Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.2.2.3
5.2.2.3 Verdere ontwikkeling
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972053:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam (OK) 12 december 2002, JOR 2003/60 (Ed Ros).
Hof Amsterdam (OK) 14 juli 2003, JOR 2003/253 (Wireless).
Zie Hof Amsterdam (OK) 20 april 2005, JOR 2005/180 (Call Active), r.o. 3.4 .
Zie Hof Amsterdam (OK) 25 juni 2005, JOR 2005/209 (Force Europe), r.o. 3.4; Hof Amsterdam (OK) 2 augustus 2005, ARO 2005/153 (Hasker Appelhof), r.o. 3.5; Hof Amsterdam (OK) 15 november 2005, JOR 2006/40 (Global Green), r.o. 3.4; en Hof Amsterdam (OK) 1 november 2006, ARO 2006/26 (Finoren), r.o. 3.4.
Zie Leijten 2006, p. 134-136.
Zie de noot van Schmieman bij Hof Amsterdam (OK) 28 februari 2007, JOR 2007/141 (Dialoc), onder 6.
Zie par. 2.3 hiervoor.
Zie ook par. 2.2 hiervoor, over het intrinsiek belang van de vennootschap bij het waarborgen van vertrouwelijkheid van informatie.
Zie Hof Amsterdam (OK) 28 februari 2007, JOR 2007/141 m.nt. E. Schmieman (Dialoc), r.o. 3.8.
De zorgplicht uit Zwagerman is nadien herhaaldelijk – veelal impliciet – teruggekomen in beschikkingen van de Ondernemingskamer. Het informatierecht van aandeelhouders buiten vergadering is daarin steeds meer op de voorgrond komen te staan. Vroege voorbeelden zijn de beschikkingen inzake Ed Ros1 en Wireless.2 Richtinggevend voor de rechtspraak uit deze periode was de Call Active-beschikking uit 2005. Daarin kwam de Ondernemingskamer tot een breed informatierecht buiten vergadering voor de niet in het bestuur vertegenwoordigde minderheidsaandeelhouders:
“Het gaat in deze zaak om de situatie dat sprake is van drie (indirecte) aandeelhouders/oprichters van wie er twee tevens feitelijke bestuurders van de vennootschap zijn. De Ondernemingskamer stelt voorop dat in een dergelijke situatie (het bestuur van) de vennootschap (Van Roekel en Roos) jegens de derde aandeelhouder/niet-bestuurder een bijzondere zorgplicht heeft in – met name – die zin dat openheid dient te worden betracht met betrekking tot al die gegevens waarop de derde aandeelhouder als zodanig geen recht heeft en dat het bestuur in het bijzonder dient te voorkomen dat een vermenging van belangen plaatsvindt.”3 (onderstr. PH)
De Ondernemingskamer kwam tot vergelijkbare overwegingen in haar beschikkingen inzake Force Europe, Hasker Appelhof, Global Green en Finoren.4 Daarmee leek een consistente lijn te ontstaan in de sterk casuïstische rechtspraak van de Ondernemingskamer.
Leijten en Schmieman zagen hierin de ontwikkeling van een vergaand informatierecht buiten vergadering op grond waarvan niet in het bestuur vertegenwoordigde minderheidsaandeelhouders volledige toegang zouden krijgen tot informatie van de vennootschap. Leijten achtte deze ontwikkeling onwenselijk:
“De reden voor de informatieplicht van de vennootschap wordt thans dus door de OK reeds gezien in de omstandigheid dat de meerderheidsaandeelhouder tevens bestuurder is. (…) Zonder de aanwezigheid van concrete tegenstrijdige belangen zie ik niet goed in waarom een minderheidsaandeelhouder recht zou hebben op al die gegevens waarop hij ‘als zodanig geen recht heeft’, alleen maar omdat zijn medeaandeelhouders wel in het bestuur vertegenwoordigd zijn.”5
Schmieman betoogde daarentegen dat, waar het gaat om vennootschappen met een klein aantal aandeelhouders en alle aandeelhouders op enigerlei wijze nauw bij de vennootschap betrokken zijn, het geen groot verschil maakt wie er bestuurder is en wie aandeelhouder en allen over evenveel informatie zouden moeten kunnen beschikken.6 Daarmee zou deze ontwikkeling volgens hem zijn gerechtvaardigd. Deze benadering van Schmieman past bij de door mij eerdergenoemde uitwerking van de functiescheiding, die veelal zwakker zal zijn in meer besloten samenwerkingsverbanden.7 Niettemin deel ik de door Leijten geuite zorgen. Het enkele gegeven dat de meerderheidsaandeelhouder in het bestuur is vertegenwoordigd, maar de minderheidsaandeelhouder niet, rechtvaardigt op zichzelf genomen nog geen toegang tot informatie, laat staan dat de informatieasymmetrie in dergelijke gevallen volledig zou moeten worden gecompenseerd. Dit zou een onevenredige beperking vormen op de Geheimpshäre van de vennootschap.8 Om dat te kunnen rechtvaardigen, zijn bijkomende omstandigheden nodig.
Overigens lijkt de Ondernemingskamer met de brede formulering van haar overwegingen niet te hebben bedoeld een dergelijk vergaand informatierecht buiten vergadering te introduceren. Uit de context van de betreffende uitspraken maak ik op dat de Ondernemingskamer slechts heeft bedoeld een zorgplicht aan te nemen die noopt tot informatieverstrekking ter zake van bepaalde bijzondere omstandigheden, waaronder een tegenstrijdig belang. In de hiervoor genoemde uitspraken was steeds sprake van concrete transacties waarbij (het risico op) belangenverstrengeling speelde. Daarbij werd het verwijt gemaakt dat onvoldoende openheid was betracht ter zake van die litigieuze transacties. De overwegingen van de Ondernemingskamer moeten in die context worden gelezen. Een breder informatierecht zou hier niet uit (hoeven te) volgen.
In lijn hiermee verduidelijkte de Ondernemingskamer haar koers in de beschikking inzake Dialoc, waarin zij als volgt overwoog:
“De Ondernemingskamer stelt voorop dat (het bestuur van) een vennootschap tegenover haar minderheidsaandeelhouder(s) een bijzondere zorgvuldigheid in acht dient te nemen en deze(n) in ruime mate en op controleerbare wijze inzicht dient te verschaffen indien transacties worden aangegaan waarvan op voorhand niet zonder meer duidelijk is dat zij in het belang van de vennootschap zijn onderscheidenlijk die onder op het eerste gezicht niet voor de hand liggende voorwaarden worden aangegaan of tot voor de vennootschap nadelige gevolgen hebben geleid dan wel het risico van belangenvermenging in zich bergen.”9
De Ondernemingskamer expliciteerde hiermee dat inzicht diende te worden verschaft indien zich bepaalde bijzondere omstandigheden voordoen. Het gegeven dat een minderheidsaandeelhouder niet in het bestuur is vertegenwoordigd, is op zichzelf genomen nog niet voldoende om een uitzondering te rechtvaardigen op het uitgangspunt dat aandeelhouders buiten de aandeelhoudersvergadering geen toegang hebben tot informatie van de vennootschap.