Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.3.2.2
6.3.3.2.2 Mise en abyme
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS495439:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Ervan uitgaande dat bij het uitspreken van het faillissement redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de schuldenaar zijn crediteuren niet of niet geheel zal betalen.
Bij een crediteurenakkoord (behoudens het zogeheten liquidatieakkoord) speelt deze problematiek niet, omdat het akkoord niet gericht is op de algehele vereffening van het vermogen van de debiteur.
Grotendeels ontleend aan Boekraad 1997, p. 255-258 en De Liagre Böhl 1991, p. 251-252. Zie ook Vetter, GS Faillissementswet titel II afd. 1 art. 8, aant. 11.
De vordering van de Belastingdienst is hoogpreferent (paragraaf 6.3.3.1.1).
Anders beredeneerd: schuldeisers zien bij uitdeling van het boedelactief 180 van 1.200 betaald worden, waardoor een vordering van 1.020 resteert. De btw-herziening had dus 170 moeten zijn (20% uit 1.020).
Anders beredeneerd: schuldeisers zien niet 180, maar 210 van hun vordering betaald worden, waardoor een vordering 990 resteert. De btw-herziening had dus 165 moeten zijn (20% uit 990).
Voor het opmaken van de slotuitdelingslijst zijn relatief ingewikkelde berekeningen nodig. Reden hiervoor is dat de schuld ex art. 29 lid 7 Wet OB 1968 (juncto art. 29 lid 8 Wet OB 19681) afhankelijk is van de hoogte van het uitkeringspercentage in faillissement. Immers: wanneer een uitkering wordt gedaan, zal het bedrag aan niet-betaling en de omvang van de herzieningsverplichting pro rata parte dalen, hetgeen weer zorgt voor extra voor uitkering vatbare liquiditeiten. Daarmee ontstaat een soort mise en abyme: een ‘Droste-effect’.2 Een en ander laat zich het best illustreren aan de hand van een getallenvoorbeeld:3
Voorbeeld 6.8
Schuldeisers hebben in faillissement voor 1.200 (inclusief 20% btw) aan vorderingen ter verificatie bij de curator ingediend. Op basis van de opgave van de curator heeft de Belastingdienst een naheffingsaanslag opgelegd ter hoogte van 200. Nadat de activa door de curator te gelde zijn gemaakt en de faillissementskosten en het salaris van de curator zijn voldaan, resteert een te verdelen bedrag van 380.
Nadat de naheffingsaanslag4 is afgeboekt blijft 180 over voor verdeling onder de schuldeisers. Dit komt neer op een uitdelingspercentage van 15 (180/1200). Door deze uitdeling vindt ook een gedeeltelijke voldoening van de btw-component uit de vorderingen plaats. Deze component bedraagt 30 (20% uit 180 of 20/120 van 180). Dit betekent dat de vordering van de Belastingdienst aanvankelijk tot onjuist bedrag is vastgesteld. Deze had 170 moeten zijn (200 -/- 30 of 85% van 200). Omdat de vordering van de Belastingdienst dus met 30 naar beneden moet worden bijgesteld, stijgt het boedelactief met eenzelfde bedrag. Dit bedrag komt vervolgens weer in aanmerking komt voor uitdeling aan de crediteuren.5 Hierdoor groeit het uitdelingspercentage 15 naar 17,5 (210/1200).
Op het bedrag waarmee het boedelactief is vermeerderd (30) kan eenzelfde berekening worden losgelaten. Bij uitdeling van dit bedrag vindt wederom een gedeeltelijke voldoening van de btw plaats. Deze component bedraagt 5 (20% uit 30 ofwel (20/120)van 180). Bijgevolg wordt moet de vordering van de Belastingdienst met hetzelfde bedrag naar beneden worden bijgesteld.6 De omvang van de herzieningsverplichting had dus 165 moeten zijn, in plaats van het in tweede instantie beraamde bedrag van 170: een verschil van 5. Als gevolg hiervan stijgt het uitdelingspercentage naar ongeveer 17,9 (215/1200).
Et cetera.
Aldus draait de berekening van het uitkeringspercentage in een spiraal. Bovenstaande kan in het oneindige worden toegepast. Er is echter een algebraïsche grens. Het uiteindelijke uitdelingspercentage is steeds gelijk aan het boedelactief dat de schuldeisers aanvankelijk toekomt – zijnde de te gelde gemaakte activa minus de initiële herzieningsverplichting c.q. het btw-bestanddeel in de vorderingen – gedeeld door het totaal van de ter verificatie ingediende vorderingen exclusief btw (het netto-bedrag). Het uiteindelijke uitdelingspercentage zou in voornoemd voorbeeld dus neerkomen op 18 (180 / 1000). Daarmee kan de herzieningsverplichting ex art. 29 lid 7 Wet OB 1968 wordt vastgesteld op 164 (82% van 200).
Bovenstaand voorbeeld is sterk gestileerd. Zo kunnen of zullen niet alle schuldeisers hun vordering ter verificatie bij de curator indienen. Omdat op deze vorderingen geen uitkering zal plaatsvinden, hoeft bovenstaande berekening niet op deze vorderingen losgelaten te worden (er is immers sprake algehele niet-betaling). Daarnaast houdt het voorbeeld geen rekening met verschillende tarieven. De berekening dient voor het verlaagde tarief namelijk afzonderlijk gemaakt te worden.