Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/4.3.2.2
4.3.2.2 Uitzondering: het ‘zwaarwichtig belang’-criterium
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972024:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het zwaarwichtig belang waarop een beroep wordt gedaan, dient dus ook daadwerkelijk verband te houden met de gevolgen van de informatieverstrekking, en niet met andere belangen of factoren. Vgl. Hof Amsterdam (OK) 2 december 2022, ARO 2023/1 (Zoncol), r.o. 3.7: “Op grond van artikel 2:217 BW verschaft het bestuur aan de algemene vergadering alle door haar verlangde inlichtingen, tenzij een zwaarwegend belang van de vennootschap zich daartegen verzet. Dat Zoncol, althans Laborai, graag wil dat Nilli Secundus eerst aan haar betalingsverplichtingen voldoet is niet een dergelijk zwaarwegend belang.”
Zie Van der Korst (diss.) 2007, p. 173. Anders: Handboek 2013, nr. 203.1.
Zie Kamerstukken II 1970/71, 10 751, nr. 4, p. 26. Zo ook Vletter-van Dort 2012, p. 215.
Voor beursvennootschappen volgt dit uit best practice bepaling 4.2.1 van de Corporate Governance Code. Ik meen dat uit artikel 2:8 BW hetzelfde volgt voor vennootschappen die buiten het bereik van de Corporate Governance Code vallen, aldus ook Hof Amsterdam (OK) 24 augustus 2021, JOR 2021/296 m.nt. P.L. Hezer (Allure), r.o. 4.10.
Zie Rb. Amsterdam 13 juni 2007, JOR 2007/176 (Centaurus c.s./Versatel), r.o. 4.4.1: “Aan een beroep op de concurrentiegevoeligheid van bepaalde gevraagde informatie is immers nu eenmaal inherent dat dit beroep niet uitvoerig kan worden toegelicht zonder dit zwaarwichtige concurrentiebelang alsnog te schaden.”
Zie Kamerstukken II 1969/1970, 10 751, nr. 3 (MvT), p. 18: “De verplichting [om de verlangde inlichtingen te verschaffen – PH] is niet onbeperkt: een zwaarwichtig belang van de vennootschap kan zich b.v. tegen voortijdige openbaarmaking van bepaalde gegevens verzetten. (…) Een beroep op deze omstandigheid voor het weigeren van inlichtingen behoort echter uitzondering te blijven.”
Handboek 2013, nr. 203.1; Van der Korst (diss.) 2007, p. 172-173; Timmerman 1988, p. 308.
Zie Kamerstukken II 1969/1970, 10 751, nr. 3 (MvT), p. 15: “Het uitlekken van gegevens kan met name de concurrentiepositie van de onderneming schaden.”
Zie Rb. Amsterdam 13 juni 2007, JOR 2007/176 (Centaurus c.s./Versatel), waarbij ook het achterliggende motief van Centaurus c.s. werd meegewogen blijkens r.o. 4.4.1: “Weliswaar is van de zijde van Versatel ter gelegenheid van de comparitie toegegeven dat het – achteraf bezien – wellicht mogelijk was geweest inzicht te geven in de voor de fairness opinion gehanteerde berekenings- en waarderingsmethodes zonder dat hiermee onmiddellijk concurrentiegevoelige informatie zou zijn prijsgegeven, doch hier staat echter – naar Versatel terecht aanvoert – tegenover dat aandeelhouders, waaronder Centaurus c.s., uiteindelijk niet zozeer waren geïnteresseerd in de gehanteerde berekenings- en waarderingsmethodes, als wel in het antwoord op de vraag of een bepaalde – en, zo ja, welke – berekenings- en waarderingsmethode zou uitkomen op een hogere waardering van het aandeel dan het Bod. Naar Versatel terecht betoogt zou met het antwoord op die – logischerwijs – volgende vraag wél concurrentiegevoelige informatie zijn verstrekt, nu dit antwoord inzicht zou hebben gegeven in de waardering van de afzonderlijke activa van de onderneming.”
Zie Rb. ’s-Hertogenbosch 5 augustus 1999, JOR 1999/202 (Origin), r.o. 4.5: “Daar komt nog bij dat – naar onbetwist gesteld is – het hier (geheel of grotendeels) gaat om een type informatie, dat nog niet eerder door Origin is verstrekt en ook door beursgenoteerde vennootschappen, voor wie verdergaande informatieverplichtingen gelden, niet wordt verstrekt. Origin stelt zich op het standpunt, dat zich een zwaarwegend belang tegen afgifte van de gevorderde informatie verzet en dat de informatie concurrentiegevoelig is. Redenen om dit standpunt aanstonds als onwaarschijnlijk of onaannemelijk van de hand te wijzen, zijn niet gebleken.”
Zie hierover Stevens 2018, p. 217; en Hoff (diss.) 2011, p. 431 e.v.
Vgl. Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 452.
Vgl. in het kader van het informatierecht buiten vergadering Hof Amsterdam (OK) 22 juni 2022, JOR 2023/64 m.nt. W. Lazar (ICTS), r.o. 3.8, waarover ook par. 5.2.4.6 hierna.
Zie onder meer Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 6 onder d; en Assink/Slagter 2013, p. 701. Vgl. Handboek 2013, p. 373, waarin wordt gepleit voor een ruime opvatting van het begrip ‘zwaarwichtig belang’.
Zie ook par. 4.3.3.1 hierna.
Zie onder meer Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 6 onder d; Assink/Slagter 2013, p. 701; en Asser/Maeijer 2-III 1994, nr. 256. Vgl. Handboek 2013, p. 373, waarin wordt gepleit voor een ruime opvatting van het begrip ‘zwaarwichtig belang’.
In enquêteprocedures zal het onderliggende conflict veelal zijn veroorzaakt door verstoorde interne verhoudingen, zie ook Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 759.
Op grond van artikel 2:107/217 lid 2 BW kan de vennootschapsleiding (slechts) weigeren de door de algemene vergadering verlangde inlichtingen te verschaffen indien een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich daartegen verzet. Ook dit sluit aan bij de belangenafweging die ten grondslag ligt aan transparantieplichten van de vennootschap. Het zwaarwichtig belang-criterium dient uitsluitend om de belangen van de vennootschap te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van informatieverstrekking,1 en bijvoorbeeld niet de belangen van derden.2
Het is aan de vennootschapsleiding – en dus niet aan de algemene vergadering of de aandeelhouder die een vraag heeft gesteld – om van geval tot geval te beoordelen of er sprake is van een (voldoende) zwaarwichtig belang om de algemene vergadering haar recht op inlichtingen te ontzeggen.3 Dit is een sterk casuïstische toets waarbij alle omstandigheden van het geval in acht moeten worden genomen. Blijft verstrekking van de verlangde inlichtingen uit, dan ligt het op de weg van de vennootschapsleiding om gemotiveerd toe te lichten waarom een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich tegen de informatieverstrekking verzet.4 In de rechtspraak is aanvaard dat onder omstandigheden kan worden volstaan met een oppervlakkige motivering indien een uitvoerige toelichting alsnog ertoe zou leiden dat de concurrentiepositie van de vennootschap zou worden geschaad.5 Ik meen dat op de vennootschapsleiding ook in die gevallen uit hoofde van artikel 2:8 BW de verplichting rust om in ieder geval zo volledig mogelijk te zijn in de motivering van de afwijzing van het verzoek.
Wanneer ter vergadering discussie ontstaat over de weigering van de vennootschapsleiding om inlichtingen te verschaffen aan de algemene vergadering, kan een rol zijn weggelegd voor de voorzitter om in te grijpen in het belang van de vergaderorde. Daarbij kan de voorzitter de verzoekende aandeelhouder(s) het woord ontnemen. Ook meen ik dat de voorzitter de vennootschapsleiding kan aansporen, maar niet kan dwingen, om alsnog de verlangde inlichtingen te verstrekken. In paragraaf 4.3.3.1 hierna ga ik nader in op de rol van de voorzitter bij de informatieverstrekking.
Gezien de verantwoordings- en zeggenschapsfunctie van het recht op inlichtingen, zal slechts in uitzonderlijke omstandigheden sprake zijn van een zwaarwichtig belang van de vennootschap dat zich verzet tegen beantwoording van een ter vergadering gestelde vraag. Dit pleit voor een terughoudende interpretatie van dit begrip.6 De Nederlandse doctrine biedt op dit punt weinig houvast. Ik geef een aantal voorbeelden.
Algemeen wordt aangenomen dat een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich verzet tegen het verstrekken van informatie indien daardoor de concurrentiepositie van de vennootschap kan worden geschaad,7 bijvoorbeeld in het geval van strategische bedrijfs- of concurrentiegevoelige informatie.8 Dat een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich kan verzetten tegen het delen van bedrijfs- of concurrentiegevoelige informatie, is in schaarse rechtspraak bevestigd. In Centaurus c.s./Versatel oordeelde de Rechtbank Amsterdam dat vragen van Centaurus c.s. naar de bij een fairness opinion gehanteerde berekenings- en waarderingsmethodes in het kader van een openbaar bod niet hoefden te worden beantwoord, omdat dit op concurrentiegevoelige informatie zou zien.9 Een ander voorbeeld is te vinden in SOBI/Origin waar (niet nader omschreven) ‘vitale en essentiële informatie nodig om een juiste koers voor bepaalde certificaten’ als concurrentiegevoelig werd bestempeld.10
Deze beide uitspraken betroffen overigens beursvennootschappen. Daarbij moet worden bedacht dat op beursvennootschappen uitvoerige regelgeving van toepassing is die ziet op de omgang met, en openbaarmaking van koersgevoelige informatie. Het is van belang dat de markt als geheel volledig, correct en tijdig wordt geïnformeerd over feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de koers van de aandelen van de betreffende vennootschap.11 Schending van de voorschriften die dit beogen te waarborgen, is onderhevig aan verstrekkende sancties, veelal bestuursrechtelijk of strafrechtelijk van aard. Indien en voor zover de verlangde inlichtingen zien op koersgevoelige informatie, verzet een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich derhalve tegen het verstrekken van die informatie voor zover daarmee in strijd zou worden gehandeld met een vigerende openbaarmakingsverplichting.12 In ieder geval moet er oog zijn voor de regulatoire ruimte die een vennootschap heeft om bepaalde informatie ter vergadering te delen.13
In de literatuur is voorts betoogd dat het waarborgen van de vergaderorde kan rechtvaardigen dat verlangde inlichtingen niet worden verstrekt.14 Dat komt mij juist voor. In voorkomende gevallen is het echter niet (uitsluitend) de verstrekking van de verlangde inlichtingen waardoor de vennootschap wordt geschaad, maar het gedrag van de aandeelhouder. Om die reden acht ik het zuiverder om het waarborgen van de vergaderorde te beschouwen als een separate weigeringsgrond die losstaat van het zwaarwichtig belang-criterium. Artikel 2:8 BW biedt een juridische grondslag voor deze weigeringsgrond.15 Relevant daarbij is dat het waarborgen van de vergaderorde een taak is van de voorzitter.16 Het is derhalve in principe aan de voorzitter – en dus niet zonder meer aan de vennootschapsleiding – om te bepalen dat de vergaderorde vereist dat een vraag niet hoeft te worden beantwoord; zo nodig kan de vennootschapsleiding in voorkomende gevallen overleg plegen met de voorzitter.
In de literatuur is voorts betoogd dat het onnodig ernstig schaden van de verhoudingen binnen de vennootschap een zwaarwichtig belang kan opleveren dat zich verzet tegen het verschaffen van de verlangde inlichtingen.17 Het lijkt mij onomstreden dat een verstoring van de interne verhoudingen de onderneming inderdaad kan schaden,18 al is het lastig in te zien wanneer dit het gevolg zou zijn van het verstrekken van door de algemene vergadering verlangde informatie. Ik meen daarom dat bij een beroep op deze weigeringsgrond de nodige terughoudendheid moet worden betracht.