Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/6.7
6.7 Tot besluit
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Van Koppen 2011, p. 103.
Zie op dit punt de resultaten van het in § 6.5.1 beschreven leugendetectieonderzoek, maar ook de publicatie van Benton en collega’s die ingaan op de reikwijdte van de kennis van lekenrechters (juryleden) omtrent ooggetuigenverklaringen. Die kennis blijkt zeer beperkt te zijn: juryleden zijn geneigd om teveel te vertrouwen op indicatoren die geen goede indicatoren voor accuratesse vormen, terwijl relevante factoren in de oordeelsvorming niet worden meegenomen (Benton e.a. 2007, p. 484).
Zie hierover Van Koppen en Lochun 2010, p. 623-637.
De geïnteresseerde lezer wordt verwezen naar het tweedelige handboek over ooggetuigenbewijs M. Toglia, J.D. Read, D.F. Ross & R.C.L. Lindsey (red), Handbook of eyewitness psychology, Mahwah NJ: Lawrence Erlbaum Associates 2007.
De vaststelling van de geloofwaardigheid is niet eenvoudig, aangezien in beginsel niet van de vorm of de inhoud van de verklaring valt af te lezen in hoeverre deze correspondeert met de werkelijkheid. Zolang de gebeurtenissen waarover wordt verklaard zelf niet objectief zijn geregistreerd, moet voor een oordeel over de mate waarin aan een verklaring geloof kan worden gehecht, meestal dieper worden gegraven. Daarvoor vormt de bron van de bewering een belangrijk aanknopingspunt. Is de getuige in staat om een waarheidsgetrouwe verklaring af te leggen en zijn er geen redenen om te twijfelen aan de oprechtheid van de bron? Inzicht in de omstandigheden waaronder de waarneming is gedaan en de verklaring is opgenomen (het totstandkomingsproces), zijn eveneens van groot belang voor de mate waarin gerechtvaardigd is dat geloof kan worden gehecht aan een verklaring.
Echter, ook indien geen onjuistheden in de verklaring kunnen worden vastgesteld en de verklaring op deugdelijke wijze lijkt te zijn opgenomen en vastgelegd, bestaat nooit zekerheid dat de inhoud daarvan ook echt overeenkomt met de werkelijkheid. Uiteindelijk komt het na toetsing aan op vertrouwen en dat vertrouwen kan alleen worden toegekend aan een persoon.1 Het feit dat een getuige geen enkele reden heeft om te liegen, kan een argument zijn om aan een verklaring waaraan ogenschijnlijk geen gebreken kleven geloof te hechten. Dat betekent vanzelfsprekend niet dat deze ook zonder enig nader aanvullend bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring moet leiden.
Bij de bestudering van de beoordeling van verklaringen in het strafproces dient niet alleen te worden gekeken naar het object van waardering, maar ook naar beoordelaar. Bij de waardering van verklaringen doen zich eveneens cognitieve processen voor, waarvan de beoordelaar zich mogelijk niet of in mindere mate bewust is. Onderzoek laat zien dat beoordelaars zich niet altijd op de juiste kenmerken richten en kunnen lijden aan zelfoverschatting.2 Bovendien blijken beoordelaars gevoelig voor factoren die er eigenlijk niet toe zouden moeten doen zoals de aantrekkelijkheid van de bron. Tot slot blijkt ook de vorm waarin informatie wordt aangeboden van belang te zijn voor de waardering van de inhoud. Over de mate waarin beroepsrechters ten prooi vallen aan deze processen is echter weinig bekend.
Het zal duidelijk zijn dat in het vorige en onderhavige hoofdstuk ook het nodige niet aan de orde is gekomen. Zo is er veel onderzoek gedaan naar de kwaliteit van herkenningen en waarnemingen onder bepaalde variabelen, zoals afstand, lichtcondities, enzovoort. Deze aspecten zijn grotendeels onbesproken gebleven. Ook over de kwaliteit van signalementen, het maken van compositiefoto’s en de relatie tot eventuele latere herkenningen is evenmin gerept.3 Vanzelfsprekend is kennisname van dit type aspecten wel van belang voor de beoordeling van de kwaliteit van getuigenverklaringen.4 Dit hoofdstuk is omwille van de vergaande specialistische kennis beperkt tot de waardering van getuigenverklaringen in algemene zin. In dit verband kon niet al het onderzoek dat op het terrein van de getuigenverklaring is verricht worden meegenomen. Het voorgaande laat evenwel duidelijk zien waar de problemen liggen voor wat betreft de totstandkoming en toetsing van getuigenverklaringen en dat er veel onzekerheden en hiaten in onze kennis bestaan. In de volgende delen van dit onderzoek wordt gekeken hoe in de Nederlandse procedure met voornoemde problematiek wordt omgegaan en in hoeverre men erin slaagt om eerdergenoemde problemen te voorkomen dan wel te redresseren.