Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.5:6.5 Verhouding tot het rechtskarakter van de btw
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.5
6.5 Verhouding tot het rechtskarakter van de btw
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS495437:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat betreft de verhouding tot het rechtskarakter kan in de eerste plaats aansluiting worden gevonden bij de bevindingen ten aanzien van art. 185 lid 2 tweede alinea Btw-richtlijn. Ik volsta in zoverre met een verwijzing naar paragraaf 5.4. Wat betreft de specifiek in dit hoofdstuk besproken onderwerpen, meen ik dat eerbiediging van het rechtskarakter op vier punten in het gedrang komt. Ten eerste lijkt de regeling te zijn beperkt tot ondernemers die in eerste instantie feitelijk btw in aftrek hebben gebracht, daar waar een materiële benadering de voorkeur heeft. Ten tweede heeft het fatale karakter van de éénjaarstermijn tot gevolg dat btw voor ondernemers (te gauw) subsidiërend uitpakt, doordat het de Belastingdienst kan belemmeren om na het verstrijken van de éénjaarstermijn nog tijdig een naheffingsaanslag op te leggen. Ten derde heeft de opstelling van de Belastingdienst bij het verlenen van medewerking aan een akkoord tot gevolg dat de ‘correctie vooraftrek’ niet altijd integraal behoeft te worden voldaan. Om dezelfde reden levert ook dit de nodige spanningen op met het rechtskarakter. Ten vierde kan een dwangakkoord (waarover momenteel (eind 2017) ook een wetsvoorstel ter tafel ligt) ervoor zorgen dat schuldeisers dwingend geconfronteerd worden met een ‘betaling’ in de zin van art. 29 lid 1 Wet OB 1968 (vanaf 2017), zodat hun niet langer een recht op teruggaaf toekomt (en de btw derhalve noodgedwongen als ‘last’ moeten dragen).