Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.2.1:6.2.1 Art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017)
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.2.1
6.2.1 Art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017)
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS501514:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wet tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de wijziging van en de invoering van vereenvoudigingsmaatregelen in de Zesde Richtlijn, Stb. 1995, 298.
Kamerstukken II 1993/94, 23 667, nr. 3, p. 10 (MvT).
Kamerstukken II 1967/68, 9324, nr. 3, p. 38 (MvT).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De regeling voor onbetaalde schulden is op 1 januari 1969 bij de Wet OB 1968 ingevoerd. Art. 29 Wet OB 1968 luidde destijds:
(...)
De ondernemer die ingevolge artikel 15 belasting in aftrek heeft gebracht, wordt het afgetrokken bedrag naar evenredigheid als belasting verschuldigd op het tijdstip waarop en voor zover redelijkerwijs moet worden aangenomen dat hij de vergoeding waarop dat bedrag betrekking heeft, niet of niet geheel zal betalen dan wel heeft terugontvangen. De belasting wordt in ieder geval verschuldigd twee jaren na de opeisbaarheid van de vergoeding, voor zover deze op dat tijdstip nog niet is betaald. De verschuldigd geworden belasting wordt op de voet van artikel 14 voldaan.
(...).”
Later, bij wet van 9 maart 1995,1 werd aan lid 2 toegevoegd dat btw alleen verschuldigd kon worden, indien de ondernemer btw in aftrek had gebracht ‘ter zake van aan hem verrichte leveringen van goederen en diensten’.2Art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017) kwam daarop te luiden (cursivering door mij):
“De ondernemer die ingevolge artikel 15 belasting in aftrek heeft gebracht ter zake van aan hem verrichte leveringen van goederen en diensten, wordt het afgetrokken bedrag naar evenredigheid als belasting verschuldigd op het tijdstip waarop en voor zover redelijkerwijs moet worden aangenomen dat hij de vergoeding waarop dat bedrag betrekking heeft, niet of niet geheel zal betalen dan wel heeft terugontvangen. De belasting wordt in ieder geval verschuldigd twee jaren na de opeisbaarheid van de vergoeding, voor zover deze op dat tijdstip nog niet is betaald. De verschuldigd geworden belasting wordt op de voet van artikel 14 voldaan.”
De toelichting op art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017) is verder erg summier. In de oorspronkelijke memorie van toelichting heeft de wetgever er welgeteld drie zinnen aan gewijd.3 Deze gaven de tekst van de wet weinig kleur. Er werd enkel opgemerkt dat de bepaling de aftrek bij de afnemer beoogde te corrigeren wanneer op grond van het eerste lid aan de leverancier een teruggaaf werd verleend. Daarmee, en dit kan ook uit de bewoordingen en context van de regeling worden afgeleid, heeft de wetgever met het tweede lid een spiegelbeeldbepaling willen introduceren van het eerste lid.