Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/1.3
1.3 Verantwoording en plaats van het onderzoek
mr. J.E. van Nuland, datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254458:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Van Bekkum & Kreileman 2019.
HR 8 december 2006, NJ 2006, 659 (Ontvanger/Roelofsen).
Waarover paragraaf 4.2.
Zie o.m. Kroeze 2006.
Dat blijkt wel uit de aandacht die de afgelopen jaren is besteed aan turboliquidaties als bedoeld in artikel 19 lid 4 BW, hetgeen in 2020 in de strijd tegen misbruik naar verwachting een ambtelijk voorontwerp zal opleveren (Kamerstukken II 2019/20, 29 911, nr. 253, brief van de minister voor Rechtsbescherming d.d. 7 oktober 2019) en het arrest HR 18 december 2015, JOR 2016, 145, m.nt. Jansen (Hoeksma q.q./R.M. Trade); zie ook paragraaf 5.2.3.1.
Het leerstuk van bestuurdersaansprakelijkheid heeft in de afgelopen twee decennia steeds meer aandacht gekregen. Hoewel de maatstaf voor aansprakelijkheid naar de huidige opvattingen een hoge drempel voor de vaststelling van aansprakelijkheid opwerpt, blijft het aantal zaken over bestuurdersaansprakelijkheid ongeveer gelijk.1 Gezien het grote aantal rechtspersonen dat Nederland kent, en daarmee dus ook bestuurders, moet deze aansprakelijkheidsvorm mijns inziens nog steeds worden aangeduid als uitzonderlijk. In het door de Hoge Raad in 20062 stellig geformuleerde uitgangspunt komt dit uitzonderlijke karakter overigens niet uitdrukkelijk naar voren. Indien sprake is van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering, kan volgens de Hoge Raad ter zake van deze benadeling naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder namens de vennootschap heeft gehandeld. De beoordeling van de aansprakelijkheid van deze bestuurder is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Naast deze aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad, voorziet het rechtspersonenrecht in verschillende specifieke bepalingen die als grondslag kunnen dienen voor de aansprakelijkheid van bestuurders. Met name zij hier gewezen op de op 1 januari 1987 ingevoerde regels voor aansprakelijkheid in het kader van antimisbruikwetgeving.3 Niet alleen schuldeisers worden door deze aansprakelijkheidsregels beschermd. Ook de vennootschap vindt bescherming in de potentiële aansprakelijkheid van haar bestuurder(s), nu artikel 2:9 BW voorziet in een grondslag voor interne aansprakelijkheid die de bestuurders in zekere zin dwingt tot een behoorlijke vervulling van hun taken. Telkens duiden deze bepalingen op een door de bestuurders in acht te nemen zorgvuldigheid: jegens schuldeisers van de vennootschap, jegens de vennootschap als zodanig, jegens andere betrokkenen bij de vennootschap. Aansprakelijkheid stuurt het gedrag van bestuurders – volgens sommigen boezemt het zelfs angst in4 – en compenseert benadeelden als bestuurders onverantwoord of met aan opzet grenzende roekeloosheid hebben gehandeld.
Maar wat nu als degene die namens de vennootschap handelt of degene die de vennootschap beheerst géén formeel bestuurder is? De bijzondere regelingen voor bestuurdersaansprakelijkheid gelden slechts voor formele bestuurders, terwijl het algemene karakter van artikel 6:162 BW de vraag doet rijzen welke maatstaf geldt voor degenen die zich als formele bestuurder hebben gedragen. Hoewel het leerstuk van bestuurdersaansprakelijkheid de nodige pennen in beweging brengt, blijft de aansprakelijkheid voor het bepalen van beleid en het handelen namens de vennootschap door deze niet-bestuurders in nevelen gehuld. Wordt zij besproken, dan worden kaders van de betreffende grondslag voor aansprakelijkheid eigenlijk niet verlaten. Daarin ligt dan ook de aanleiding voor dit onderzoek.
De actualiteitswaarde van dit onderzoek is gelegen in de aanhoudende – of wellicht zelfs toenemende – interesse voor het leerstuk van bestuurdersaansprakelijkheid in de literatuur en praktijk. In de praktijk zien schuldeisers en curatoren zich dikwijls geconfronteerd met lege of ‘verdwenen’ vennootschappen.5 Naar mijn indruk verklaart dit, in ieder geval deels, waarom de belangstelling voor dit leerstuk aanhoudt of zelfs toeneemt. Het aanspreken van bestuurders lijkt in die gevallen immers een logische stap om verhaalsmogelijkheden voor schuldeisers veilig te stellen of uit te breiden. Waarom zouden curatoren en schuldeisers zich echter beperken tot formele bestuurders? Het is in deze context dat het onderwerp aansprakelijkheid voor beleidsbepaling aandacht verdient. Ik heb gemeend deze aandacht te kunnen geven door op zoek te gaan naar leerstukken waarin een verband is te ontwaren tussen aansprakelijkheid en zeggenschap. Dat verband heb ik gevonden in de aansprakelijkheid van (mede)beleidsbepalers, andere vormen van doorbraak van aansprakelijkheid en de aansprakelijkheid van commanditaire vennoten.