Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/5.6.1
5.6.1 Inleiding
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS382515:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
P.J. Wattel, De koevoet van de controleur, Column over de betredingsbevoegdheid van fiscale controleambtenaren, WFR 1989/5896, p. 1575.
Voor de historische ontwikkeling zie hoofdstuk 3. Voor een uitgebreidere behandeling: R.N.J. Kamerling, Handboek belastingcontrole, (losbladige editie), hoofdstuk 5, 2001; R.N.J. Kamerling en M. Snippe, Belastingcontrole, 2013, hoofdstuk 7.
Voor uitvoerige beschouwingen over art. 12 Gw en deels de Awbi verwijs ik naar het commentaar van S.S. Buisman en S.B.G. Kierkels op de Nederlandse Grondwet, Nederland Rechtsstaat. In: Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), www.nederlandrechtsstaat.nl (webeditie 2014). Art. 8 EVRM biedt bredere bescherming voor het huisrecht in zijn omvattendheid dan het enkele binnentreden; Zie bijvoorbeeld EHRM 20 mei 2010, nr. 61260/08, AB 2011/1 (Olujić vs. Kroatië), par. 44. Verdergaande schending kan zijn gelegen in de bevoegdheid tot inbeslagneming en doorzoeking.
Voor de niet behandelde actualiteiten wil ik verwijzen naar P.A.M. Mevis, De bescherming van de woning 25 jaar later. In: E. Hofstee, O. Jansen en A. Smit, Kringgedachten, Opstellen van de Kring Corstens, 2014, p. 157-170.
P.J. Wattel, Fiscaal straf- en strafprocesrecht, 1989, p. 142.
De fiscale opsporingsambtenaar moet overigens ook voor het verkrijgen van toegang tot woningen handelen volgens de Awbi. De staatssecretaris oordeelt een verruiming van de toezichtsbevoegdheden (waarbij voor controlemedewerkers zou worden afgeweken van de Awbi) niet opportuun (Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, p. 37).
De inspecteur en de toezichthouder kunnen beiden ten behoeve van het uitoefenen van hun toezichthoudende taak een bezoek ter plaatse brengen. Dat stelt hen in de gelegenheid om ter plaatse de werkelijkheid vast te stellen.1
Aan de inspecteur moet – desgevraagd – toegang worden verleend door degene die een gebouw of grond in gebruik heeft voorzover dat voor een onderzoek nodig is (art. 50 AWR).2 Aan het betreden van gebouwen en gronden gaat toestemming vooraf. De toegang moet worden verleend op de tijdstippen dat zij in gebruik zijn. In de regel is de toegang tussen acht uur ’s ochtends en zes uur ’s avonds (met uitzondering van zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen) en, indien het redelijkerwijs niet mogelijk is om gedurende die tijdstippen het onderzoek te laten plaatsvinden, op andere momenten (art. 50 lid 2 en 3 AWR). De medewerkingsverplichting strekt verder dan alleen het verlenen van toegang. De gebruiker is ook verplicht, desgevraagd, aanwijzingen te geven die voor het onderzoek nodig zijn (art. 50 lid 4 AWR).
De bevoegdheid van de toezichthouder om toegang te verkrijgen, gaat verder dan die van de inspecteur. Hij heeft namelijk de bevoegdheid zelfstandig en ook nog eens alle plaatsen te betreden (art. 5:15 Awb). Hij kan zich toegang verschaffen al dan niet met behulp van de politie (‘de sterke arm’). Ook is hij bevoegd, net als de inspecteur overigens, zich te laten vergezellen van andere door hem daartoe aangewezen personen (art. 5:15 Awb resp. art. 50 lid 1 AWR).
Het verkrijgen van een dergelijke toegang is een ingrijpende bevoegdheid omdat het heel concreet inbreuk kan maken op de grondwettelijke beschermde huisvrede (art. 12 Gw).3 De privacy is daarmee in het geding (art. 8 EVRM).4 Deze, soms zelfs letterlijk, indringende bevoegdheid grenst heel dicht aan bevoegdheden die in het algemeen tot de opsporingssfeer behoren: het binnentreden en doorzoeken van plaatsen.
Deze bevoegdheid behoort echter tot het bestuursrecht en moet onderscheiden worden van de strafrechtelijke dwangmiddelen van doorzoeking en heeft ook niets te maken met het begrip ‘binnentreden van een woning tegen de wil van de bewoner’.5 Het staat ook los van de bevoegdheden van opsporingsambtenaren (zie o.a. art. 83 AWR) en de doorzoekingsbevoegdheid uit het wetboek van Strafvordering.6 Het gaat om bevoegdheden in de bestuursrechtelijke sfeer, maar kan vanwege het verplichte karakter, kenmerken vertonen van de opsporingssfeer.
In par. 5.6.2. analyseer ik de verschillen vanuit conceptueel perspectief en in par. 5.6.3 analyseer ik deze bevoegdheden in hun onderlinge verhouding op functionaliteit in relatie tot de wettelijke taak. Par. 5.6.4 bevat mijn conclusies.