Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/9.1:9.1 Samenvatting van de onderzoeksresultaten
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/9.1
9.1 Samenvatting van de onderzoeksresultaten
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200740:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ten tijde van dit onderzoek liep een aantal ZSM pilots. Veel van de geïnterviewden hadden hiermee toen nog geen ervaring opgedaan.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoe beoordelen politiemensen in Nederland het functioneren van het strafrecht en in het bijzonder het strafrechtelijk vervolg op hun werk?
Uit open interviews en een enquête blijkt dat veel politiemensen ontevreden zijn over het functioneren van het strafrecht. Zij zijn van mening dat de strafrechtspleging onvoldoende aansluit op hun eigen werkzaamheden en daaraan onvoldoende ondersteuning biedt. De onvrede van veel politiemensen richt zich vooral op drie thema’s: de toepassing van voorlopige hechtenis, de eisen die worden gesteld aan het bewijs en de hoogte van de opgelegde straffen.
Veel politiemensen zijn kritisch over beslissingen van officieren van justitie en rechters over voorlopige hechtenis. Politiemensen voelen zich nogal eens gefrustreerd als de officier van justitie tegen hun opvatting in besluit geen voorgeleiding te doen bij de rechter-commissaris of wanneer een vordering tot (verlenging van de) voorlopige hechtenis door de rechter wordt afgewezen. De meeste politiemensen menen dat de rechterlijke macht onnodig hoge eisen stelt aan het bewijs dat de politie aanlevert. Zij hebben daardoor het gevoel dat het strafrechtsysteem hindernissen opwerpt die het de politie onnodig moeilijk maken haar taak te vervullen. Het strafrecht biedt regelmatig niet de door hen gewenste en als rechtvaardig beschouwde uitkomsten.
Via een enquête is aan politiemensen gevraagd hoeveel informatie zij hebben over wat er binnen de strafrechtsketen gebeurt. Bijna de helft van hen zegt alleen zicht te hebben op wat de politie zelf doet. Slechts één op de tien zegt ook zicht te hebben op wat rechters doen. Zelfs van de rechercheurs blijkt tweederde geen zicht te hebben op het functioneren van rechters. Daarbij is er geen statistisch significant verband tussen de mate van kritiek van politiemensen op het functioneren van het strafrecht en de mate waarin zij daarop zicht hebben. Daarmee lijkt het negatieve oordeel van politiemensen over het functioneren van het strafrecht vooral verband te houden met beeldvorming, mogelijk gebaseerd op rondzingende verhalen. Maar dit maakt de kritische opvattingen onder politiemensen niet minder relevant, vanwege de mogelijke gevolgen ervan. Zo luidt de stelling van de socioloog Thomas over de invloed van wat mensen denken voor hun doen en laten, ook wel het Thomas-theorema genoemd: ‘If men define situations as real, they are real in their consequences.’ (In: Ritzer, 2000: 53) Ook lijkt het erop dat enkele negatieve ervaringen een groot effect hebben. Eigen ervaringen met concrete zaken waarin strafrechtelijke reacties ontbraken of onvoldoende waren, blijken wel statistisch samen te hangen met kritische opvattingen onder politiemensen.
Politiemensen beoordelen strafrechtelijke beslissingen regelmatig vanuit hun eigen (niet-juridische) vakmanschap. De juridische eisen die door het strafrecht zijn gesteld aan een bewezenverklaring, maken soms van de door politiemensen gevolgde beoordelingswijze geen deel uit. In plaats daarvan gaan ze regelmatig uit van een in hun ogen waarschijnlijk of plausibel scenario of van in typificaties opgebouwde ‘straatkennis’ over het gedrag en andere als relevant beschouwde kenmerken van verdachten. Deze kennis gebruiken politiemensen dagelijks om gevaren en potentiële daders te herkennen en snel te bepalen hoe met acute situaties om te gaan. Het is onder bepaalde omstandigheden onmisbare kennis, maar de empirische basis ervan is onzeker en met een sterke beeldvorming hoeft nog geen sprake te zijn van wettig en overtuigend bewijs.
Eveneens een meerderheid van de politiemensen is van oordeel dat de opgelegde straffen vaak te laag zijn, met name bij veelvoorkomende criminaliteit en bij (jeugdige) recidivisten en veelplegers. Ook valt de ontevredenheid op over de strafrechtelijke reacties bij geweld tegen en belediging van collega’s. Hoewel men de gedachte van taakstraffen in het algemeen lijkt te steunen, is er onvrede over zowel de gepastheid van de taakstraf, als over de hoogte ervan. Veel steun is er voor de ISD-maatregel, alhoewel die volgens politiemensen soms eerder zou mogen worden opgelegd en uitgebreid zou moeten worden. Overigens vinden politiemensen de boetes voor ‘Mulderfeiten’ (verkeersovertredingen) nogal eens te hoog.
Hoe beoordelen officieren van justitie en rechters de door politiemensen verwoorde opvattingen over het functioneren van het strafrecht en wat is hun eigen opvatting hierover?
Beslissingen in het strafrechtelijk vervolg blijken regelmatig af te wijken van wat politiemensen wenselijk of noodzakelijk vinden. Onder zowel de geïnterviewde officieren van justitie als de rechters lijkt de overgrote meerderheid tevreden over het functioneren van het strafrechtsysteem. Dat betekent ook dat officieren van justitie en rechters opvattingen van politiemensen regelmatig krachtig van de hand wijzen. Echter onder zowel officieren van justitie als rechters leven ook gevoelens van ontevredenheid, ongemak en onmacht over hoe het strafrecht functioneert. Hoewel officieren van justitie en rechters hun eigen benadering hebben van de ook bij de vorige deelvraag besproken strafrechtelijke thema’s, spreken ze soms met begrip over kritische geluiden vanuit de politie. Ook blijken tussen magistraten onderlinge verschillen van opvatting te bestaan over de vraag hoe het strafrecht zou moeten functioneren.
Uit dit onderzoek komt naar voren dat zowel onder officieren van justitie als onder rechters verschillende opvattingen leven over hoe moet worden omgegaan met voorlopige hechtenis, bewijs en straffen. Zo staat een deel van de geïnterviewde officieren van justitie en (in mindere mate) rechters op het standpunt dat een strikte interpretatie van juridische gronden voor voorlopige hechtenis niet gewenst is onder de huidige omstandigheden. Dit is in lijn met de opvatting van politiemensen dat voorlopige hechtenis vaker toegepast zou moeten worden en minder vaak geschorst. Daarbij is voor de betreffende officieren van justitie en rechters vaak een overweging dat vanwege de als te lang beschouwde doorlooptijd van strafprocessen delinquenten mogelijk hun straf (gedeeltelijk) ontlopen. Voorlopige hechtenis wordt daarbij of daardoor gezien als een (voorschot op de) straf.
De meeste geïnterviewde rechters delen de kritiek van politiemensen niet over hoe de bewijsbeoordeling in de praktijk verloopt. Ook officieren van justitie zijn minder negatief over de strafrechtelijke beoordeling van bewijs dan politiemensen. Er zou in de dagelijkse praktijk zelfs regelmatig verschil van inzicht bestaan tussen politie en OM over de eisen die aan het bewijs in strafzaken gesteld moeten worden. Echter, in overeenstemming met een groot deel van de politiemensen, achten ook sommige van de geïnterviewde officieren van justitie en rechters de strafrechtelijke beoordeling van bewijs in een deel van de gevallen te streng. Daarbij menen officieren van justitie eerder dan rechters overtuigd te zijn van de schuld van verdachten. Andersom, ervaren rechters ook een dergelijk verschil. Zo komt het volgens rechters voor dat jurisprudentie niet goed wordt gehanteerd, waardoor onterecht een veroordeling wordt geëist door officieren van justitie. Ook verwijzen rechters naar in hun ogen te grote risico’s die kleven aan de manier waarop sommige officieren van justitie zouden omgaan met sterke aanwijzingen en aannemelijke scenario’s.
De ‘quasi-magistratelijke rol’ die Skolnick (1966; zie ook hoofdstuk 2) waarnam bij officieren van justitie, komt ook uit dit onderzoek wel naar voren: officieren van justitie zien het vaak als hun taak om politiemensen uitleg te geven over strafrechtelijke overwegingen. Tegelijkertijd blijkt uit de beschreven opvattingen dat sommige officieren van justitie niet alleen begrip hebben voor kritische opvattingen over het strafrecht onder politiemensen, zij delen die ook tot op zekere hoogte. Dat blijkt eveneens voor sommige rechters te gelden. Zo menen zij dat collega’s soms te voorzichtig omgaan met de bewijsbeoordeling.
Opvallend is dat zowel onder officieren van justitie als onder rechters verschillende opvattingen heersen over de interpretatie van het element overtuiging in het bewijsrecht. Volgens de ene opvatting moet dit niet (uitsluitend) worden beschouwd als een aansporing tot kritische reflectie op de gehanteerde bewijsconstructie, maar ook als een oordeelsruimte op basis van common sense. Hierin kan zich als met een sterke lijm een ‘overtuigend’ scenario uit bewijsstukken vormen. Deze opvatting van het bewijsrecht impliceert dat een geringe onzekerheid toelaatbaar is. Daarmee is ook niet altijd de kwaliteit van de bewijsconstructie cruciaal. Soms gaat het erom of daartegen iets substantieels is ingebracht door de verdachte of zijn advocaat. In deze opvatting komt de nadruk te liggen op een probabilistische benadering van bewijs. Daarnaast is er de opvatting dat zeer terughoudend met de interpretatie van bewijsstukken moet worden omgegaan. Zo staat tegenover de opvatting dat ‘alternatieve verklaringen’ vaker terzijde geschoven kunnen worden door de rechter de opvatting dat de verklaring van een verdachte geregeld onaannemelijk wordt geacht op basis van twijfelachtige argumenten. Ook komt dit verschil bijvoorbeeld naar voren in opvattingen over het zwijgrecht. Volgens de één is het zwijgrecht van de verdachte fundamenteel van betekenis, terwijl de ander omstandigheden onderkent waarin dit beginsel zijn absolute werking zou moeten verliezen bij de beoordeling van bewijs. Zo wordt de verklaring van een verdachte die deze pas gaandeweg het strafproces naar voren brengt, niet betrouwbaar geacht door sommige rechters.
De bestrijding van georganiseerde criminaliteit en complexe financiële delicten door politie en justitie krijgt kritiek. Met name onder politiemensen en officieren bestaat het gevoel dat dergelijke criminaliteit voor een deel ongemoeid wordt gelaten. In alle drie onderzochte groepen valt de ontevredenheid op over strafrechtelijke reacties op veelvoorkomende criminaliteit. Bij delicten van deze categorie zouden de soms als te lang ervaren doorlooptijden een belemmering vormen voor een effectieve toepassing van het strafrecht.1 Ook komt in alle drie onderzochte groepen de opvatting voor dat de strafrechtspleging harder zou moeten optreden: er zou vaker voorlopige hechtenis toegepast moeten worden en ook worden soms hogere straffen gewenst. Zowel de geïnterviewde officieren van justitie als de rechters in dit onderzoek lijken echter in meerderheid tevreden met het strafrechtelijk klimaat in Nederland, waarbij de rechters het meest tevreden lijken te zijn.
In hoeverre weerspiegelen de opvattingen van politiemensen, officieren van justitie en rechters over het functioneren van het strafrecht het spanningsveld tussen due process en crime control? In hoeverre speelt het verschillend benadrukken van strafdoelen hier een rol bij?
Het is bijna een open deur dat Packer (1964; 1968) met zijn theoretische modellen terecht wees op een belangrijk spanningsveld tussen de rechtsbeschermende en de instrumentele functie van straf- en strafprocesrecht. Dit spanningsveld is ook zichtbaar in het uitgevoerde onderzoek. Zo sluiten veel opvattingen van politiemensen over het strafrecht aan bij Packers crime control model. Met name de discussie die zich soms voor blijkt te doen over de beoordeling van bewijs geeft dit aan. De rechterlijke macht beoogt daarmee, volgens het ideaal van due process, terughoudender om te gaan en de individuele verdachte meer te beschermen dan politiemensen zouden wensen. Door politiemensen wordt vaak uitgegaan van de betrouwbaarheid van feitenonderzoek en het willen beperken van tegenwicht: in latere processtappen zouden volgens hen officieren van justitie en rechters immers vaak te kritisch zijn. Politiemensen gaan in hun oordeelsvorming eerder uit van een combinatie van (praktische) overwegingen van effectief optreden tegen criminaliteit en morele argumenten. Het strafrecht staat daarbij vooral in het teken van crime control: het zo effectief mogelijk tegengaan van criminaliteit.
Onder officieren van justitie en rechters bestaan verschillende opvattingen over hoe voorlopige hechtenis en strafrechtelijk bewijs beoordeeld dienen te worden. Zo heeft een deel van de rechters bezwaren tegen de strikte interpretatie van de juridische kaders voor voorlopige hechtenis van collega’s. Tevens komt onder rechters de opvatting voor dat collega’s te voorzichtig omgaan met de bewijsbeslissing. Zeker geredeneerd vanuit Packers modellen is dit opmerkelijk: de rechter representeert (daarin) immers de waarborgfunctie van het strafproces. Ook is wel opmerkelijk dat rechters een tamelijk ondergeschikte houding aannemen ten opzichte van de verharding van de strafrechtelijke aanpak in Nederland. Denk daarbij aan de aanscherping van de strafwetgeving en de verhoging van de straffen: het is niet zo dat rechters hier vanuit hun eigen perspectief op de strafrechtspleging uitgesproken opvattingen over hebben. Wel zijn rechters (evenals veel officieren van justitie) kritisch over wetgeving die de rol en oordeelsruimte van de strafrechter inperkt. De Wet OM-afdoening en art. 22b Sr (in de volksmond ook wel het ‘taakstrafverbod’) zijn daarvan voorbeelden.
Bij zowel een deel van de officieren van justitie, als ook bij een deel van de rechters krijgt due process voorrang op crime control. In lijn met het ideaal van due process wil een deel van de magistraten terughoudend omgaan met de beoordeling van bewijs en met het overnemen van de interpretatie daarvan door de politie. Ook komt in lijn met het due process model het adversaire aspect van het strafproces naar voren in opvattingen van officieren van justitie en rechters: verdachte moet in deze opvatting voldoende gelegenheid krijgen zich ten overstaan van de rechter te verdedigen. Evenals bij Packer gaat het in een deel van de onderzochte opvattingen om bescherming van de individuele verdachte via het hanteren van de onschuldpresumptie, juridische en processuele waarborgen en om het vergroten van de betrouwbaarheid van de ‘feiten’.
De met dit onderzoek beschreven opvattingen zijn gerelateerd aan de spanning tussen de rechtsbeschermende en de instrumentele functie van het strafrecht. Het verschil tussen de twee opvattingen van het strafproces die Packer uitwerkte als due process en crime control modellen, wordt door dit onderzoek bevestigd. Packer bedacht deze ideaaltypische modellen om de ontwikkeling van het Amerikaanse strafrechtsysteem te kunnen becommentariëren. In werkelijkheid, zo was zijn verwachting, zouden de modellen altijd in combinatie voorkomen (zie hoofdstuk 2). Van belang is te benadrukken dat Packers modellen weliswaar herkenbaar zijn in de met dit onderzoek beschreven opvattingen, maar ook in deze studie niet ‘zonder elkaar’ kunnen. Duidelijk is geworden dat binnen de belangrijkste strafrechtelijke instituties opvattingen over strafrecht in belangrijke mate verschillen en dat het onderscheid tussen strafrecht als ‘schild’ en strafrecht als ‘zwaard’ helpt de verschillende invalshoeken te verwoorden. Tegelijkertijd is dit een scherp onderscheid en is het niet zo dat in de onderzochte opvattingen ‘crime control’ en ‘due process’ elkaar uitsluiten. Het verschil tussen de opvatting waarin het strafrecht geldt als ‘schild’ en de opvatting waarin het vooral een ‘zwaard’ is, blijkt complexer dan Packer het voorstelde. Daarbij gaat het in de onderzochte opvattingen niet, zoals in Packers modellen het geval is, over de inrichting van het strafproces. Om deze reden zijn Packers ideaaltypische modellen niet opnieuw uitgewerkt in deze studie over opvattingen over het functioneren van het strafrecht. Wel is er aanleiding Packers theorie te nuanceren en aan te vullen.
Ten eerste spelen naast de instrumentele doelstelling van Packers crime control model en de waarborgfunctie van due process, ook andere doelen een rol in de opvattingen van politiemensen, officieren van justitie en rechters over strafrecht. Naast overwegingen van effectief optreden spelen praktische en morele argumenten mee in de opvattingen van politiemensen over de strafrechtspleging. Politiemensen zijn vooral bezig met het op praktische wijze herstellen van street justice (Van Maanen, 1978; Sykes, 1986). Dit betekent dat hun instrumentele kijk op het strafrecht niet alleen op hun ‘vakmanschap’ is gebaseerd, zoals (Skolnick, 1966) benadrukte, maar ook op (belangrijke) rechtvaardigheidsgevoelens.
Ten tweede, officieren van justitie en rechters die zich niet kunnen vinden in de uiterst terughoudende werkwijze van sommige rechters bij de bewijsbeoordeling (in lijn met het due process model), blijken hun opvattingen niet in termen van Packers crime control model te verwoorden. Een streven naar efficiënte veroordeling van ‘probably guilty’ volgens dit model is tijdens de interviews niet naar voren gekomen. Hoewel de ontwikkeling naar een efficiëntere afdoening van eenvoudige zaken via ZSM vaak wel wordt aanvaard, een voortdurend streven naar routinisering en uniformiteit maakt geen deel uit van de onderzochte opvattingen over het strafrecht.
Het meest opvallend aan de opvattingen van officieren en rechters die een deel van hun collega’s te voorzichtig vinden bij de beoordeling van bewijs, is hoe zij het element overtuiging in het bewijsrecht zien. Er is hier geen sprake van een schuldpresumptie zoals in het crime control model verondersteld wordt: het element overtuiging in het bewijsrecht wordt alleen niet in de eerste plaats als een aansporing tot kritische reflectie beschouwd. Sommige officieren van justitie en rechters beschouwen dit element als een oordeelsruimte waarin op basis van common sense een ‘overtuigend’ scenario uit bewijsstukken kan ontstaan. In deze opvatting van het bewijsrecht is de kwaliteit van de bewijsconstructie niet altijd cruciaal. Ook kan het erom gaan of daartegen iets substantieels is ingebracht door de verdachte of zijn advocaat.
In plaats van de extreme begrippen ‘schuldpresumptie’ en ‘onschuldpresumptie’, blijken breder liggende begrippen nodig om in de praktijk levende opvattingen te kunnen omvatten. In voorgaande hoofdstukken is daarom de term ‘probabilistisch’ (ontleend aan onder meer: Skolnick, 1966) gebruikt. Hierin komt tot uitdrukking dat in een deel van de onderzochte opvattingen over bewijsbeoordeling waarschijnlijkheid en overtuiging belangrijk zijn. Het vergroten van de zekerheid over bewijs is voor een deel van de officieren van justitie en rechters geen doel op zich. Zij zijn van mening dat in sommige zaken het bewijs voor zich spreekt en vaker gewoon overgenomen kan worden. Theoretische mogelijkheden en de juridische, praktische mogelijkheden van bewijsbeoordeling dienen in deze opvatting in evenwicht te zijn. Ook is een meer terughoudende opvatting over bewijsbeoordeling aangetroffen, waarin het element overtuiging in het bewijsrecht als een aansporing tot kritische reflectie (of falsificatie) wordt beschouwd.
In de beschreven opvattingen valt ook een verschil van opvatting op over de rol van de rechter tijdens het strafproces. In de ogen van een deel van de rechters houdt hun werk een actieve rol in die in het due process model van Packer niet is opgenomen. Bedoeld wordt de overtuiging van rechters dat zij zelf moeten nadenken over een mogelijk gat in de bewijsvoering. Andere rechters beschouwen zichzelf liever als ‘neutrale beslisser’ die verweren aanhoort in de rechtszaal. Aangezien beide opvattingen in het due process model passen, is onduidelijk wat dit model op dit punt precies inhoudt. De rechter staat hierin centraal bij het realiseren van de waarborgfunctie van het strafrecht, maar wat mag de verdachte van de controle door de rechter verwachten? Jurisprudentie over voorlopige hechtenis en bewijsbeoordeling zou soms door de rechter worden genegeerd. Due process blijkt bovendien ook betrekking te hebben op ruime, open ‘regels’. Het bewijsrecht is daarvan een goed voorbeeld. De vraag rijst of de veronderstelling van het due process model zonder meer juist is dat verdachten door het strafproces steeds optimaal worden beschermd.
In de hierboven beschreven opvattingen van politiemensen, officieren van justitie en rechters is een ‘uitgekleed’ of geminimaliseerd strafproces volgens het crime control model, nooit het doel. Politiemensen lijken zich niet erg bewust van de juridische kaders bij hun opvatting over dit onderwerp. De achtergrond van opvattingen over voorlopige hechtenis onder officieren van justitie en rechters is vooral de verminderde kans dat in een later stadium een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd zal worden, wanneer een verdachte niet in voorlopige hechtenis zit. De doorlooptijden in het strafrecht zijn hierbij in de ogen van officieren van justitie en rechters relevant en die zijn niet uitsluitend afhankelijk van gemaakte keuzes op basis van due process waarden. Ook kwaliteitsaspecten, personele capaciteit en organisatorische efficiëntie die hier los van staan, zijn van invloed en hebben dus ook effect op opvattingen over voorlopige hechtenis. Hetzelfde geldt voor opvattingen over hoe met bewijsbeoordeling moet worden omgegaan: hier kunnen due process en crime control overwegingen achter zitten, maar ook beperkingen in kwaliteit, beschikbare capaciteit en financiële middelen, aangezien daardoor per definitie kansen onbenut blijven om meer duidelijkheid over het bewijs te verkrijgen.
Ten derde is er op basis van voorgaande veel voor te zeggen om niet zoals Packer deed personele capaciteit en organisatorische efficiëntie als gegeven te beschouwen. Hoewel Packers theorie daarvan niet uitgaat, blijken in de ogen van politiemensen, officieren van justitie en rechters in plaats van due process voorzieningen, vooral andere variabelen binnen het strafrechtsysteem van invloed op de mate waarin crime control kan worden gerealiseerd. Daarbij gaat het vooral om de vraag hoe effectief en efficiënt het strafrechtsysteem functioneert vanuit een organisatorisch oogpunt. Het spanningsveld dat door processuele voorzieningen (due process) wordt opgeroepen ten opzichte van instrumentele doelen van strafrecht, lijkt (deels) te kunnen verdwijnen als voldoende capaciteit en financiële middelen ter beschikking worden gesteld voor bijvoorbeeld het efficiënt kunnen verzamelen en behandelen van betrouwbare feiten. Efficiëntie is dan in de eerste plaats een kwaliteit van het strafproces (vgl. Ashworth, 1998).
In hoeverre speelt het verschillend benadrukken van strafdoelen een rol bij de onderzochte opvattingen over het functioneren van het strafrecht? Dit element speelt op verschillende manieren een belangrijke rol. Meer dan politiemensen en officieren van justitie leggen rechters in hun opvattingen over straffen en voorlopige hechtenis de nadruk op ‘positieve gedragsbeïnvloeding’. Ook lijken rechters het meeste oog te hebben voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en/of hebben meer vertrouwen in wat deze daarover vertelt.
Zoals ook Roach (1999) opmerkte gaan de klassieke modellen van Packer niet specifiek in op verschillende (alternatieve) strafmodaliteiten en evenmin op niet-strafrechtelijke afdoeningsmogelijkheden. Ook het Nederlandse strafrechtsysteem is niet uitsluitend op straffen gericht en dat is ook zichtbaar in de opvattingen van politiemensen, officieren van justitie en rechters. Op dit punt is de theorie van Packer dan ook niet adequaat. Strafrechtelijke reacties hebben niet (meer) altijd een eenduidig repressief karakter, zoals Packer (in elk geval binnen zijn modellen) lijkt te veronderstellen. In de doelen die politiemensen, officieren van justitie en rechters belangrijk vinden kan, zoals eerder aangegeven, onderscheid worden gemaakt naar doelen die aansluiten bij een ‘harde aanpak’ en doelen die gericht zijn op ‘positieve gedragsbeïnvloeding’. Bij dit laatste kunnen in plaats van repressie niet-strafrechtelijke trajecten beter passen.
Het doel van ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ speelt een onderscheidende rol in de met dit onderzoek beschreven opvattingen. Behalve de grenzen die strafrechtelijke regels en procedures aangeven om individuele burgers tegen de overheid te beschermen, vormt voor sommige politiemensen, officieren van justitie en rechters ook het punt waarop succesvolle resocialisatie in gevaar komt door de sanctie, vaak een grens van het strafrecht (vgl. Packer, 1968).
Voor de hand ligt dat een belangrijke ‘eis’ die aan het strafrecht wordt gesteld, het herstellen van rechtvaardigheid is. Het strafrecht vormt hier niet noodzakelijkerwijs een feitelijke bijdrage aan het tegengaan van criminaliteit op lange termijn. In de ogen van politiemensen, officieren van justitie en in mindere mate rechters, is ook van belang dat voor burgers duidelijk is dat het plegen van strafbare feiten, wanneer aan de processuele eisen is voldaan, niet zonder strafrechtelijke consequenties mag blijven. Er moet iets recht worden gezet en soms moet de vrede worden hersteld. Het gaat hier niet uitsluitend om een instrumentele crime control functie, maar eerder om een normbevestigende functie van het strafrechtsysteem. Rechtvaardigheid is in Packers modellen uitgewerkt als formele zorgvuldigheid in het due process model en staat tegenover crime control, wat (zuiver instrumenteel) tegengaan van criminaliteit betekent. Een theoretisch model dat binnen het strafrecht levende opvattingen kan omvatten, moet op basis van dit onderzoek dan ook rekening houden met (de spanning tot) de hiervoor aangeduide morele of normbevestigende motieven voor strafrechtstoepassing, kortom met de behoefte aan een harde strafrechtelijke aanpak. Niet noodzakelijkerwijze om instrumentele, maar om morele redenen.
De beschreven opvattingen blijken sterk gerelateerd aan de spanning tussen de rechtsbeschermende en de instrumentele functie van het strafrecht. Vrijwel overeenkomstig de theorie van Packer zijn in dit onderzoek de begrippen instrumentaliteit en rechtsbescherming gebruikt om de belangrijkste opvattingen over het functioneren van het strafrecht te ordenen. Daartoe is met inachtneming van bovenstaande nuanceringen een typologie opgesteld, zonder nieuwe ideaaltypische modellen van het strafproces te construeren, aangezien het in dit onderzoek gaat om opvattingen over het functioneren van het strafrecht en deze op het juridisch gegeven strafproces maar weinig betrekking hebben.
Gekozen is in onderstaande typologie van opvattingen over strafrecht geen gebruik te maken van het onderscheid tussen ‘formele rechtvaardigheid’ en ‘materiële rechtvaardigheid’ (De Groot-van Leeuwen, 1991: 181 e.v.). Bij ‘formele rechtvaardigheid’ gaat het uitsluitend om een strikte toepassing van alle relevante juridische kaders, terwijl in de beschreven opvattingen de rechtsbeschermende functie van strafrecht in een bredere dan alleen deze klassieke betekenis naar voren komt. De opvatting dat het bewijsrecht aanspoort tot kritische reflectie op de bewijsconstructie is daarvan een voorbeeld. Hierbij sluit het begrip ‘rechtsbescherming’ beter aan.
Het blijkt in het strafrecht niet vanzelfsprekend wat ‘materieel rechtvaardig’ of wcat een ‘goede oplossing’ is. Daarom zijn in onderstaande typologie het begrip ‘instrumentaliteit’ met daaronder twee groepen toegevoegd. Zo kan de opvatting dat het strafrecht voornamelijk op een ‘harde aanpak’ gericht zou moeten zijn worden ondergebracht, maar ook de opvatting dat vooral ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ centraal zou moeten staan. Zoals reeds vermeld dient in een typologie van de belangrijkste opvattingen in dit onderzoek aandacht gegeven te worden aan degenen die het strafrecht vooral als een ‘schild’ zien en het belang van rechtsbescherming voorop stellen. Zij zijn soms sterk gericht op het beschermen van vrijheden, maar ook klassieke gebondenheid aan regels en gebruiken is kenmerkend voor een deel van de politiemensen, officieren van justitie en rechters in dit onderzoek. Ook deze beide groepen zijn aan de typologie toegevoegd.
Schema 1: Vier belangrijkste opvattingen over strafrecht onder politiemensen, officieren van justitie en rechters
Welke verklaringen kunnen worden gegeven voor de opvattingen die politiemensen, officieren van justitie en rechters hebben over het functioneren van het strafrecht?
Met dit onderzoek zijn ook de achtergronden beschreven van de opvattingen over het strafrecht onder politiemensen, officieren van justitie en rechters. Hypothese daarbij was dat werkomstandigheden, ofwel situationele factoren, naast juridische en culturele factoren een rol kunnen spelen in de wijze waarop functionarissen over strafrechtelijke onderwerpen denken. Bij specifieke werkomstandigheden ging het bijvoorbeeld om contact met slachtoffers van criminaliteit. Tijdens de interviews is ook op andere situationele factoren ingegaan. Zo werd voorafgaand aan dit onderzoek gedacht aan (ervaren) ontwikkelingen in de criminaliteit, de maatschappelijke en politieke onrust rond criminaliteit en strafrechtspleging, alsmede de reacties daarop in beleid, wetgeving en in de media.
Naast concrete ervaringen met het functioneren van strafrecht lijken bij politiemensen ‘rondzingende verhalen’ invloed te hebben op hun opvattingen over strafrecht.‘Canteen culture’ (Waddington, 1999) is een factor bij het ontstaan van kritische opvattingen over het strafrecht onder hen, hetgeen wordt versterkt door de vaak beperkte terugkoppeling over zaken vanuit het OM. Daarnaast lijken (juridische) verantwoordelijkheden en bevoegdheden van invloed op de verschillen in opvatting tussen politiemensen, officieren van justitie en rechters, net als opleiding en werksituatie. In elke groep lijkt zich een eigen perspectief te ontwikkelen dat van invloed is op opvattingen over het strafrecht.
Politiemensen beoordelen het strafrecht vooral op zijn instrumentele waarde bij het tegengaan van criminaliteit en overlast. Ze voelen zich aan criminaliteitsslachtoffers en buurten die getroffen worden door problemen verplicht ervoor te zorgen dat de autoriteiten bescherming bieden en hard optreden tegen criminaliteit en overlast. Mede doordat zij worden aangesproken op de in hun ogen vaak teleurstellende resultaten van de strafrechtspleging, zetten zij zich af tegen een strikt juridische benadering die volgens hen onder officieren van justitie en rechters meer dominant is.
Veel politiemensen zijn gefrustreerd over de strafrechtelijke afhandeling van zaken waaraan ze hebben gewerkt en beschouwen officieren van justitie en rechters vaak niet als competent. Daardoor gaan ze steeds sterker uit van hun eigen ‘vakmanschap’ (Skolnick, 1966) en eisen van ‘street justice’ (Sykes, 1986) bij het beoordelen van strafrechtelijke kwesties. Zij menen daarbij zelf het meeste inzicht te hebben in de context waarin strafbare feiten plaatsvinden en achten zichzelf in staat te bepalen wat er (strafrechtelijk) nodig is om problemen voor bijvoorbeeld een buurt rechtvaardig op te lossen. Het ervaren verschil in emotionele betrokkenheid met officieren van justitie en rechters is in hun ogen moeilijk te overbruggen. Negatieve beeldvorming over officieren van justitie en rechters maakt dat het blikveld van politiemensen verder verwijderd raakt van de waarborgfunctie van het strafrecht (waarin politiemensen ook niet gespecialiseerd zijn). Hetzelfde geldt voor overwegingen die in het strafrecht van belang kunnen zijn, zoals mogelijkheden het gedrag van delinquenten positief te beïnvloeden.
Het verschil in perspectief komt op allerlei manieren tot uiting, zoals in de gehanteerde taal, in kennis die als relevant wordt beschouwd (straatkennis versus juridische kennis), in verwachtingen van het strafrecht en in wat als belangrijk geldt in het werk. Politiemensen voelen op grond van beroep, morele betrokkenheid, rechtvaardigheidsoverwegingen, of hun wens burgers hun goede wil te tonen een grote druk om zichtbaar in te grijpen in problemen van overlast en criminaliteit. Hoewel alle politiemensen die in het kader van dit onderzoek werden geïnterviewd, menen dat het strafrecht voor hen een belangrijk kader is, blijkt het in de praktijk voor veel politiemensen te wringen met hun eigen perspectief. Het belangrijkste instrument dat zij denken te hebben, het strafrecht, blijkt niet aan hun verwachtingen en wensen te voldoen.
Het perspectief dat officieren van justitie op het strafrecht ontwikkelen is lastiger samen te vatten: het is minder eenduidig. Aanwezigheid van veel juridische kennis en de uitgebreidere informatie die ze hebben over de verdachte leiden tot een belangrijk verschil in perspectief met politiemensen. Officieren van justitie lijken op basis van hun informatievoorsprong dichter bij de doelstelling van ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ te staan dan politiemensen. Ook hun vaak grotere afstand tot gebeurtenissen en betrokkenen levert een verschil op met politiemensen: er lijkt sprake van een geringere betrokkenheid (bij bijvoorbeeld de gevolgen van criminaliteit). Officieren van justitie lijken zich eerder te richten op criminal justice dan op street justice (vgl. Sykes, 1986). Al met al speelt zowel de rechtsbeschermende functie van strafrecht, als het belang van ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ voor officieren van justitie een belangrijkere rol dan voor de meeste politiemensen.
Een deel van de officieren van justitie meent op basis van de hen beschikbare informatie over een completer beeld van de strafzaak en van de verdachte te beschikken dan rechters. Daarnaast ervaren officieren van justitie dat hun perspectief mede wordt bepaald door de ervaringskennis van politiemensen en hun eigen betrokkenheid bij de opsporing. Ze spreken zelf van een ‘opsporingsperspectief’: veel informatie en indrukken die hiervan onderdeel uitmaken, komen in het formele strafproces niet naar voren en horen daarin vaak ook niet thuis. Vanuit dit perspectief lijken rechters onnodige hindernissen op te werpen of in een ‘andere werkelijkheid’ te zitten, doordat ze zaken in de ervaring van officieren vanuit een ander perspectief interpreteren. Ook ligt voor de hand dat officieren van justitie op basis van hun opsporingsperspectief eerder een ‘harde aanpak’ van criminaliteit voorstaan. De rechter krijgt immers via het strafproces een ander beeld van de verdachte. Hij deelt grotendeels niet in het opsporingsperspectief en wordt soms juist sterk beïnvloed door wat verdachte en/of verdediging tijdens de zitting te zeggen hebben. Ook ervaren officieren van justitie regelmatig sterke invloed van hun aanklagersrol. Hierbij zou het niet passen uitgebreid stil te staan bij de mogelijkheden voor ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ van de delinquent, maar dient de strafeis voornamelijk tot het (namens de samenleving) communiceren van morele verontwaardiging over gepleegde feiten.
Mogelijk wordt het perspectief van officieren van justitie ook door recente beleidsontwikkelingen beïnvloed. Hoe zij hun tijd moeten besteden vormt mede hun perspectief op strafzaken en daarmee op de strafrechtspleging. Zo besteden officieren van justitie tegenwoordig een deel van hun tijd aan bestuurlijke overleggen en samenwerkingsverbanden (zie ook: Lindeman, 2012; 2017). Ook lijken officieren van justitie zich (meer dan rechters) te oriënteren op doelstellingen van veiligheidsbeleid.
Uit de interviews blijkt dat rechters in het algemeen erkennen door hun werksituatie op grotere afstand te staan van gepleegde strafbare feiten dan politiemensen en officieren van justitie. Ervaren wordt dat het onmiddellijkheidsbeginsel geen centrale rol speelt in het Nederlandse strafproces. Emoties en informatie die naar voren kunnen komen tijdens de opsporing blijven grotendeels buiten het blikveld van rechters. Soms proberen ze wel om het verschil in perspectief met politie en OM te overbruggen. Bijvoorbeeld door onderzoek ter zitting te doen. Ook zijn veel rechters positief over de toegenomen rol van het slachtoffer tijdens het strafproces en pleiten ze voor een uitvoerige behandeling van onder meer hun verklaringen ter zitting, maar dan nadat de schuldvraag is beantwoord door de rechter(s).
Op een aantal punten ervaren rechters zelf een verschil in perspectief met officieren van justitie. Hun eindverantwoordelijkheid lijkt daarbij van invloed op de manier waarop ze hun aandacht verdelen. De ervaren verantwoordelijkheid geen fout of verkeerde afweging te mogen maken, is in vergelijking met de andere onderzochte groepen sterker van invloed op hun perspectief op bewijsbeoordeling. Hetzelfde geldt voor de manier waarop ze denken over strafrechtelijke sancties. Mogelijk negatieve neveneffecten van strafrechtelijk optreden en mogelijkheden tot ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ krijgen van rechters vaak meer gewicht. Daarbij heeft de rechter uiteindelijk veel invloed op de toekomst van de verdachte en zijn rol dient zich, zo menen rechters, uitdrukkelijk tot de individuele zaak te beperken. Deze is aan hem voorgelegd en de verdachte – over wie onafhankelijk, zorgvuldig en afgewogen een ingrijpende beslissing genomen moet worden – staat centraal. Het strafrecht heeft daarmee voor de meeste rechters vooral een rechtsbeschermende functie en behoort in hun ogen de nadruk te leggen op ‘positieve gedragsbeïnvloeding’. Ze lijken daardoor in hun opvattingen over de strafrechtspleging verder van politiemensen af te staan dan officieren van justitie. Toch is die afstand niet voor alle rechters hetzelfde; ook onder hen komen opvattingen voor die passen bij de begrippen ‘instrumentaliteit’ en ‘harde aanpak’. Er bestaan zoals eerder vermeld ook opvattingen die in alle onderzochte groepen voorkomen. Hiervoor worden onderstaand verklaringen gegeven.
Maatschappelijke factoren – het maatschappelijk debat over de strafrechtspleging en de grote mate van media-aandacht voor strafzaken – lijken gemeenschappelijke invloedsfactoren te zijn voor alle drie onderzochte beroepsgroepen. Uit interviews blijkt regelmatig het streven om strafrechtelijk optreden ook voor het brede publiek begrijpelijk te laten zijn: in alle drie onderzochte groepen vormt dit uitgangspunt mede het perspectief op het functioneren van het strafrecht. Voor (ervaren) ontwikkelingen in de criminaliteit en de reacties daarop in beleid lijkt dit minder te gelden: politiemensen en officieren van justitie zijn hier meer mee bezig dan rechters.
Persoonlijke verhalen, invloedrijke ervaringen tijdens en voorafgaand aan hun loopbaan, lijken eveneens veel invloed te hebben op de wijze waarop functionarissen in het strafrechtsysteem tegen aan het strafrecht onderliggende spanningen aankijken. Hierin schuilt een belangrijke verklaring voor overeenkomsten in opvattingen tussen de onderzochte groepen. Daaraan wordt ook bijgedragen door het onderling uitwisselen van opvattingen en interpretaties. De vraag is hoe opvattingen die zo ontstaan zich verhouden tot een strikte interpretatie van regels, tot wetenschappelijke kennis over effecten van straffen en meer in het algemeen tot rationaliteit, afgewogenheid en afstandelijkheid.
In een deel van de met dit onderzoek verzamelde opvattingen wordt het strafrecht vooral gezien als een middel om acuut oplossingen te bieden voor slachtoffers en anderen die nadeel ondervinden van criminaliteit. In plaats van een strikte toepassing van regels en het bieden van effectieve oplossingen op lange termijn, gaat het daarbij vooral om de wens in een specifieke situatie het gedane onrecht te herstellen en te laten zien dat de autoriteiten dat serieus nemen. Hierbij speelt ook het maatschappelijk debat over straffen een rol. Naast utilisme en ‘expressieve normering’, is luisteren naar de vox populi een belangrijk element in de opvattingen van een deel van de politiemensen, officieren van justitie en rechters in dit onderzoek,– al is niet duidelijk wat die precies zegt.
Van alle onderzochte groepen staan politiemensen het dichtste bij de gepleegde strafbare feiten en degenen die er (waarschijnlijk) mee te maken hebben. Daarbij blijken politiemensen bij hun oordeelsvorming over juridische beslissingen gebruik te maken van niet-juridisch ‘vakmanschap’, gebaseerd op ervaringskennis en probabilistische logica. Een deel van de officieren van justitie en rechters zegt, overeenkomstig een ‘contextualistische denkstijl’ (De Groot-van Leeuwen, 1991: 182; zie ook hoofdstuk 1) uit te willen gaan van wat ze zelf een rechtvaardige uitkomst vinden. Als gevolg daarvan menen ze dat soms soepel omgegaan moet worden met juridische kaders voor voorlopige hechtenis en de beoordeling van bewijs. Bovendien blijken politiemensen, officieren van justitie en rechters behalve een afstandelijk, kritisch en rationeel perspectief, ook een ‘betrokken’ perspectief (vgl. Elias, 1982) te hanteren op het strafrecht. Ook hierin ligt een deel van de verklaring voor overeenkomstige opvattingen over de strafrechtspleging in de drie onderzochte groepen.