Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/5.5:5.5 Doorlooptijden
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/5.5
5.5 Doorlooptijden
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200760:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Overigens beseffen officieren regelmatig niet in staat te zijn hierop gepast te reageren: zaken gebundeld op zitting brengen zou vaak niet lukken.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Net als politiemensen vinden ook officieren van justitie het door diverse omstandigheden soms lastig om hun werk goed te doen. De belangrijkste is dat zaken in hun ogen vaak te lang nadat het strafbare feit gepleegd is op zitting komen (vgl. Algemene Rekenkamer, 2012): ‘We staan nog steeds op zitting met kleine zaken die van een jaar en drie maanden geleden zijn.’
Niet alleen leiden lange doorlooptijden tot lagere straffen, belangrijker is dat het effect van strafrechtelijk optreden volgens officieren wordt beperkt door (te) lange doorlooptijden. Soms lijkt hieraan toe te rekenen dat meerdere strafvervolgingen tegelijkertijd gaan spelen.1
Opvattingen over ‘doorlooptijden’ maken nadrukkelijk onderdeel uit van de wijze waarop officieren van justitie het functioneren van het strafrecht beoordelen. Daarom wordt hier aan dit onderwerp apart aandacht besteed. Opvallend is dat het thema doorlooptijden door officieren tijdens de interviews veel vaker is genoemd dan door politiemensen. Mogelijk zijn officieren van justitie beter in staat om deze op te merken. Overigens wordt een belangrijk deel van het ervaren oponthoud door officieren van justitie gelokaliseerd bij politie en OM, al is het voor hen lastig om de oorzaken ervan precies aan te wijzen:
‘We staan nog steeds op zitting met oude zaken [van meer dan een jaar oud]. Als je vanuit dat perspectief kijkt, tijd, snap ik de beleving [van politiemensen] heel goed. We hebben een crimineel opgepakt en een jaar later is hij nog steeds niet gestraft. Het is een ingewikkeld proces en het is niet gemakkelijk om dat adequaat te organiseren.’
Volgens officieren van justitie gaat er ook onnodig veel tijd verloren tussen het vonnis van de rechter en de executie van de straf.
‘Ik koppel hier aan de executie: mensen met een lopend vonnis. Dat haalt met regelmaat de krant; dat vind ik wel zeer zorgelijk. Mensen schrijven zich uit en verdwijnen uit de gemeentelijke basisadministratie en blijven zo jarenlang uit handen van justitie, terwijl ze hun straf moeten uitzitten. Dat vind ik funest voor de handhaving, de rechtsorde, ons gezag. Bij de burgers ontstaat het gevoel dat zij zich aan regels moeten houden en anderen niet. Dat vind ik zeer kwalijk.’
In hun dagelijkse werk is voor officieren van justitie goed zichtbaar dat het OM de doorlooptijden in strafzaken probeert te verkorten. Zo wordt bevorderd dat tijdig de benodigde beslissingen worden genomen. Dit gebeurt onder meer door middel van periodieke overleggen en door termijnen systematisch bij te houden: ‘Je wilt niet weten hoe vaak wij hier lijstjes zien waar op staat hoe lang je zaken lopen en wanneer beslissingen moeten volgen.’ Desondanks blijft er behoefte bestaan aan een snellere afhandeling, bijvoorbeeld door meer toepassing van (super)snelrecht.
Veel officieren van justitie menen dat strafzaken efficiënt afgedaan moeten worden en in lijn hiermee is er onder hen brede steun voor de ZSM-werkwijze, waardoor het OM tegenwoordig meer betrokken is bij de afhandeling van kleine zaken dan eerder het geval was, de politie daar meer aandacht voor heeft en de afhandeling sneller gaat (Kouwenhoven & Kleijer-Kool, 2016; Lindeman, 2017; Salet & Terpstra, 2017). Eerder geconstateerde tekortkomingen in de beoordeling van bewijs bij het opleggen van strafbeschikkingen door het OM (Knigge & De Jonge van Ellemeet, 2014) worden door officieren van justitie als een serieus te nemen probleem beschouwd. Wel zeggen zij soms voor lief te nemen dat de verdachte het gevoel kan hebben onder druk te staan om de strafbeschikking van de officier van justitie te accepteren.
‘ZSM, de hoofdmoot van de zaken. De snelheid die erin zit, korte klappen, die houdt risico’s in. De advocatuur stelt er grote vraagtekens bij. Ik vind het wel een efficiënte manier van afdoen en het is direct voelbaar in mijn optiek. (…) Maar in hoeverre is het oké om mensen toch op een bepaalde manier onder druk te zetten: “Als u betaalt, mag u weg.” In hoeverre zet je mensen onder druk om dingen te accepteren terwijl ze het niet gedaan hebben om er maar vanaf te zijn? (…) Maar het kan niet anders, anders wordt het systeem te zwaar belast. Eenvoudige feiten, moeten we eenvoudig en snel afdoen.’
Opvallend is ook dat meerdere officieren van justitie betwijfelen of ze tijdens hun ZSM-dienst wel voldoende inzicht hebben in relevante informatie, aangezien het (vaak) niet de bedoeling is dat zij het dossier lezen. Een verklaard tegenstander van ZSM gaf aan dat onvoldoende waarborgen zouden zijn overgebleven die de individuele verdachte beschermen tegen mogelijke fouten van politie en OM.
‘Een rechter komt er niet aan te pas. Ik vind dat uitgangspunt niet goed. Het begon bij de verkeersovertredingen [Mulderfeiten], maar het gaat nu [bij de OM-afdoening] ook over diefstal, geweld en dergelijke. [Verdachten zijn vaak] mensen die niet weten hoe het werkt. Wij gaan er maar vanuit: stemmen ze in [met de strafbeschikking] dan is er niks aan de hand. Dat vind ik te makkelijk, omdat mensen hun rechten niet precies kennen. Ik leverde vrij veel dagvaardingen af [om bij de rechter te verschijnen]. Mocht eigenlijk niet, maar ik was daar vrij makkelijk in. Hierin wordt veel gedaan op basis van informatie van de politie, zonder dat je [het dossier] zelf hebt gelezen. Je neemt een beslissing op basis van een ander en veel informatie gaat verloren. Ook daar ben ik geen voorstander van. Het idee dat je reclassering, slachtofferhulp, politie en OM aan tafel zet om sneller in te grijpen, vind ik wel goed.’
Officieren van justitie ervaren meer snelheid in de afhandeling van zaken vanwege ZSM. In hun ogen betekent ZSM dan ook een groot voordeel voor de kwaliteit van de strafrechtelijke reactie die gegeven kan worden.
‘Ik vind dat het bij ZSM goed loopt. Wat we nastreven is dat we meteen interveniëren waar het kan. We hebben mogelijkheden van voorwaardelijke sepots. We kunnen gedragsaanwijzingen en strafbeschikkingen opleggen. We hebben een heel palet aan mogelijkheden voordat we bij een rechter uitkomen.’
Voor een deel van de geïnterviewde officieren van justitie vormen organisatorische problemen de belangrijkste oorzaak van onnodig lange doorlooptijden. Volgens deze officieren van justitie spelen bij onnodig oponthoud in de strafrechtelijke afhandeling van zaken vaak praktische factoren een rol: gebrek aan afstemming in logistieke processen bijvoorbeeld. Administratieve werkzaamheden zoals het tijdig samenstellen, betekenen, kopiëren en versturen van strafdossiers, leveren volgens hen vaak problemen op.
Sommige officieren van justitie spreken vooral over ongewenst oponthoud, veroorzaakt door rechters. Soms zouden rechters ‘onderzoeksverzoeken’ van de advocaat onvoldoende kritisch beoordelen, waardoor de behandeling van strafzaken onnodig tijd kost. Een officier van justitie:
‘Ik vind dat [procesmiddelen] soms oneigenlijk worden ingezet door advocaten. Getuigen oproepen om een proces te rekken, daar mag [door de rechter] naar worden gekeken vind ik. En dat doen rechters naar mijn idee niet altijd. Voordat de [rechter-commissaris] zes getuigen heeft gehoord, zijn we weer een half jaar verder en hoe het dan verder loopt, zien we dan wel weer. Advocaten vinden het handig als zaken oud en stoffig zijn, daar kunnen ze dan ook wel weer wat mee. Daar kan meer regie op worden genomen door de rechtbank vind ik soms. De rechten van de verdachte staan [in het algemeen] de strafrechtspleging niet in de weg, maar er moet wel goed naar het gebruik ervan worden gekeken.’
In bovenstaand citaat gaat het er niet alleen om dat de rechter aandacht moet besteden aan het beperken van de doorlooptijd in strafzaken, door gepast te reageren op onderzoeksverzoeken en niet meer onderzoek te vragen dan nodig. Ook wordt van de rechter verwacht oog te hebben voor ‘rekken’ door advocaten als doel op zich. Soms zou de advocaat niet bezig zijn met het vergroten van de betrouwbaarheid van de feiten om een cliënt vrij te krijgen, maar zou de bedoeling zijn (van bijvoorbeeld het oproepen van getuigen) het strafproces zo lang mogelijk te laten duren in de hoop daarmee uiteindelijk strafvermindering te verkrijgen voor de cliënt. Veel officieren van justitie denken dat advocaten op deze manier werken. Overigens zijn dit geen bezwaren tegen het strafprocesrecht zelf, maar tegen de manier waarop daar door rechters mee wordt omgegaan.
Een aanwijzing dat niet de vereiste zorgvuldigheid (centraal staand in Packers due process model), maar andere factoren tot oponthoud leiden bij politie en OM is het (ervaren) verschil in doorlooptijden van zaken waarin verdachten in voorlopige hechtenis zitten en zaken waarin dat niet het geval is. Vanwege de termijnen die aan voorlopige hechtenis zijn gesteld is er in deze zaken tijdsdruk op de uit te voeren werkzaamheden. Niet alleen binnen de politie (zie hoofdstuk 4), ook binnen het OM wordt aan zaken waarin de verdachte voorlopig gehecht is prioriteit gegeven. Een officier van justitie:
‘Als de verdachte niet vastzit dan zijn we de grip redelijk kwijt. Vaak duurt het lang voordat zo’n zaak op zitting komt: die gaat hier op de plank en dan gaan preventief gehechten voor. Daar moet je wat mee, omdat er termijnen gelden. Maar de plankzaken kunnen wel serieuze zaken zijn, waarbij de verdachte om wat voor reden dan ook in vrijheid is. Het komt voor dat pas na twee jaar afdoening volgt op zitting, al wordt wel aan verbetering gewerkt. (…) Ook de politie pakt werkzaamheden minder goed op als verdachten niet meer vastzitten.’
Ook wijzen officieren van justitie erop dat strafrechtelijke waarborgen, zoals de maatregelen ingevoerd naar aanleiding van het Salduz-arrest (zie ook hoofdstuk 4) weliswaar negatieve gevolgen hebben voor de opsporing, maar ook als positief beschouwd kunnen worden. Een grotere zorgvuldigheid in de opsporingsfase kan negatieve gevolgen hebben voor het kunnen straffen van daders, maar zorgvuldigheid is volgens deze opvatting belangrijker. Ook onderstrepen officieren van justitie regelmatig het belang van de rechtsstaat meer in het algemeen, temeer rechtsstatelijk functioneren van het strafrecht in hun ogen niet ten koste hoeft te gaan van criminaliteitsbestrijding. Daarbij is de gedachte dat het oplossen van organisatorische problemen en de inzet van voldoende opsporingsambtenaren en medewerkers van het OM, de spanning die door strafrechtelijke waarborgen wordt opgeroepen (deels) kunnen wegnemen.
‘In grote onderzoeken wordt het langzamerhand wel moeizaam, als je ziet hoeveel capaciteit nodig is om bepaalde mensen achter de tralies te krijgen. Maar kan het anders? Het hoort wel bij de rechtsstaat. De politie heeft zich boos gemaakt over de nieuwe Salduz regels. Het gevolg daarvan is dat onderzoeken ingewikkelder worden en dat het veel meer geld kost. Ik zit daar een beetje dubbel in. Aan de ene kant is het wel goed. Als justitie moet je zorgen dat mensen zich niet genaaid voelen, ook de verdachte niet. In zoverre is de controle door een advocaat ook niet zo heel erg. Maar het maakt [de opsporing] wel ingewikkelder.’
Merk op dat in kritische opvattingen met betrekking tot de tijd die het strafproces in beslag neemt vrijwel geen ideologische standpunten over due process of crime control terug te herkennen zijn. Ook het due process argument dat het voor de verdachte van belang kan zijn dat er geen onnodige vertraging in het strafproces optreedt (vgl. Ashworth, 1998; zie hoofdstuk 2) wordt door officieren van justitie niet genoemd. Wel klinkt crime control door in hun wantrouwen jegens advocaten die talrijke onderzoeksverzoeken zouden inbrengen. Overheersend is echter de opvatting dat zich incidentele problemen voordoen bij rechters en dat verder vooral interne, organisatorische problemen schuilgaan achter onnodig lange doorlooptijden in het strafrecht.