf toezicht zou houden op het bestuur.7
Een andere richting werd ingeslagen door Grosheide, die in zijn preadvies uit 1959 een pleidooi hield voor een recht op inlichtingen voor aandeelhouders om zo de checks and balances binnen de vennootschap te versterken:8
“Een tweede vraag is, of men niet op een paar punten een tegenwicht zou kunnen bieden, waardoor een zekere bescherming ten aanzien van de machtsverhoudingen wordt geboden. M.i. zou dit tegenwicht moeten liggen op het terrein van de mededelingen, die men aan de aandeelhouders verstrekt en het inzicht dat men hun geeft in de ware financiële positie der vennootschap.”9
Geïnspireerd door het Duitse Auskunftsrecht,10 ziet Grosheid daarin een rol weggelegd voor een wettelijke verankering van een dergelijke recht op inlichtingen:
“Het wil mij voorkomen, dat het op zichzelf niet vreemd zou zijn, wanneer ook in het Nederlandse recht een regeling van het recht op inlichtingen zou worden opgenomen, alsook wanneer de verplichting tot het geven van inlichtingen dwingender geregeld was.”11
Het voorstel van Grosheide vond weerklank in het politieke debat.12 Daarbij werd het recht op inlichtingen voor aandeelhouders ook gezien als belangrijke voorwaarde voor een goed functionerend democratisch bestel binnen de vennootschap.
Van overheidswege werd bij beschikking van 8 april 1960 de Commissie Verdam ingesteld om onderzoek te doen naar de vraag of de wettelijke regeling voor de NV herziening behoefde.13 Bij dit onderzoek zou bijzondere aandacht worden besteed aan het bestuur en toezicht bij de grote onderneming en de publieke verantwoording van de onderneming. Het onderzoek van de Commissie Verdam resulteerde in het rapport van 26 november 1964 getiteld ‘Herziening van het Ondernemingsrecht’.14 In dit rapport werd een aantal aanbevelingen gedaan voor een herziening van het ondernemingsrecht, waaronder een voorstel voor een wettelijk recht op inlichtingen voor aandeelhouders.15 Dit voorstel hield in dat aan artikel 43 WvK (oud), de voorloper van het huidige artikel 2:107/217 BW, een tweede lid zou worden toegevoegd met de volgende bepaling:16
De bestuurders en commissarissen, zo die er zijn, verschaffen haar alle verlangde inlichtingen, tenzij het belang der vennootschap zich daartegen verzet.
Dit recht op inlichtingen, dat moest worden gezien als uitvloeisel van de verplichting tot de aflegging van verantwoording over het gevoerde beleid, moest de belangen van aandeelhouders beschermen en bijdragen aan de toezichthoudende en controlerende taak van de algemene vergadering.17 Het recht op inlichtingen diende echter niet zo ver te gaan dat dit de belangen van de vennootschap zou schaden. Als voorbeeld werd verwezen naar “gegevens die, bijvoorbeeld, uit concurrentieoverwegingen, niet voortijdig publiek gemaakt kunnen worden.”18 Aanleiding voor dit voorstel was de constatering van de Commissie Verdam dat aandeelhouders bij grote vennootschappen met een gespreid aandelenkapitaal slechts weinig invloed konden uitoefenen op de vennootschappen waarin zij investeerden.19 Tegen deze achtergrond bestond behoefte aan het versterken van de positie van de aandeelhouders.
Op 19 september 1969 bracht de SER een advies uit naar aanleiding van het rapport van de Commissie Verdam.20 In zijn advies constateerde de SER eveneens dat de algemene vergadering slechts weinig invloed had bij grote ondernemingen met een gespreid aandelenbezit.21 De rol van de algemene vergadering zou zijn veranderd van een beleidsbepalende functie naar een controlerende functie.22 De SER steunde het voorstel van de Commissie Verdam voor het toekennen van een recht op inlichtingen aan de algemene vergadering.23
In navolging van het rapport van de Commissie Verdam en het advies van de SER, werd in de Structuurwet een nieuw tweede lid van artikel 43 WvK (oud) opgenomen waarin het recht op inlichtingen aan de algemene vergadering werd toegekend:24
Het bestuur en de raad van commissarissen verschaffen haar alle verlangde inlichtingen, tenzij een zwaarwichtig belang der vennootschap zich daartegen verzet.
Ook in de parlementaire geschiedenis van artikel 43 lid 2 WvK (oud) is expliciet een verband gelegd tussen het recht op inlichtingen en de verantwoordingsfunctie van de algemene vergadering:
“Wel heeft [de algemene vergadering] een essentiële functie in de vennootschap. Deze komt o.m. hierin tot uitdrukking dat bestuurders en commissarissen aan haar als de vergadering van de risicodragende kapitaalverschaffers, verantwoording van hun beleid afleggen. De verplichting tot verantwoording houdt in de verplichting tot antwoorden, d.w.z. tot het verstrekken van verlangde gegevens. Met de voorgestelde aanvulling van artikel 43 wordt beoogd deze verplichting uitdrukkelijk in de wet te erkennen.”25
Tegen deze achtergrond heeft de wetgever ook ervoor gekozen om in de redactie van artikel 43 lid 2 WvK (oud) te verwijzen naar het bestuur en de raad van commissarissen als organen, in plaats hun respectieve leden. De gedachte hierachter was dat de verantwoordingsplicht rust op de organen zelf, niet hun leden, en dat daarom ook het standpunt van de organen als college met de algemene vergadering zou moeten worden gedeeld.26
Het ‘zwaarwichtig belang’-criterium heeft hier zijn intrede gedaan. Waar onder het oorspronkelijke voorstel van de Commissie Verdam verstrekking van verlangde inlichtingen kon worden geweigerd indien “het belang der vennootschap zich daartegen verzet”, zou daarvoor onder de wettelijke regeling slechts ruimte zijn indien sprake was van een “zwaarwichtig belang”. Hoewel uit de parlementaire stukken lijkt te volgen dat op dit punt geen redactionele wijzigingen waren beoogd,27 impliceert de aangepaste formulering van deze weigeringsgrond een hogere drempel dan oorspronkelijk voorgesteld. De wetgever heeft hiermee tot uiting willen brengen dat slechts in uitzonderingsgevallen met succes een beroep op die weigeringsgrond kan worden gedaan.28
De invoering van het wettelijk recht op inlichtingen heeft tot weinig discussie geleid, waarschijnlijk omdat dit slechts de reeds bestaande praktijk bevestigde.29 Sanders sprak in dit verband over de ‘onopgemerkte’ invoering van artikel 43 lid 2 WvK, maar benadrukte ook de waarde van de wettelijke verankering van dit recht op inlichtingen.30 Bij de invoering van het nieuwe burgerlijk wetboek is artikel 43 WvK getransponeerd naar artikel 2:107 en 217 BW. De oorspronkelijke redactie van artikel 43 lid 2 WvK is daarbij tot op heden in stand gebleven.
Deze totstandkomingsgeschiedenis laat zien dat het recht op inlichtingen primair is verleend met het oog op de vennootschappelijke rekening en verantwoording. Dat verklaart waarom het recht op inlichtingen niet is beperkt tot agendapunten; aandeelhouders moeten de vennootschapsleiding immers over alle aspecten van het beleid ter verantwoording kunnen roepen, ook als dat buiten de agenda zou vallen. Tegelijkertijd maakt de brede en open opzet van artikel 2:117/217 lid 2 BW het mogelijk dat aandeelhouders de vennootschapsleiding naar eigen inzicht en behoefte om inlichtingen verzoeken. Aangezien dit een recht is van de algemene vergadering ligt het voor de hand dat hiermee ook opheldering over of een nadere toelichting op agendapunten kan worden gevraagd. Daarmee biedt het recht op inlichtingen een belangrijke waarborg dat de algemene vergadering over de benodigde informatie en inzichten beschikt om tot weloverwogen besluitvorming te komen.