Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/3.4.1.3
3.4.1.3 Het verbod in SEP-zaken
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955559:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een voorbeeld is het European Telecommunications Standards Institute (ETSI): www.etsi.org.
Zie Blind e.a. 2011.
De Lange, BIE 2016, afl. 5-6, p. 125; De Koning, Computerrecht 2012/74, afl. 3, p. 183-184.
HvJ EG 29 februari 1968, C-24/67, ECLI:EU:C:1968:11 (Parke, Davis & Co/Probel).
HvJ EG 5 oktober 1988, C-53/87, ECLI:EU:C:1988:472 (CICRA/Renault); HvJ EG 5 oktober 1988, C-238/87, ECLI:EU:C:1988:477 (Volvo/Veng), rov. 8.
HvJ EG 6 april 1995, C-241/91P en C-242/91P, ECLI:EU:C:1995:98 (Magill), rov. 54-56; HvJ EG 29 april 2004, C-418/01, EU:C:2004:257 (IMS Health), rov. 34-38. Zie ook: Van Loon 2008; Venit 2007, p. 609-632.
Beslissing Commissie van 29 april 2014, AT.39985 (Motorola) en AT.39939 (Samsung). Zie ook: Beslissing Commissie 13 februari 2012, Comp/M.6381 (Google/Motorola Mobility), pt. 126.
Zie voor een schematisch overzicht Van Ginneken & Béquet, M&M 2015, afl. 4, p. 158.
HvJ EU 16 juli 2016, C-170/13, ECLI:EU:C:2015:477 (Huawei/ZTE), rov. 61-68.
Aldus ook: Rb. Den Haag 17 maart 2010, IEPT 20100317; IEF 8682 (Philips/SK Kassetten); Rb. Den Haag (vzr.) 14 oktober 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BT7610, IER 2012/10, m.nt. F.W.E. Eijsvogels (Samsung/Apple), rov. 4.18-4.19. Zie ook Apple Inc v Motorola Inc, 757 F.3d 1286, 1331 (Fed. Cir. 2014) (“To the extent that the district court applied a per se rule that injunctions are unavailable for SEPs, it erred”). In de VS zijn echter geen zaken bekend waarin een verbod is opgelegd aan een bereidwillige SEP-gebruiker; zie Picht & Contreras, GRUR Int. 2023, afl. 5, p. 437.
Zie o.m. AIPPI 2001, par. 3.2 en 4; A. Tsoutsanis, annotatie bij: Rb. Den Haag (vzr.) 10 maart 2011, KG ZA 11-269 (Sony/LG), BIE 2012/1, p. 27. Datzelfde geldt indien de SEP-houder geen FRAND-verklaring heeft afgelegd, maar wel betrokken is geweest bij het opstellen van de standaard; zie De Lange, BIE 2016, afl. 5-6, p. 128.
Vgl. HR 18 juni 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4405, NJ 1983/723 (Plas/Valburg); HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7337, NJ 2005/467 (CBB/JPO).
Zie OLG Karlsruhe 30 oktober 2019, 6 U 183/16 (Philips/Wiko), rn. 125; Unwired Planet International Ltd v Huawei Technologies Co. Ltd & Anor [2018] EWCA (Civ) 2344, para. 272. Vgl. Rb. Den Haag (vzr.) 10 maart 2011, KG ZA 11-269, BIE 2012/1, m.nt. A. Tsoutsanis (Sony/LG), rov. 4.21.
Vgl. Rb. Den Haag 18 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:8777 (Nikon/ASML), rov. 4.58: “Daartoe is vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken”. Opmerking verdient dat het hier niet om een SEP-zaak ging.
Aldus HvJ EU 16 juli 2016, C-170/13, ECLI:EU:C:2015:477 (Huawei/ZTE), waarin het Hof in rov. 53 overweegt dat ‘‘een verbintenis om licenties te verlenen onder FRAND-voorwaarden bij derden legitieme verwachtingen wekt dat de houder van het SEO hun daadwerkelijk licenties onder die voorwaarden verleent’’.
Institute of Electrical and Electronics Engineers, IEEE-Sa Standards Board Bylaws §6.2 onder a en b (via https://standards.ieee.org/about/policies/bylaws/sect6-7/). Zie ook Contreras, Wash. L. Rev. 2018, afl. 2, p. 748.
Rb. Den Haag (vzr.) 10 maart 2011, KG ZA 11-269, BIE 2012/1, m.nt. A. Tsoutsanis (Sony/LG), rov. 4.10.
Rb. Den Haag 18 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:8777 (Nikon/ASML), rov. 4.85.
Rb. Den Haag 25 april 2007, IEPT 20070425; IEF 3891 (Philips/LG). Zie ook Beschikking Commissie 9 december 2009, AT.38636 (Rambus).
Aldus ook: Unwired Planet International Ltd v Huawei Technologies Co. Ltd & Anor [2017] EWHC 711 (Pat) [807].
In gelijke zin: Hof Den Haag 2 juli 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3613 (Philips/Wiko), rov. 4.21: “Een ander oordeel zou ertoe leiden dat de SEP-gebruiker geen enkel belang meer zou hebben bij het volgen van het stappenplan uit het Huawei/ZTE arrest, hetgeen de deur zou openzetten naar vertragingstactieken aan de zijde van een SEP-gebruiker, wat moet worden voorkomen, zoals het HvJ EU heeft overwogen (rov. 65)”. Zie ook OLG Karlsruhe 30 oktober 2019, 6 U 183/16 (Philips/Wiko), rov. 126-127.
Unwired Planet International Ltd v Huawei Technologies Co. Ltd & Anor [2017] EWHC 711 (Pat) [744].
COM (92) 445, par. 4.3.3.
COM (92) 445, par. 4.3.7.
Wanneer het octrooi bijvoorbeeld een beperkte bijdrage levert aan de standaard, kan een lage of eenmalige vergoeding doorgaans voldoende zijn; zie Drok & Siebelink, BIE 2021, afl. 2, p. 75-76.
De Lange, BIE 2016, afl. 5-6, p. 130.
Hof Den Haag 17 maart 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:711 (Sisvel/Xiaomi), rov. 4.3. Hierbij dient de nuancering te worden gemaakt dat het om een kort geding gaat en dat de voorafgaande zekerheidsstelling door Xiaomi eveneens lijkt te hebben bijgedragen aan dit oordeel (rov. 4.4-4.6).
Aldus ook: Boelens, IER 2022/13, afl. 2, nr. 15.
Men zou zelfs kunnen zeggen dat het risico op misbruik kleiner is, omdat de SEP-houder een FRAND-verklaring heeft afgegeven en daardoor geen excessieve vergoedingen kan eisen; Unwired Planet International Ltd v Huawei Technologies [2020] UKSC 37 [164].
Unwired Planet International Ltd v Huawei Technologies Co. Ltd & Anor [2017] EWHC 711 (Pat) [562]: “The logic of the FRAND undertaking applied in the context of patent rights is that the remedy of an injunction to restrain infringement, granted in respect of a patent found valid and infringed/essential, should present the licensee with a simple choice either to take a FRAND licence or stop dealing in the products”.
Geradin & Rato, Eur. Compet. J. 2007, afl. 1, p. 119; Chien, MLTR 2014, afl. 1, p. 1-41; Heiden & Petit, HTLJ 2018, afl. 2, p. 179-249; Llobet & Padilla, J. Econ. Manag. Strategy 2022, afl. 2, p. 424-449. Zie echter ook: Dolmans, Fordham Int. Law. J. 2002, afl. 1, p. 205; Lemley & Shapiro, Tex. L. Rev. 2007, p. 1991-2049; Marsden, Eur. Compet. J. 2022, afl. 3, p. 462.
Zie ook Unwired Planet v Huawei [2020] UKSC 37, para 164-165.
HvJ EU 16 juli 2016, C-170/13, ECLI:EU:C:2015:477 (Huawei/ZTE), rov. 67.
De Lange, BIE 2016, afl. 5-6, p. 127; Boelens, IER 2022/13, afl. 2, nr. 11-12.
Zie o.m. Geerts & Verschuur 2022, nr. 135.
Zie bijv. Hof Den Haag 17 maart 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:711 (Sisvel/Xiaomi), rov. 4.3: “Bovendien is Xiaomi tegemoet gekomen aan de belangen van Sisvel door het stellen van zekerheid voor de betaling van de licentievergoedingen voor het gebruik van de octrooien van Sisvel in Nederland”. Aantekening verdient dat de voorzieningenrechter in deze zaak geen uitspraak deed over de vraag of de gestelde zekerheid ‘passend’ was (rov. 4.5-4.6).
Körber, CML Rev. 2016, afl. 4, p. 1118.
Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de concurrerende technologieën Blu-Ray en HD-DVD.
Beslissing Commissie 29 april 2014, AT.39939 (Samsung), pt. 46. In gelijke zin: concl. A-G H.M.J.F.C. Wathelet, ECLI:EU:C:2014:2391, bij HvJ EU 16 juli 2016, C-170/13, ECLI:EU:C:2015:477 (Huawei/ZTE), pt. 57.
Beslissing Commissie 29 april 2014, AT.39985 (Motorola), pt. 226.
Zie De Lange, BIE 2016, afl. 5-6, p. 128: “Bovendien kan ook de vraag worden gesteld of het geval dat verschillende marktspelers gezamenlijk een standaard opstellen, niet al door art. 101 VWEU worden bestreken en partijen slechts buiten het kartelverbod vallen indien zij ervoor zorgen dat de standaard open is en voor iedereen toegankelijk. Ik kan mij daarom voorstellen dat ook SEP-houders zonder machtspositie niet zonder meer hun octrooien kunnen handhaven”.
Dat kan anders zijn wanneer de SEP-houder het bestaan van een octrooi in de voorfase van het standaardisatieproces heeft verzwegen en vervolgens een verbod vordert (patent ambush); zie Beschikking Commissie 9 december 2009 (Rambus).
Contreras, J. Compet. Law Econ. 2016, afl. 3 p. 507-539.
Hierdoor zijn ook niet-deelnemende SEP-houders die zelf gestandaardiseerde producten fabricerengebonden aan FRAND-verplichtingen; zie Contreras, J. Compet. Law Econ. 2016, afl. 3, p. 508.
Zie par. 3.4.4 en 5.2.2. Zie ook ov. 12: “De bepalingen van deze richtlijn mogen niet worden gebruikt voor onrechtmatige, met het Verdrag strijdige concurrentiebeperking”.
Picht & Contreras, GRUR Int. 2023, afl. 5, p. 437; Cotter 2013, p. 106.
Dat de SEP-houder niet betrokken is geweest, kan vermoedelijk wel meewegen bij de vaststelling van de hoogte van een eventuele schadevergoeding (die zal vermoedelijk hoger uitvallen als de SEP-houder niet gebonden is aan FRAND-verplichtingen); zie De Lange, BIE 2016, afl. 5-6, p. 129.
Concl. A-G G.R.B. van Peursem, ECLI:NL:PHR:2021:669, bij HR 25 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:294 (Philips/Wiko), pt. 3.54.
OLG Karlsruhe 30 oktober 2019, 6 U 183/16 (Philips/Wiko), rov. 117.
Herrmann, J. Eur. Compet. Law Pract. 2018, afl. 9, p. 588.
In gelijke zin: Picht & Contreras, GRUR Int. 2023, afl. 5, p. 436 en 441. Anders: Kühnen 2023, rn. D 529; Schacht, GRUR 2021, afl. 3, p. 440 en 445 (ten aanzien van een aanvullend beroep op de evenredigheidstoets uit §139 PatG).
Par. 6.3.3.1 Zie ook: Osterrieth, GRUR 2022, afl. 5, p. 299.
Zie par. 6.4.2.2. Zie ook Picht & Contreras, GRUR Int. 2023, afl. 5, p. 441.
Een bijzonder geval doet zich voor wanneer de rechthebbende zich beroept op een octrooi dat onderdeel uitmaakt van een industriële standaard zoals LTE-WiFi en Blu-Ray. Zulke standaarden zijn van cruciaal belang voor de industrie doordat zij interoperabiliteit en compatibiliteit tussen onderling gerelateerde producten mogelijk maken. Het vaststellen van een standaard geschiedt gewoonlijk door marktdeelnemers in onderlinge samenwerking en onder auspiciën van een daartoe aangewezen organisatie (Standard Development Organisation; ‘SDO’).1 Een octrooi dat onder de industriële standaard valt, wordt ook wel aangeduid als een standaard-essentieel octrooi (standard-essential patent; ‘SEP’). Het is in principe niet mogelijk om gebruik te maken van de standaard zonder gebruik te maken van een SEP. De SEP-houder bevindt zich dus in een bijzonder sterke positie ten opzichte van potentiële gebruikers: door een verbod te vorderen, kan hij immers anderen het gebruik van de standaard en daarmee de toetreding tot de markt belemmeren.2 Om mededingingsautoriteiten op afstand te houden, eisen SDO's doorgaans dat alle deelnemers aan het standaardontwikkelingsproces in een publieke verklaring toezeggen dat zij aan zowel deelnemende partijen als derden onder eerlijke, redelijke en niet-discriminerende (fair, reasonable and non-discriminatory, hierna: FRAND) voorwaarden een licentie zullen verlenen voor het gebruik van hun SEP’s.3
Het hierboven geschetste systeem beoogt een evenwicht te bewerkstelligen tussen het voorkomen van schadelijke effecten van een technologiekartel en het verzekeren van een redelijke vergoeding voor de octrooihouder voor het gebruik van zijn technologie.4 In de praktijk ontstaan er echter geregeld geschillen tussen partijen over (onder meer) de hoogte van de FRAND-vergoeding en de opstelling van partijen tijdens de licentieonderhandelingen. De vraag rijst dan onder welke omstandigheden de SEP-houder zijn octrooi kan handhaven.
(i) Licentiëring en handhaving van SEP’s in het licht van artikel 102 VWEU
Denkbaar is dat het instellen van een verbodsvordering door een SEP-houder strijdig is met het verbod op misbruik van machtspositie (art. 102 VWEU). Voor een dergelijk oordeel bestaat echter slechts in uitzonderlijke omstandigheden ruimte.5 Het Hof van Justitie heeft herhaaldelijk geoordeeld dat de essentie van een exclusief recht is dat de houder ervan zelf kan bepalen of en op welke wijze hij het recht wil exploiteren.6 Van misbruik is slechts sprake als een licentieweigering in de weg staat aan de introductie van een nieuw product waarnaar van de zijde van de consumenten een potentiële vraag bestaat, er voor de weigering geen rechtvaardiging bestaat en hierdoor elke mededinging op een afgeleide markt wordt uitgesloten.7
De toepassing van de hierboven beschreven criteria op SEP-zaken leidde zowel op nationaal als internationaal niveau tot verschillende uitkomsten.8 Enige helderheid werd uiteindelijk verschaft door de Europese Commissie, die in een aantal zaken overwoog dat een SEP-houder die een FRAND-verklaring heeft afgegeven misbruik van machtspositie maakt als hij een verbod vordert terwijl de SEP-gebruiker zich bereid heeft getoond tegen FRAND-voorwaarden een licentie af te nemen.9 Het Hof van Justitie heeft in Huawei/ZTE vervolgens aan de hand van een stappenplan verduidelijkt hoe partijen invulling moeten geven aan de op hen rustende FRAND-verplichtingen.10 Allereerst dient de SEP-houder de SEP-gebruiker in kennis te stellen van de inbreuk die hem wordt verweten met vermelding van het betrokken octrooi en met precisering van wijze waarop daarop inbreuk is gemaakt. Daarop moet de SEP-gebruiker kenbaar maken dat hij bereid is een licentieovereenkomst te sluiten onder FRAND-voorwaarden. De SEP-houder dient hem vervolgens een concreet en schriftelijk aanbod te doen van een licentie onder FRAND-voorwaarden en daarbij met name de royalty en de wijze van berekening ervan nader aan te geven. De SEP-gebruiker moet op zijn beurt met bekwame spoed overeenkomstig de handelsgebruiken en te goeder trouw gevolg geven aan dit aanbod. Of dit het geval is, dient te worden uitgemaakt aan de hand van objectieve elementen, wat met name inhoudt dat er geen sprake is van vertragingstactieken.
Als de SEP-gebruiker het aanbod van de SEP-houder niet aanvaardt, moet hij op korte termijn een schriftelijk tegenvoorstel doen dat aan FRAND-voorwaarden voldoet. Heeft hij al producten op de markt gebracht waarbij van een SEP gebruik wordt gemaakt, dan dient hij vanaf het moment van afwijzing van zijn tegenaanbod tevens een passende zekerheid te stellen overeenkomstig de handelsgebruiken ter zake, bijvoorbeeld door een bankgarantie te verstrekken of het nodige geld in bewaring te geven. De berekening van de zekerheid moet met name het aantal verrichte exploitatiehandelingen omvatten en de vermeende inbreukmaker moet daarvan een overzicht kunnen geven. Als geen overeenstemming wordt bereikt over de details van de FRAND-voorwaarden, kunnen partijen in onderling overleg het bepalen van de royalty overlaten aan een onafhankelijke derde.11
(ii) De FRAND-verklaring en het recht op een verbod
Het Hof van Justitie overwoog in Huawei dat uit het feit dat de SEP-houder heeft verklaard om tegen redelijke voorwaarden een licentie te verlenen aan iedere welwillende partij niet volgt dat hij tevens zijn aanspraak op een verbod heeft willen prijsgeven.12 Als uitgangspunt geldt dus dat een SEP-houder die een FRAND-verklaring heeft afgegeven primair verplicht is om te goeder trouw licentieonderhandelingen te voeren.13 De verwijzing naar de goede trouw impliceert dat de SEP-houder zijn gedrag mede moet laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de SEP-gebruiker.14 Bij die verplichting past niet dat de SEP-houder buitensporige druk uitoefent door voorafgaand of tijdens de onderhandelingen een verbod te vorderen.15 Voor een verbod bestaat evenmin ruimte als de SEP-houder bij de SEP-gebruiker het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt geen verbod te zullen vorderen.16 De inhoud van een FRAND-verklaring kan een rol spelen bij deze beoordeling.17 Zo kan in de relevante beleidsregels van de SDO uitdrukkelijk zijn bepaald dat de SEP-houder geen verbod zal vorderen zolang de licentiehouder bereid is te goeder trouw te onderhandelen over een licentievergoeding.18 Daarnaast kan in de beleidsregels van de SDO zijn opgenomen dat partijen eventuele geschillen over de vraag of een aanbod als FRAND kan worden aangemerkt eerst moeten voorleggen aan een arbiter.19 Ten slotte kan de rechter het verbod afwijzen als de positie van de SEP-gebruiker door het gedrag van de SEP-houder onredelijk zou worden benadeeld.20 Een dergelijke situatie doet zich onder meer voor als de SEP-houder betrokken is geweest bij het opstellen van de relevante standaard, maar bij de vaststelling ervan geen melding heeft gedaan van zijn octrooien en vervolgens een verbod vordert (patent ambush).21
Als vaststaat dat de SEP-houder zich heeft gehouden aan FRAND-verplichtingen, rijst de vraag of de SEP-gebruiker zich een willing licensee heeft getoond. Als dit niet het geval is, zal in de regel een verbod (moeten) volgen.22 Belangrijk is dat de SEP-gebruiker zich tijdig bereidwillig toont om in onderhandeling te treden met de SEP-houder. Als hij pas een tegenvoorstel doet nadat tegen hem een procedure aanhangig is gemaakt, kan dat voor de rechter een reden zijn om het verbod toe te wijzen.23 Het zal echter steeds van de concrete situatie afhangen of de vertraging het gevolg is van strategisch gedrag aan de zijde van de SEP-gebruiker of dat zij wordt veroorzaakt door bijzondere omstandigheden.
(iii) Kwalificatie van het FRAND-aanbod en het recht op een verbod
Men kan zich afvragen of voor toewijzing van een verbod is vereist dat het licentieaanbod van de SEP-houder onomstotelijk kan worden aangemerkt als fair, reasonable and non-discriminatory. In het Engelse arrest Unwired Planet beantwoordde Birss J deze vraag in ontkennende zin:
“In stating that the implementer and patentee must express a willingness to conclude a licence on FRAND terms, the CJEU is referring to a willingness in general terms. The fact that concrete proposals are also required does not mean it is relevant to ask if those proposals are actually FRAND or not.”24
Deze benadering vormt in mijn ogen een wenselijk vertrekpunt. Het past namelijk niet bij een maatstaf zoals de goede trouw dat van partijen perfectie wordt verwacht ten aanzien van de waardering van een aanbod als FRAND. Waar het om gaat, is dat beide partijen oprecht geïnteresseerd zijn in het overeenkomen van een licentie en zich daartoe gezamenlijk inspannen.25 Ondertussen kunnen er natuurlijk eenvoudig geschillen ontstaan over de waardering van een licentieaanbod. Dit geldt temeer nu deze waardering – zo is althans de opvatting van de Commissie – mede wordt bepaald door de wijze waarop de onderhandelingen zijn verlopen26 en de ruimere licentiemogelijkheden die de SEP-houder ten deel vallen omdat het octrooi in de standaard is opgenomen.27 Afhankelijk van het relatieve belang van het octrooi voor de standaard kan de hoogte van een ‘eerlijk en redelijk’ aanbod bovendien variëren van aanzienlijk tot nihil.28 Gelet op deze context is het in mijn ogen redelijk om de betrokken partijen een ruime bandbreedte te gunnen bij de berekening van een FRAND-vergoeding.29
De vraag resteert welke gevolgen onenigheid over de FRAND-vergoeding heeft voor de toewijsbaarheid van een verbod. Zo wees het gerechtshof Den Haag in het kortgedingarrest Sisvel/Xiaomi het gevorderde verbod af, daarbij overwegend dat de eventuele schade aan de zijde van de SEP-houder primair bestond uit gederfde licentievergoedingen en daarmee gegenereerde winsten. Dit belang kon naar het oordeel van het hof bovendien relatief eenvoudig achteraf worden begroot en hersteld.30 Tegen deze onderbouwing zijn een aantal bezwaren in te brengen. In de eerste plaats volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie dat het handhavingsbelang van de licentiegever op één lijn kan worden geplaatst met het belang van de rechthebbende die zijn eigen marktpositie verdedigt.31 Het belang van de SEP-houder verschilt op dit punt niet wezenlijk van het belang van een reguliere licentiegever.32 In de tweede plaats is de mogelijkheid van een verbod essentieel voor het functioneren van het onderhandelingsproces dat is uitgestippeld in Huawei/ZTE.33 Als bij voortgezet gebruik zonder toestemming niet in beginsel een verbod zou volgen, dan kan dit strategisch gedrag (hold-out) aan de zijde van de SEP-gebruiker in de hand werken. De SEP-gebruiker kan er in zulke gevallen eenvoudigweg voor kiezen gebruik te (blijven) maken van een uitvinding, met in het slechtste scenario een latere veroordeling tot betaling van een schadevergoeding.34
Volgen beide partijen het stappenplan uit Huawei/ZTE, dan is de situatie betrekkelijk overzichtelijk: de SEP-gebruiker dient te beslissen of hij het FRAND-aanbod wil aanvaarden of verwerpen, waarbij hij in het laatste geval geen gebruik kan maken van de standaard en de SEP-houder zo nodig een verbod kan vorderen.35 Een uitzondering op dit beslissingsschema is mogelijk als de SEP-gebruiker een passende zekerheid heeft gesteld voor de betaling van licentievergoedingen.36 Uit de rechtspraak lijkt te volgen dat de SEP-gebruiker de zekerheid kan berekenen conform door de SEP-houder geëiste licentievergoedingen voor de gehele levensduur van het octrooi.37 Potentieel wordt de SEP-houder hiermee volledig gecompenseerd voor de verschuiving van het incassorisico en de verzwakking van zijn onderhandelingspositie. In de praktijk worden licentievergoedingen echter vaak onderhandeld op basis van portefeuilles bestaande uit verschillende octrooifamilies, die bovendien in meerdere landen worden verleend.38 Gelet op deze context is twijfelachtig of een zekerheidsstelling gebaseerd op een afzonderlijk octrooi (of op een gehele portefeuille in één land)39 toereikend is. De SEP-houder wordt dan immers slechts gedeeltelijk gecompenseerd voor de verschuiving van het incassorisico, terwijl zijn onderhandelingspositie ten aanzien van de gehele portefeuille in meerdere landen tegelijk aan kracht inboet.
(iv) Niet-dominante en niet-deelnemende SEP-houders
Niet-dominante SEP-houders. Het feit dat de hierboven aangehaalde regels zijn gegrond op art. 102 VWEU, roept de vraag op in hoeverre een SEP-houder die geen economische machtspositie heeft onverkort een verbod kan vorderen. Het is niet geheel duidelijk of zulke situaties zich vaak voordoen (of zullen doen). Zo is in de literatuur betoogd dat een SEP-houder per definitie een machtspositie heeft, omdat hij in staat is om (potentiële) concurrenten de toegang tot de downstream productmarkt te ontzeggen.40 Tegen die opvatting kan echter worden ingebracht dat er voor bepaalde standaarden alternatieven voorhanden zijn.41 Daarnaast blijken marktpartijen in de praktijk zonder licentie producten op de markt te brengen en kan de SEP-houder meestal slechts door tussenkomst van de rechter een verbod afdwingen. Er is dan ook meer te zeggen voor de opvatting van de Commissie dat het bestaan van een machtspositie moet worden vastgesteld aan de hand van alle relevante omstandigheden.42 Bij deze beoordeling dient in het bijzonder rekening te worden gehouden met, ten eerste, de onmisbaarheid van de standaard waarop het SEP betrekking heeft voor fabrikanten van producten die voldoen aan de standaard, en ten tweede, de industriële afhankelijkheid (lock-in) van die standaard.43
De discussie over het bestaan van een machtspositie daargelaten, lijkt verdedigbaar dat ook een niet-dominante SEP-houder zijn recht niet onverkort kan handhaven.44 Uit het feit dat de SEP-houder een FRAND-verklaring heeft gedaan volgt immers dat hij verplicht is om te goeder trouw onderhandelingen te voeren met partijen die een licentie willen verkrijgen. Het lijkt niet bezwaarlijk om voor de invulling van deze verplichting aansluiting te zoeken bij het stappenplan dat door het Hof van Justitie is uitgezet in Huawei/ZTE.
Niet-deelnemende SEP-houders. Een ander probleem rijst op het moment dat de SEP-houder geen FRAND-verklaring heeft afgegeven en evenmin betrokken is geweest bij het standaardisatieproces. Het beginsel van contractsvrijheid brengt mee dat in zulke gevallen geen bijzondere verplichtingen op zijn schouders rusten.45 Een SDO kan immers alleen voorwaarden opleggen aan deelnemende partijen; zij heeft niet de bevoegdheid om organisaties te binden die niet vrijwillig zijn toegetreden.46
Het belang van niet-deelnemende SEP-houders wordt geïllustreerd door de Amerikaanse zaak Rembrandt Wireless Technologies. Rembrandt, een bekende PAE, beriep zich tegenover Samsung op twee octrooien die betrekking hadden op technologie die bijdroeg aan het functioneren van de Bluetooth-standaard. De deelnemende partijen hadden zich in de voorwaarden van de betrokken SDO – de Bluetooth Special Interest Group (SIG) – verbonden om zonder vergoeding licentie te verlenen voor het gebruik van hun SEP’s. Rembrandt was echter niet betrokken bij het opstellen van deze voorwaarden en kreeg (mede daarom) uiteindelijk een schadevergoeding toegewezen van maar liefst $15,7 miljoen.47
De aanwezigheid van niet-deelnemende SEP-houders kan nadelige gevolgen hebben voor de vrije mededinging. Zulke entiteiten kunnen immers het gebruik van een gehele standaard beletten zonder dat zij gebonden zijn aan FRAND-verplichtingen. De aanwezigheid van ‘buitenstaanders’ lijkt vooralsnog echter tot minder problemen te leiden dan men op het eerste gezicht zou denken. Zo zijn grote producenten vaak deelnemer aan een SDO en kunnen de voorwaarden voor het gebruik van de standaard bepalingen bevatten over wederkerig gebruik van SEP’s onder FRAND-voorwaarden.48 Daarnaast kan de rechter waar nodig terugvallen op de waarborgen uit de Handhavingsrichtlijn om buitensporige rechtshandhaving het hoofd te bieden.49 Zo kan hij bij de beslissing over de toewijsbaarheid van het verbod rekening houden met de omstandigheid dat de SEP-gebruiker een zwaarwegend belang heeft bij toegang tot de beschermde technologie (bijvoorbeeld omdat deze cruciaal is voor het functioneren van de standaard).50 Dit belang verliest niet aan gewicht als de SEP-houder niet betrokken is geweest bij de totstandkoming van de relevante standaard.51
(v) De ruimte voor nadere correcties op de rechtsuitoefening
Tot slot rijst de vraag of de rechter behoudens de bovengenoemde situaties grenzen kan en mag stellen aan een verbod in SEP-zaken. Het aanvaarden van zulke beperkingen is in mijn ogen niet op voorhand in strijd met het Huawei-arrest. Hoewel het Hof in die uitspraak een duidelijk stappenplan heeft gegeven voor het aangaan en voeren van onderhandelingen, blijkt daaruit nog niet hoe de rechter moet omgaan met afwijkingen van of variaties op dat schema.52 Afhankelijk van de concrete omstandigheden kan het redelijk zijn om partijen tijdens een lopende inbreukprocedure in de gelegenheid te stellen tekortkomingen in de naleving van het Huawei-arrest te herstellen.53 Bovendien bevat het arrest geen aanwijzingen over de concretisering van het verbod en de modaliteiten waaronder het kan worden toegewezen.54 Hierbij is van belang dat de rechter bij de uitvaardiging van een verbod binnen de grenzen van het evenredigheidsbeginsel moet blijven. Er is geen reden om aan te nemen dat dit beginsel niet van toepassing zou zijn op SEP-zaken.55 Toetsing aan het evenredigheidsbeginsel kan onder meer tot gevolg hebben dat de rechter een aangepast verbod toewijst, bijvoorbeeld door een termijn vast te stellen waarbinnen de SEP-gebruiker de gelegenheid krijgt over te stappen op een alternatief.56 Dit kan onder meer op zijn plaats zijn als derden die zich buiten de productie- en distributieketen bevinden onevenredig in hun belangen zouden worden geraakt als de rechter een verbod zou opleggen aan de SEP-gebruiker.57