Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/2.3.1.1
2.3.1.1 Bewijs en bewijzen
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Op de daarmee gepaard gaande processen van falsificatie en verificatie wordt in § 2.3.4 nader ingegaan.
Dit wordt in de Anglo-Amerikaanse doctrine aangeduid met de term fact-finding. Ho omschrijft dit als volgt: ‘Fact-finding refers to the fact of (i) aiming at and (ii) giving answers to (iii) questions of fact.’ (Ho 2008, p. 1). Zie over de feiten § 2.3.1.2.
De bewering die moet worden bewezen, wordt door sommige auteurs wel aangeduid als het probandum.
Zie voor een uitvoerigere ontrafeling van de uiteenlopende wijzen waarop de termen bewijs en bewijzen worden gebruikt het proefschrift van Nijboer (1982), p. 6-8.
Nijboer 2011, § 1.
Nijboer 1982, p. 6-8. In de Anglo-Amerikaanse bewijstheoretische literatuur wordt in dit verband ook wel gesproken van evidential data. Zie bijv. Anderson, Schum & Twining 2005, p. 382.
Bex 2009, p. 13.
In de Anglo-Amerikaanse literatuur komt men veel andere definities tegen. Anderson en collega’s omschrijven evidence als ‘any facts considered by the tribunal as data to persuade them to reach a reasoned belief on a probandum’ (Anderson, Schum & Twining 2005, p. 382). Bex definieert evidence in zijn proefschrift als volgt: ‘the available body of information indicating whether a belief in some proposition is justified’ (Bex 2009, p. 12).
In Black’s law dictionary wordt proof geduid als ‘the logically sufficient reason for assenting a proposition advanced’ (Black’s law dictionary 1990, p. 1215). Wigmore omschreef proof als ‘the persuasive operation of the total mass of evidentiary facts as to a probandum’. Zie Anderson, Schum & Twining 2005, p. 385.
Zie over het onderscheid tussen proof en evidence uitvoeriger Black’s law dictionary 1990, p. 1215. Daarin wordt het onderscheid als volgt toegelicht: ‘Proof is the result or effect of evidence, while evidence is the medium or means by which a fact is proved or disproved, but the words ‘proof’ and ‘evidence’ may be used interchangeably. Proof is the perfection of evidence; for without evidence there is no proof, although there may be evidence which does not amount in proof.’ Uit dit citaat komt naar voren dat de begrippen evidence en proof onder omstandigheden uitwisselbaar zijn. Of evidence ook proof oplevert, is afhankelijk van de kracht van het materiaal en de te bewijzen propositie. Een voorbeeld is het aantreffen van een vingerafdruk van een verdachte na een inbraak. Het aantreffen van een vingerafdruk van de verdachte op een raamkozijn kan wel worden geduid als evidence voor de propositie dat de verdachte de inbraak heeft gepleegd, het levert echter nog geen proof op. Echter, het aantreffen van de vingerafdruk levert wel proof op van de propositie dat de verdachte daar is geweest. De redeneerstap die hierbij moet worden gemaakt is dat de verdachte het raamkozijn moet hebben aangeraakt en om dat te kunnen doen moet hij aanwezig zijn geweest (ervan uitgaande dat het raamkozijn niet net is geplaatst).
De begrippen bewijs en bewijzen worden in veel verschillende betekenissen gebruikt. Onder het werkwoord bewijzen wordt in algemene zin wel verstaan het aantonen of toetsen van de juistheid van een bewering of stelling.1 Voor wat betreft de activiteit van het bewijzen refereert men in het strafproces meestal aan de rechter (of jury), omdat hij met de bewijsbeslissing is belast. In het juridisch jargon spreekt men in dit verband wel over ‘het vaststellen van de feiten’.2 In het civiele proces ligt de bewijslast bij partijen en ligt het accent op het aantonen van de juistheid van de stelling door de procespartijen. In het strafproces, waar men geen bewijslast kent, refereert men bij de activiteit van het bewijzen vooral aan de rechter (of de jury). Het accent ligt dan op het toetsen van de juistheid van de bewering(en) of stelling neergelegd in de tenlastelegging of de beschuldiging.3 De rechter moet vaststellen of de verdachte het feit waarvan hij wordt verdacht, heeft begaan. Hij doet dat door de geldigheid van de bewering af te leiden uit de onderzoeksresultaten die voorliggen. Voor wat betreft de activiteit van het bewijzen door de strafrechter kan onderscheid worden gemaakt tussen de oordeelsvorming, de beslissing, het resultaat van die bewijsbeslissing (vrijspraak of bewezenverklaring) en de motivering.4
Het begrip bewijs is complex en wordt in veel verschillende vormen gebruikt. Allereerst komen we het begrip bewijs tegen als zelfstandige vorm van het werkwoord, bijvoorbeeld in de zin ‘de rechter is belast met het bewijs van het tenlastegelegde’. Het wordt tevens gehanteerd als aanduiding voor het geheel van feiten en redeneringen waaruit de juistheid of geldigheid van een bepaalde bewering blijkt.5 Vanuit dat perspectief worden in Nederlandse strafrechtelijke vonnissen de bewezenverklaring en de motivering samen ook wel als ‘het bewijs’ betiteld. Het gaat dan om de bewijsconstructie: de bekennende verklaring van de verdachte en camerabeelden waarop de verdachte te zien is samen met een eventuele toelichting, vormen het bewijs dat de verdachte de overval heeft begaan. Voorts komt men het begrip tegen als aanduiding voor het materiaal op basis waarvan een stelling of bewering kan worden bewezen.6 De bron van waaruit dat materiaal afkomstig is, wordt soms ook wel wordt aangeduid als de bewijsbron. Zo spreekt men bijvoorbeeld van getuigen- of deskundigenbewijs indien het materiaal betreft waarin de beweringen van een getuige of deskundigen zijn opgenomen. Tot slot wordt de term bewijs ook gebruikt voor de feiten zoals door de rechter uit het bewijsmateriaal afgeleid.7 De vaststelling dat de verdachte voldoet aan het signalement zoals door de getuige opgeven, vormt het bewijs voor de stelling dat de verdachte de overval heeft gepleegd. Een alibi ten tijde van het delict vormt tegenbewijs (of beter gezegd: vormt bewijs dat een ander de overval heeft gepleegd). In het Engels wordt onderscheid gemaakt tussen evidence en proof. De term evidence heeft betrekking op de beschikbare informatie wijzende in de richting van de (on)juistheid van een bepaalde bewering8 en proof op het geheel van bewijs en redeneringen waarmee de juistheid van een propositie wordt aangetoond.9 In dat laatste geval gaat het dus om de vaststelling van een omstandigheid, gedraging of gebeurtenis met behulp van bewijsmateriaal aan de hand van een of meer logische redeneerstappen.10
Vanuit analytisch oogpunt is het van belang om het woordgebruik in relatie tot het proces van bewijzen nader te specificeren. In dit onderzoek wordt de algemene term bewijs uitsluitend gebruikt als aanduiding voor het geheel van feiten en redeneringen op basis waarvan de juistheid van de tenlastelegging wordt vastgesteld, dus dat wat in het Engels wordt aangeduid als proof. Voor wat betreft de resultaten van onderzoek wordt gesproken over het bewijsmateriaal (al het materiaal tezamen) of over bewijsstuk (een concreet onderzoeksresultaat, al dan niet in schriftelijke vorm). De term bewijsmiddel zal uitsluitend worden gebruikt in relatie tot de Nederlandse strafprocessuele context en dient ter aanduiding van die onderzoeksresultaten die de rechter ook daadwerkelijk ten grondslag mag leggen of heeft gelegd aan een positieve bewijsbeslissing. Om de verschillende stappen in het proces van bewijzen inzichtelijk te maken, wordt in dit verband gesproken van ‘bewijswaardering’ voor zover het gaat om de selectie en weging van het materiaal (de hiervoor bedoelde oordeelsvorming), van ‘bewijsbeslissing’ voor wat betreft de beslissing die voortvloeit uit de beoordeling van het aanwezige materiaal en van de ‘bewijsmotivering’ voor wat betreft de wijze waarop het waarderingsproces in het vonnis wordt neergelegd.
Het verzamelen van bewijsmateriaal wordt soms ook wel onder de activiteit van het bewijzen geschaard. Immers, om de juistheid van een stelling of bewering over het verleden vast te stellen zal onderzoek moeten worden verricht. Het is echter van belang om (feiten)onderzoek dat aan de oordeelsvorming en beslissing voorafgaat, terminologisch te onderscheiden van het bewijs als geheel van argumenten en redeneringen met een daaropvolgende beslissing. Ook omdat dit in de systematiek van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering is gescheiden. In Nederland wordt in dit verband gesproken van het vooronderzoek (de opsporingsfase) en het hoofdonderzoek (het onderzoek ter terechtzitting). Het moge duidelijk zijn dat feitenonderzoek en bewijzen nauw met elkaar zijn verbonden. Zoals hiervoor aan de orde kwam, komt het streven naar waarheidsvinding in beide processen naar voren. Voor wat betreft de getuigenverklaring komt het onderscheid tussen feitenonderzoek en bewijs tot uitdrukking in de begrippen totstandkoming en waardering. Bij de totstandkoming gaat het om de wijze waarop de verklaring van een getuige tijdens het onderzoek naar de feiten wordt gevormd en de factoren die daar op van invloed zijn. De waardering betreft de wijze waarop de getuigenverklaring wordt getoetst mede in het licht van het overige bewijsmateriaal en met het oog op de hypothese neergelegd in de tenlastelegging.