Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/3.4.1
3.4.1 Het verbod in de bodemprocedure
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955497:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Von Mühlendahl, IIC 2007, afl. 4, p. 377. Vgl. art. 13 lid 1 Handhavingsrichtlijn: “De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties op verzoek van de benadeelde partij de inbreukmaker die wist of redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk pleegde, gelasten [cursivering PT] de rechthebbende een passende vergoeding te betalen tot herstel van de schade die deze wegens de inbreuk heeft geleden”.
Vgl. Von Mühlendahl, IIC 2007, afl. 4, p. 378.
Ohly, GRUR 2021, afl. 2, p. 305.
Zie ook ov. 24: “Afhankelijk van het geval en zo de omstandigheden het rechtvaardigen, moeten de vast te stellen maatregelen, procedures en rechtsmiddelen verbodsmaatregelen omvatten ter voorkoming van nieuwe inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten”.
Hilty 2015, p. 389; Von Mühlendahl, IIC 2007, afl. 4, p. 377.
Panel Report, China – Enforcement of intellectual property rights, WT/DS362/R (26 januari 2009), pt. 7.236 (“The obligation is to “have” authority not an obligation to “exercise” authority”); Panel Report, India – Patent Protection for Pharmaceutical and Agricultural Chemical Products, WT/DS79/R (24 augustus 1998), pt. 7.66 (“the function of the words “shall have the authority” is to address the issue of judicial discretion, not that of general availability”).
García Pérez, IPQ 2016, afl. 1, p. 94.
Marfé e.a., JIPLP 2015, afl. 3, p. 181; Eisenkolb, GRUR 2007, afl. 5, p. 392. Zie ook LG Düsseldorf 24 april 2012, 4b O 273/10 (UMTS Mobilstation), rn. VII.1.a.
Art. 11 Handhavingsrichtlijn bepaalt dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat, wanneer bij rechterlijke uitspraak inbreuk op een intellectueeleigendomsrecht is vastgesteld, de bevoegde rechterlijke instanties een bevel tot staking van de inbreuk tegen de inbreukmaker kunnen uitvaardigen. Deze formulering verduidelijkt dat de rechter niet verplicht is om in alle gevallen van inbreuk een verbod op te leggen aan de gedaagde.1 De vraag rijst echter of de richtlijn lidstaten ook toestaat om de toewijzing van het verbod tot voorwerp maken van een discretionaire bevoegdheid. Deze vraag kan op verschillende manieren worden beantwoord.
Men zou uit de bewoordingen van art. 11 Handhavingsrichtlijn kunnen afleiden dat de vrijheid die aan de rechter is gelaten beperkt blijft tot de vraag of zich in een specifiek geval een inbreuk zal voordoen of dat herhaling daarvan dreigt. Het lijkt duidelijk dat de invulling van die beoordeling is overgelaten aan de lidstaten.2 Aannemelijk is echter dat de ‘kan-bepaling’ van art. 11 Handhavingsrichtlijn meer omvat dan slechts een inschatting van het risico op inbreuk.3 Overweging 17 van de Handhavingsrichtlijn verduidelijkt immers dat de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen waarin de richtlijn voorziet ‘‘in elk afzonderlijk geval zodanig [moeten] worden vastgesteld dat naar behoren rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van dat geval’’.4 Dit principe van een geïndividualiseerde beoordeling stelt buiten twijfel dat de toewijzingsbeslissing onderhevig kan zijn aan een discretionaire bevoegdheid.5 Deze lezing stemt bovendien overeen met art. 44 TRIPs, dat blijkens WTO-jurisprudentie verdragsstaten toestaat te voorzien in een discretionaire bevoegdheid.6 De mogelijkheid van een discretionaire bevoegdheid blijkt tot slot uit art. 12 Handhavingsrichtlijn, dat lidstaten de vrijheid geeft om te bepalen dat de rechter, op vordering van de inbreukmaker, een vergoeding kan toekennen in plaats van een verbod.7
Het compromiskarakter van art. 11 Handhavingsrichtlijn impliceert dat de bepaling ook compatibel is met rechtsstelsels waarin toewijzing van het verbod niet onderworpen is aan een belangenafweging.8 De verplichting tot een geïndividualiseerde beoordeling dwingt niet tot een andere lezing. De verlening van een discretionaire bevoegdheid aan de rechter is immers niet de enige wijze waarop de belangen van de betrokken partijen kunnen worden gewaarborgd. De meeste rechtsstelsels bieden ruimte voor een belangenafweging wanneer de inbreukmaker een verweer heeft gevoerd dat daartoe aanleiding geeft. Dat lijkt een aanvaardbaar alternatief, mede gelet op het feit dat de Handhavingsrichtlijn toestaat dat lidstaten regels stellen die gunstiger zijn voor rechthebbenden.9
3.4.1.1 Relativering van de rechterlijke vrijheid3.4.1.2 Het uitgangspunt van toewijzing3.4.1.3 Het verbod in SEP-zaken